Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1998
 

Namen, haren, bloed en zeep
Naamgevingsrituelen bij de Noord-Ghanese Dagomba

Gerard C. van de Bruinhorst

Ik rol van de ene verbazing in de andere. De dochter van Peter en Salla heeft toch al een naam? Twee dagen geleden ben ik samen met Peter naar de waarzegger geweest. Deze meende zeker te weten dat Fusheina, een betovergrootmoeder, teruggekomen was in het kleine, mollige lichaampje. En gisteren zijn er twee rooms-katholieke priesters op bezoek geweest en hebben de baby nóg een naam gegeven, Felicia. Nu, vanmorgen, is het de achtste dag na de bevalling en ik ben officieel uitgenodigd voor de naamgeving van Peters dochter. Zal de traditionele naam Fusheina bekend gemaakt worden?
Er schuifelt een aantal oude mannen naderbij. Een ervan, een vriendelijke, rijzige man, herken ik als Dauda, Peters vader. Enkele meters verderop laten zij zich neer op gebedsmatten. De oudste neemt het woord:
Bismillah arrahman ar-rahiem... voor mijn ogen voltrekt zich een geheel complete suna, een islamitische naamgeving in het Arabisch. Het gaat allemaal zo snel dat ik vergeet mijn casetterecorder in te schakelen. Daar is het einde al: fasamaynuha Hamdallatu, Hamdallatu. 'Wij noemen haar Hamdallatu.'

Mijn vriend en informant Peter Karim Alhassan woont in Tamale, de grootste stad in Dagbon, gelegen in Noord-Ghana. Daar is in februari 1998 ook zijn eerste dochter geboren. De hierboven geschetste gebeurtenissen rond de naamgeving, zijn zeker niet uitzonderlijk in Dagbon. Vele Dagomba geven hun kinderen naast de traditionele namen (met behulp van een waarzegger), ook nog een christelijke of een islamitische naam. Dat Peter en Salla drie namen geven aan hun eerstgeboren baby is wel opvallend te noemen en dit vormt een van de intrigerende vragen die ten grondslag liggen aan mijn onderzoek naar naamgevingsrituelen bij de Dagomba.

Naamgeving in drie tradities

De drie belangrijkste religieuze tradities bij de Dagomba (de traditionele, islamitische en christelijke traditie) hebben elk hun eigen naamgevingsritueel dat uitgevoerd wordt na de geboorte van een kind. Het traditionele ritueel bestaat uit een divinatiesessie, gevolgd door een offer, de werkelijke naamgeving en het uitdelen van voedsel. De traditionele opvatting is dat elk kind een reïncarnatie is van een gestorven voorouder. Na de geboorte van een kind wordt een waarzegger geraadpleegd die uitzoekt welke man of vrouw uit de familielijn van de vader teruggekomen is. Wanneer dit vastgesteld is, wordt een geschikte dag bepaald waarop de offers aan deze voorouder gebracht kunnen worden. Dit gebeurt in de hut van het familiehoofd of op de binnenplaats waaromheen de hutten gebouwd zijn. De offerdieren bestaan meestal uit kleine kippen in de kleuren zwart, wit of 'rood'. Tegelijk met het slachten van deze dieren wordt aan de voorouders in het algemeen, en aan de gereïncarneerde voorouder in het bijzonder, gevraagd om bescherming van de baby. Wanneer het restje van de navelstreng na enkele dagen is afgevallen, is het tijd geworden om de echte naam te geven. Het familiehoofd neemt daartoe de baby in zijn armen en heet het nieuwe lid van de familie welkom. De hoop wordt uitgesproken dat het kind krachtig, moedig en een grote hulp voor de familie mag zijn. De volgende dag wordt er uitgebreid gekookt. Elk huishouden in de dorpsgemeenschap krijgt een schaal met eten toegestuurd. Hierin bevindt zich naast rijst of gierstepap, ook vlees. Vroeg in de morgen bezoekt de barbier het huis waarin de baby zich bevindt en scheert het hoofdhaar af.

Het islamitische naamgevingsritueel wordt aangeduid met het Hausawoord voor naam (suna). De belangrijkste onderdelen ervan (haarscheren, slacht van een schaap en het uitspreken van de naam) worden teruggevoerd op de gewoonte van de profeet Mohammed. Anders dan het traditionele ritueel, vindt de suna op een vast tijdstip plaats: de achtste dag na de geboorte. 's Morgens komen de mallams (islamitische geleerden) bijeen in de zong (hal) van het huis waar de baby zich bevindt. De leider neemt het woord en begint met het reciteren van Qur'an teksten. Soms volgt hierna nog een improvisatie of een paar uit het hoofd geleerde Arabische zinnen. Het geheel wordt besloten met de naamgeving: 'wij noemen hem/haar...'. Op dit moment wordt de ram, die vastgebonden buiten het huis staat te wachten, geslacht door een van de mannen uit de kring mallams, maar niet door degene die de naam van de baby heeft uitgesproken. Hierna volgen de zegenwensen voor het kind, de gebeden voor de gestorvenen en voor het welzijn van de gemeenschap. Ondertussen hebben de vrouwen het eten gekookt en is ook de barbier gearriveerd om de baby te scheren. De belangrijkste gasten krijgen rijst, de overigen gierste- of graanpap. De rest van de dag lopen vrienden en kennissen aan en geven geld of zeep. Het geslachte schaap wordt als volgt verdeeld:
- kop, huid en de onderste helft van de poten: vroedvrouw
- penis, balzak en staart: jongen die het schaap verzorgt
- nek of dijbeen: barbier
- longen, slokdarm, maag, darmen: de man die het schaap slacht
- nieren en een paar ribben: moeder.

Het christendom is pas enkele decennia een religieuze factor van belang in Dagbon en christelijke Dagomba vormen een zeer kleine minderheid. Ook zij hebben een eigen naamgeving ontwikkeld. Meestal wordt deze ook uitgevoerd op de achtste dag, soms later. De kerkelijke gemeente komt in een afvaardiging naar het huis van de baby en verzamelt zich in een grote kring. Na de opening met gebed komen de vroedvrouw met de baby en de moeder de kring binnen. Na de preek en de naamgeving neemt de dominee of een ouderling de baby van de vroedvrouw over en doet een gebed voor het welzijn van het kind. Hierna volgt de gezamenlijke collecte en een slotgebed, waarna gegeten wordt. Er wordt geen schaap geslacht en ook wordt het kind niet geschoren. Wel worden jongetjes besneden, net zoals dit bij de islamitische Dagomba gebruikelijk is. In beide tradities vindt deze besnijdenis meestal ruimschoots voor de naamgeving plaats (zodat de wond tijdig genezen is) of erna.

Het onderzoek

Literatuur (onder andere Oppong 1973) vermeldt een zekere tolerantie ten opzichte van de andere religieuze tradities in Dagbon, maar over het hoe en waarom hiervan is weinig duidelijkheid. Ook over de naamgeving van christelijke Dagomba is nauwelijks literatuur beschikbaar. Op grond van studies naar ritueel gedrag in pluralistische maatschappijen (o.a. Platvoet & Van der Toorn 1995) verwachtte ik juist bij godsdiensten die veel op elkaar lijken (zoals christendom en islam) een sterke neiging tot demarcatie, een 'anders zijn', aan te treffen. Juist in rituelen zou een dergelijke behoefte tot het scheppen van een eigen identiteit zichtbaar kunnen worden.
Ik heb mijn onderzoek uitgevoerd op twee locaties: een grote stad (Tamale, 300.000 inwoners) en een middelgroot dorp (2000 inwoners) met de omliggende kleine dorpjes. Zowel in de stad als in het dorp kon ik bij Dagomba-families inwonen. De data heb ik verkregen op basis van participerende observaties tijdens 31 naamgevingen, transcripties van de gesproken onderdelen en vele open interviews met betrokkenen en religieuze experts. Mijn grootste belangstelling ging uit naar de visie van Dagomba op de drie religieuze tradities en de invloed die deze godsdiensten uitoefenen op naamgevingsrituelen.

Onderzoeksresultaten

De drie belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek zijn dat:

Deze drie resultaten zal ik toelichten.

Verschillende functies

De naamgevingen in de drie religieuze tradities vervullen verschillende functies. De traditionele religie bestaat voor een groot deel uit een vooroudercultus. Gestorven mensen blijven deel uitmaken van de familie en kunnen terugkomen in het lichaam van een baby. De naamgeving houdt eigenlijk het verwelkomen van een voorouder in. Het ritueel vindt dan ook plaats binnen in huis en de deelnemers zijn alleen familieleden. Pas een dag later speelt de gemeenschap een rol, wanneer er eten gekookt en uitgedeeld wordt.
Het islamitische ritueel heeft een andere functie. Het feit dat de ceremonie in het Arabisch uitgevoerd wordt, laat al zien dat de gerichtheid vooral naar buiten toe is. De islam, het voorbeeld van Mohammed, de gebedsrichting, de kop van het offerdier: alles verwijst naar de islamitische hartlanden in Arabië. Wat er ritueel uitgedrukt wordt tijdens de naamgeving, is het binnenkomen van vitaliteit en spiritualiteit van buiten de familie en van buiten de gemeenschap. Daarom vindt het ritueel ook plaats in de hal, op de grens tussen het huis en de gemeenschap. Op het moment van de naamgeving is er een scherpe scheiding tussen mannen en vrouwen. De mannen zitten in de hal, de vrouwen binnen in de hut of op de binnenplaats. Wanneer de naam is uitgesproken, wordt deze door een vrouw 'opgehaald' in de hal, en verder 'getransporteerd' naar binnen. Hierop barsten de vrouwen in gejoel uit. De mallams die het ritueel uitvoeren, komen uit de gemeenschap en ook zijn er vertegenwoordigers van het dorps- of stadswijkbestuur aanwezig. De zegenwensen die uitgesproken worden, weerspiegelen vooral de zorgen en noden van de gemeenschap en veel minder die van de baby.
Het christelijke ritueel daarentegen is veel exclusiever. De geestelijken komen vaak van buiten de gemeenschap en de kerkelijke gemeente groepeert zich in een gesloten kring rond de Bijbel. De baby wordt vanuit het huis naar buiten en vervolgens binnen deze gemeenschap gedragen door de vroedvrouw. Na het uitspreken van de naam, beweegt de baby zich opnieuw. Nu van de handen van de vroedvrouw naar de mannelijke dominee of ouderling die het opheft naar boven en een zegen vraagt over het nieuwe leven.

De Dagomba-baby's die verschillende rituelen ondergaan, worden geïnitieerd in verschillende domeinen. De traditionele naamgeving erkent de band tussen gestorven voorouders en de levende familieleden. De islamitische naam symboliseert de transcendentie die de lokale traditionele religie overstijgt en initieert de baby in de umma (islamitische, universele geloofsgemeenschap). Het christelijke ritueel vormt de rituele expressie van een persoonlijke band met God. Het opdragen aan God lijkt op het opdragen van de baby in het traditionele ritueel, waarin het familiehoofd de baby vasthoudt

Invloed van de islam

De invloed van de islam is niet te vinden in een soort syncretisme: het overnemen van bepaalde elementen in een ander ritueel. Wanneer meerdere rituelen uitgevoerd worden, dan zijn dit naast elkaar bestaande plechtigheden en niet een vermenging van alle tradities. De invloed van de islam ligt vooral op het niveau van de betekenis. Met name het idee van de naamgeving als reiniging is in meerdere of mindere mate overgenomen door de andere tradities.
De islam verbindt het scheren van het hoofdhaar van de baby met het reinigen van de onreinheid uit de baarmoeder. Deze onreinheid die dezelfde is als die van bijvoorbeeld menstruatiebloed, wordt overgebracht op het kind. Om te kunnen functioneren in de maatschappij moet de baby daarom gereinigd worden. Het hele proces waarin het kind gereinigd wordt en bedeeld met een spirituele Arabische naam, wordt bij de Dagomba onder andere uitgebeeld door de vleesverdeling van het schaap. Door middel van structurele tegenstellingen realiseert dit ritueel een overgang van seksuele onreinheid door bloed (stervende ram/barende moeder) via reiniging door water en scheren (vroedvrouw en barbier) naar spirituele reinheid, gesymboliseerd door de Arabische naam. Met name de koppeling tussen haar en onreinheid is nieuw in Dagbon. Bij de traditionele Dagomba is het haar van de pasgeborene, samen met de navelstreng, juist de laatste band die het kind heeft met de moeder en dus met de wereld der voorouders. Het haarscheren geeft de definitieve overgang aan en moet gepaard gaan met de naamgeving, zodat de band met de voorouders niet echt verbroken wordt. Verder zijn de harige vachten van dieren het symbool van macht in Dagbon. De naam van de etnische groep is er zelfs aan ontleend (gbon = huid). Dat in het islamitische ritueel nu juist de vroedvrouw de vacht van het schaap krijgt, is erg vreemd. Huiden zijn voorbehouden aan mannen in machtsposities. Een verklaring die hiervoor gegeven kan worden, is het symbolische verband tussen haar en onreinheid. Omdat het haar van de baby gegroeid is in de baarmoeder, kan dit haar via een metonymische betekenisoverdracht staan voor de onreinheid van de barende moeder en de vrouwelijke seksualiteit. De barbier scheert het haar van de baby (spirituele reiniging) en de vroedvrouw wast het kind (fysieke reiniging) en krijgt het haar van het schaap.
Dit idee van het onreine haar vindt nu ook zijn weg naar de andere tradities. Ook traditionele Dagomba begraven nu het haar van hun baby zorgvuldig buiten het erf. De christelijke Dagomba die hun baby's niet scheren, hebben twee oplossingen voor het gebrek aan reiniging gevonden. Naast geld, wordt bij christelijke naamgevingen vooral zeep gegeven en dat in onvoorstelbare hoeveelheden. Wie deze zeepstaven krijgen? De moeder en... de vroedvrouw! Het tweede antwoord waardoor het tekort aan reiniging aangevuld wordt, is het uitvoeren van de besnijdenis bij jongens. Hoewel de christelijke traditie deze joodse gewoonte afgebroken heeft (zie bijvoorbeeld de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 2), wordt kennelijk de behoefte gevoeld bij christelijke Dagomba om toch een reinigingsritueel uit te voeren!

Rituele demarcatie

Hoewel er op het eerste gezicht geen sprake lijkt te zijn van rituele demarcatie tussen de religieuze tradities onderling, is dit fenomeen wel te bespeuren binnen de islam. Met de komst van reformistische groeperingen, vooral in Tamale, is de islamitische naamgeving bij hen steeds meer 'bijgesteld'. De zegenbeden zijn afgeschaft en het ritueel wordt niet op de achtste dag uitgevoerd, maar op de zevende, volgens de letterlijke interpretatie van de Arabische bronnen. Ook krijgt de mallam die het ritueel opent en sluit met gebed, geen geld 'omdat het Woord van God niet verkocht mag worden.' Het grootste deel van de naamgeving wordt nu ingenomen door een 'preek', waarin veel geciteerd wordt uit de islamitische, profetische traditie en de Qur'an. Alleen de hoog opgeleide mallams, waarvan velen in Mekka gestudeerd hebben, komen aan het woord. De eigen inbreng van de andere mannen is nihil. Het ritueel dient nu voornamelijk als een kanaal om de boodschap van de islam uit te dragen.
De meningen van islamitische Dagomba over deze reformistische groep zijn erg negatief. Vooral het feit dat zij de elementen die betrekking hebben op de gemeenschap (de zegenwensen) verbannen hebben, wekt onbegrip. Er doen verhalen de ronde dat de puriteinse moslims weigeren ouderen op de traditionele manier te groeten (op de hurken). Ook de dagen waarop het vasten van de ramadan hoort te beginnen en het grote offerfeest moet uitgevoerd worden, worden door deze groepering anders vastgesteld dan door de overige moslims. Deze opstelling wekt veel wrevel en toenemende conflicten en spanningen tussen beide vormen van de islam in de toekomst kunnen dan ook niet uitgesloten worden.

Conclusie

Vorm en inhoud van de diverse naamgevingsrituelen bij de Dagomba zijn dermate verschillend, dat ze makkelijk naast elkaar uit te voeren zijn. Onderlinge beïnvloeding vindt voornamelijk plaats vanuit de islam. De betekenis van reiniging die nu alle drie de naamgevingen laten zien, is waarschijnlijk uit de islam afkomstig. Deze religie heeft een hoge status, met name door het gebruik van een geschreven taal (Arabisch) en een heilig Boek (de Qur'an). Het christendom heeft ook een heilige schrift (de Bijbel) en wordt eveneens geassocieerd met een machtige taal: het Engels. Haar invloed is echter vooralsnog beperkt vanwege de korte geschiedenis in de regio. Het (potentiële) exclusieve karakter van het christendom hoeft niet te botsen met de Dagomba-cultuur, omdat het traditionele ritueel immers ook een exclusief karakter als familieritueel draagt. Maar anders dan bij de traditionele naamgeving maakt de christelijke naamgeving gebruik van externe religieuze experts die van buiten de gemeenschap komen. Conflicten tussen christelijke en traditionele Dagomba zijn niet op grote schaal te verwachten. Religieus getinte botsingen zijn vooral te vinden tussen islamitische groepen onderling en (in toenemende mate) tussen christendom en islam.

Literatuur

Oppong, C., Growing up in Dagbon. Accra: Ghana Publishing Corporation, 1973.
Platvoet, J. & K. van der Toorn, Pluralism & Identity: Studies in Ritual Behaviour. Leiden: Brill, 1995

naar index volgende