Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1998
 

Het Kumaka-Kwebanna landbouwproject:
ontwikkeling voor wie?

Wieteke van Breugel

Daar zat ik dan in een speedboot die met een rotgang over het water richting het Indianen reservaat Moruca zoefde. Moruca ligt in het noordwesten van Guyana, in een moerasgebied langs de kust. Ik had in Nederland foto's gezien van een prachtig landschap met allemaal eilandjes. In dit gebied gebruikte de Indiaanse bevolking de kano voor transport. Fabiola Jara Gomez (mijn afstudeerbegeleidster) vertelde me tijdens een van de voorbereidende gesprekken in Transitorium 2, dat ze nog nooit zo'n mooi gebied had gezien. Ook had ik in Georgetown, de hoofdstad van Guyana, een aantal gesprekken gehad met mijn begeleidster van de Universiteit van Guyana en met Marileen Reinders, die mij als AIO in het veld begeleidde. Beiden hadden enthousiast verteld over Moruca. Waarom keek ik dan niet vol spanning uit naar wat komen ging, maar zat ik een beetje zenuwachtig naar mijn medepassagiers te kijken?

Het was zeven mijl lopen door het hoge woud, vanaf de kade waar de speedboot aanlegde, naar 'mijn' dorp. Mijn gastmoeder vertelde me dat er een weg heen liep. Na enkele mijlen in de bloedhitte gelopen te hebben vroeg ik haar waar die weg dan begon, niet beseffende dat dit modderpad de enige echte weg was. Na drie uur flink zweten kwamen we eindelijk in het schooltje van mijn onderzoeksdorp, Karaburi, aan. Tot mijn verbazing was het hele dorp uitgelopen om me welkom te heten en natuurlijk om te kijken wat ik ze te vertellen had. Het antropologisch onderzoek was nu echt begonnen. Ik vertelde hen dat ik geïnteresseerd was in het Kumaka-Kwebanna ontwikkelingsproject dat vanaf de jaren 60 geïnitieerd was. En dat ik vier maanden bij hen kwam wonen om te horen wat hun visie was op dit project.

In de jaren 60 was het Kumaka-Kwebanna landbouwproject het grootste ontwikkelingsproject dat ooit in een Indiaanse gemeenschap in Guyana was uitgevoerd. In die tijd was Guyana nog een Engelse kolonie. Het project werd mede gefinancierd door de Engelse overheid. De doelstellingen van het project pasten binnen de toenmalige opvattingen van westerse (koloniale) overheden over ontwikkeling. Het doel van het Kumaka-Kwebanna project was de Indianen te helpen een meer ontwikkelde en geciviliseerde Guyanese bevolkingsgroep te worden. De Engelse overheid dacht dit te kunnen bewerkstelligen door naast het originele inheemse multicropping landbouwsysteem, een nieuwe westerse manier van landbouw te introduceren. Deze monocropping landbouw zou niet voor de eigen consumptie zijn, maar de opbrengst kon verkocht worden op de markt. Door deze marktintegratie zou, in de visie van de beleidmakers, het civilisatieproces van de Indianen in gang gezet worden.

De onderzoekspraktijk

In Nederland had ik een onderzoeksvoorstel geschreven, waarin precies uiteengezet was hoeveel interviews ik zou afnemen en wat de onderwerpen waren die aan bod moesten komen. In de praktijk bleek het niet zo eenvoudig te zijn als ik zelf gedacht had om er zo maar op los te interviewen. Het dorp lag verspreid langs een weg over een lengte van vijf mijl, de weg was te slecht om op te fietsen, en de tractor reed alleen op zaterdagen (het was overigens levensgevaarlijk om hier op te zitten). Daarnaast waren er nog afgelegen delen van het dorp; hier kon je alleen met de kano komen. Ik moest ook op mijn hoede zijn voor giftige slangen; bovendien was er laatst een meisje verkracht. Bij verre afstanden moest iemand me vergezellen.

Drie verschillende etnische Indianengroepen waren vertegenwoordigd in Karaburi: de Arawaks, de Warao's en de Caribs. Elk van hen bewoonde een ander deel van het dorp. De ongelijkheid tussen de verschillende groepen was groot. De Arawaks stonden boven aan de hiërarchische ladder, gevolgd door de Warao's en de Caribs. Ik had veel meer moeite de laagste etnische groepen (de Warao's en Caribs) te interviewen. Zij waren niet gewend aan blanken, begrepen soms niet wat onderzoek was en waren achterdochtig. Men dacht dat ik me persoonlijk zou verrijken door een boek over hen te schrijven en daarbij foto's zou verspreiden van deze "onderontwikkelde" Indianen.
Het gebruik van mijn memorecorder, om de interviews op te nemen, kon ik wel vergeten. En gerichte vragen over het project kon ik onmogelijk stellen, omdat men mij niet aan durfde te kijken, maar angstvallig de grond bestudeerde. Langzaam maar zeker groeide het vertrouwen dat ik hier inderdaad kwam als een vriendelijke studente die niets kwaads van plan was. En langzaam maar zeker kon ik meer vragen stellen, die betrekking hadden op de evaluatie van het landbouwproject.

Het Kumaka-Kwebanna project

De burgemeesters van de Indiaanse dorpen Kumaka en Kwebanna wilden graag een weg aanleggen tussen hun twee dorpen, zodat de tussenliggende 22 mijl overbrugd werd. De koloniale overheid zag hier een mogelijkheid om het tussenliggende maagdelijk tropisch woud geschikt te maken voor de landbouw. Door de introductie van een nieuwe vorm van landbouw zouden de Indiaanse boeren geïntegreerd worden in de Guyanese samenleving.
Naast de Engelse overheid financierden een Engelse en Canadese ontwikkelingsorganisatie een deel van de kosten. Boeren zouden gratis land krijgen, langs deze nieuw te bouwen weg. De Verenigde Naties verschafte de eerste jaren voedselhulp aan de deelnemers. Een paar honderd boeren trokken naar de nieuwe landbouwakkers en begonnen met het zware kapwerk om het land geschikt te maken voor de landbouw. Enkele Engelse en Canadese landbouwadviseurs hielpen de boeren met het starten van een nieuw landbouwsysteem. Op de akkers zou één soort gewas geplant worden. De nieuwe gewassen waren allemaal voor de markt, zoals pinda's, erwten, koffie, sinaasappel-, citroen- en perebomen. Dit monocropping systeem was nieuw voor de Indianen. Zij zijn gewend meerdere soorten gewassen op hun akkers te planten. Dit zogenaamde multicropping systeem is zeer goed aangepast aan de ecologie en technologie van de Indianen.

De inheemse visie

In eerste instantie waren de boeren enthousiast over de mogelijkheid om met buitenlandse hulp iets te leren over nieuwe gewassen. Bovendien lokte het geld dat verdiend kon worden door deze gewassen op de markt te verkopen. Echter, de Indianen hadden moeite met de arbeidstijdbesteding op de nieuwe akkers. Zij bleven hun eigen inheemse consumptiegewassen verbouwen. Deze gewassen zorgden immers voor voedselzekerheid. Want binnen het multicropping systeem, waarbinnen deze inheemse consumptiegewassen verbouwd werden, waren er altijd wel een paar gewassen die het goed deden. Het mislukken van de totale oogst was daarom vrijwel onmogelijk.
De nieuwe gewassen gaven veel minder zekerheid. Het was maar de vraag of de tussenhandelaren er een goede prijs voor zouden geven. Daarnaast bleken de nieuwe gewassen veel afhankelijker te zijn van allerlei weersinvloeden en van wilde dieren die de oogst verwoestten. Ook vertelden een paar boeren me: "Elke keer als ik weer probeerde de pinda apart op een veldje te verbouwen, ontdekte ik dat de oogst mislukte". Deze nieuwe marktgewassen bleken de bodem ook veel sneller uit te putten dan de inheemse consumptiegewassen.
Niet alleen de verbouw van de marktgewassen gaf problemen, ook de verkoop van de producten was moeilijk. Karaburi ligt afgelegen. De dichtstbijzijnde afzetmarkt is twee dagen en een nacht peddelen met de kano. De tussenhandelaren op deze markt waren van een andere etnische afkomst: Guyanees Afrikaans en Guyanees Indiaas. De Afrikanen zijn de afstammelingen van de slaven die op de Europese plantages werkten. De Indiase mensen zijn afstammelingen van de contractarbeiders die op de plantages werkten, na de afschaffing van de slavernij. De Indianen vertrouwden deze Afrikaanse en Indiase tussenhandelaren niet. Ze vertelden me dat ze een kartel vormden en dat het onmogelijk was om een juiste prijs voor je producten te krijgen. Vooral als je Indiaan was, werd je makkelijk afgezet met een te lage prijs.
Daarnaast vergaten de beleidmakers van het project dat ze met verschillende etnische Indianengroepen te maken hadden. Voordat er een project geïmplementeerd werd in het gebied tussen de dorpen Kumaka en Kwebanna, woonden er reeds Warao's en Caribs. Zij leefden van zwerflandbouw; telkens wanneer de grond uitgeput raakte, brandden ze een nieuw stukje bos weg om hier landbouw te bedrijven. Deze Indianengroepen hadden vrijwel geen contact gehad met Westerse invloeden en ontwikkelingsprojecten. Zij zijn tijdens het Kumaka-Kwebanna landbouwproject nooit actief betrokken geweest bij de verbouw van marktgewassen.
Tijdens het project waren het de Arawaks, de Indianen met de hoogste sociaal-economische status, die van de faciliteiten profiteerden. De Caribs en Warao's vertelde me, dat ze nooit gevraagd zijn om aan het project deel te nemen. Men nam niet de moeite om deze traditioneel levende Indianen te betrekken bij het project. Het waren, volgens hen, de Arawaks die door de beleidmakers werden ingehuurd en de dienst uitmaakten. De beleidmakers benadrukten dat de Caribs en Warao's wel werden uitgenodigd, maar nooit kwamen opdagen.

Conclusies

Het Kumaka-Kwebanna project dat door de Engelse overheid in de jaren zestig geïnitieerd werd, was niet goed afgestemd op de situatie van de Indiaanse inwoners. Dit blijkt ondermeer uit de nadruk die binnen het project gelegd werd op het verbouwen van marktgewassen, terwijl het belang van de inheemse consumptiegewassen over het hoofd gezien werd. Daarnaast werd er geen rekening gehouden met de moeilijkheden die de Indianen, door hun inferieure positie binnen de Guyanese maatschappij, hadden om een eerlijke prijs voor hun landbouwproducten op de markt te krijgen. Het belang van etnische verhoudingen en de ongelijkheid, gebaseerd op etnische relaties binnen de Indianengroepen, is nooit onderkend.
Binnen het project had meer aandacht besteed moeten worden aan de lokale en regionale sociale en economische verhoudingen. De visie van de mensen zelf over ontwikkelingen en oplossingen voor problemen is van primair belang, omdat je alleen dan kan voorzien in de lokale behoeften. Om deze inzichten te verkrijgen is langdurig veldwerk nodig. Antropologisch onderzoek is uitermate geschikt om hieraan een bijdrage te leveren. Antropologen die zich bezig houden met ontwikkelingsprojecten proberen zoveel mogelijk de behoefte van de bevolking binnen de context van de eigen cultuur te reflecteren en zijn daarom mijns inziens onmisbaar bij de voorstudie en de implementatie van ontwikkelingsprojecten.

Literatuur

Ellis, Frank, Peasant Economies. Cambridge: University Press, 1988.
Gray, Andrew, "Indigenous Peoples and the Marketing of the Rainforest". The Ecologist 6: 223-227, 1990.
Henfrey, Collin, The Gentle People; a Journey among the Indian Tribes of Guiana. Londen: Hutschinson & Co. LTD, 1964.
Kloos, P., The Maroni River Caribs of Surinam. Assen: van Gorcum & Comp. N.V., 1971.

vorige naar index volgende