Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1998
 

Een dorpsstudie in Honduras

Joanne Bosch

'Hola, mijn naam is Joanne', zei ik tegen de vrouw waar ik de komende vier maanden bij zou komen wonen. Ze stelde zich voor als 'madre de la casa' en vertelde dat het echt geen probleem op zou leveren, als ik bij hen zou komen: ik was welkom. Er was ruimte genoeg, zei ze en vertelde dat ik wel in het bed van een van haar zoons kon slapen: 'Die slaapt toch bijna nooit thuis'. 'Hij slaapt wel ergens daar boven', zei ze, terwijl ze omhoog wees. Ik begreep pas later, dat daar achter die bomen ook nog een woning stond van een kennis van de familie Gonzales. Het bed in beslag nemend deed ik een dorpsstudie.

Bossen en bomen in El Junco de la Palma

El Junco de la Palma is de exotische naam van het bergdorpje waar ik onderzoek deed naar het gebruik van het bos door de dorpsbewoners. Het dorp is gelegen in de bergen van Honduras, 12 kilometer slingeren en glibberen (in de regentijd) vanaf Siguatepeque. In deze stad staat de bosbouwschool ESNACIFOR waarvoor ik het onderzoek uitgevoerd heb. In deze bosbouwschool worden studenten uit Midden-Amerika opgeleid tot bosbouwers: beschermers en bewakers van het bos. Binnen de bosbouwsector is de laatste jaren steeds meer de overtuiging doorgedrongen dat de aanplant, het beschermen en beheren van bos in samenwerking met en ten behoeve van de arme, gemarginaliseerde lokale bevolking van ontwikkelingslanden zou moeten gebeuren. Hiervoor is het belangrijk dat er kennis is van de situatie waarin de lokale bevolking leeft.
Een Nederlands project dat binnen de bosbouwschool opereert, tracht om via onderwijsondersteuning deze sociale kant van de bosbouw wat te benadrukken. Dit project heet LARESNAR en is een samenwerkingsproject van ESNACIFOR met de Nederlandse bosbouwschool Larenstein. De afgelopen jaren zijn er door antropologiestudenten vier dorpsstudies uitgevoerd in de omgeving van de bosbouwschool. De studie die ik in El Junco de la Palma gedaan heb, is de laatste. Aan de hand van deze studies probeert LARESNAR een algemeen beeld van de sociale omstandigheden van de dorpsbewoners te krijgen en zo aanknopingspunten te vinden voor sociaal georiënteerd bosbouwonderwijs. De bosbouwstudenten leren in hun opleiding hoe ze aan de hand van een survey-onderzoek een dorpsmonografie kunnen schrijven. De monografieën van de vier voorgaande studenten dienen hierbij als model.
Toen ik aankwam in Siguatepeque, hadden de bosbouwstudenten van het derde jaar reeds een survey-onderzoek gedaan naar de wat meer sociologische gegevens van El Junco de la Palma. Hierdoor kon ik binnen het tijdsbestek van mijn afstudeeronderzoek wat dieper op de voor mij, als antropologe, interessante thema's ingaan. Ik besloot te onderzoeken welke sociaal-culturele factoren het gebruik van brandhout bepalen en in welke mate dit van invloed is op de degradatie van het bos of het verdwijnen van de bomen uit het dorp. Deze centrale onderzoeksvraag formuleerde ik na het lezen van de dorpsmonografieën en na informele interviews op LARESNAR/ESNACIFOR. Tien volle weken bracht ik door bij een grote familie die in het dorp woonde.
In het begin van het onderzoek hield ik een volkstelling om de monografie van de studenten wat uit te breiden en om kennis te maken met de mensen uit het dorp. Daarnaast wilde ik categorieën inwoners ontdekken, die op verschillende manieren in hun behoefte aan brandhout voorzien en gebruik maken van het bos. Tevens heb ik tijdens deze volkstelling de mensen enthousiast verteld over mijn plan om met vrijwilligers een boekje te gaan maken over dit zo bijzondere dorp. De uitvoering van deze participerende activiteit bleek in de praktijk een grote uitdaging en is uiteindelijk gelukt door mee te gaan in de informele wijze waarop de dorpelingen zich organiseren. Ook heb ik ingespeeld op het feit dat men nogal nieuwsgierig was omtrent de activiteit. Halverwege mijn onderzoek heb ik drie categorieën gebruikers van het bos kunnen vaststellen. Met één afgevaardigde uit iedere categorie heb ik uiteindelijk een diepte-interview gehouden om te ontdekken, hoe zij hun natuurlijke omgeving percipiëren, hoe men gebruik maakt van brandhout en in welke mate een aanslag gedaan wordt op het bos.

Gehucht

El Junco de la Palma is een gehucht dat aan het begin van deze eeuw ontstaan is. Het ligt op een bergachtige helling die vóór haar ontginning volledig uit dicht bos bestond. Momenteel wonen er ongeveer 700 inwoners die zowel afstammen van de eerste kolonisten (ongeveer 7 families) als van families uit andere dorpen in de omgeving. Er is geen elektriciteit in het dorp aanwezig. Wel zijn er een school, een boerencoöperatie en vier kerken. Er is een alfabetiseringsprogramma van POCET werkzaam en deze begeleidt tevens mensen die zich organiseren in productieve groepen. Daarnaast is er een dorpsraad CODECO (Comisión de Desarrollo Comunal) die alle gemeenschapsactiviteiten in het belang van het dorp coördineert en die er in geslaagd is om financiering voor dorpsprojecten via het FHIS (Fondo Hondureño de Inversión Social) en Foster Parents van de grond te krijgen. Hierdoor beschikken de meeste huishoudens over een letrina (soort toilet) en een pila (soort wasbak). De dorpsraad is ook verantwoordelijk voor het beheer van het bos en het beheersplan dat dient om het behoud van het bos te waarborgen. In de praktijk blijken er weinig tot geen acties op dit gebied ondernomen te zijn.

Koffie en groente

Het merendeel van de families die in El Junco wonen zijn kleine koffieboeren die werkzaam zijn in de landbouw. Men verbouwt sinds de jaren tachtig allerlei soorten groente. Hiervoor is veel grond nodig en wordt beboste grond ontgonnen. Hetzelfde geldt voor de aanleg van nieuwe koffieplantages. Er wordt veel gepraat en geklaagd over de achteruitgang van de vruchtbaarheid en het verdwijnen van de natuurlijke waterbronnen die vroeger bijdroegen aan het bebouwen van de akkertjes. Daarentegen stelt men steeds meer eisen aan de productie van de gewassen.

Huishouden

De familie waar ik woonde, bestond uit 30 personen. Ze woonden verdeeld over vier huizen en een klein huisje. De moeder van de familie heeft tien kinderen. Zij en haar moeder (oma) zijn de centrale personen. De oudste dochter woont bij moeder in huis, samen met haar vier kinderen. De vier oudste zonen hebben hun eigen huisje dat op steenworpafstand van het ouderlijk huis staat. De oudste drie zonen wonen samen met hun vrouw en kinderen. Moeder heeft nog twee jonge kinderen in de schoolleeftijd en er woont een aangenomen dochter in huis. In het begin was het mij niet geheel duidelijk wie waar woonde, want er kwamen veel familieleden eten, maar die sliepen niet allemaal in het ouderlijk huis.
Het runnen van een huishouden vereist veel werkkracht. Men werkt samen aan het verwerven van het inkomen. Ieder familielid heeft hierin zijn eigen taak. De (schoon-)dochters zorgen voor de bereiding van de tortillas en het eten. Daarnaast verkopen ze wat producten aan dorpsgenoten voor het kopen van kleding, zeep, wasmiddel, zout en rijst. Oma regelt het werk op het land en de kleine koffieplantage die ze hebben. Ze stuurt haar kleinzonen en achterkleinzonen naar de akkertjes waar ze bonen, maïs en wat groente verbouwen.
Over het algemeen moeten de jonge jongens voor het benodigde brandhout zorgen. In 36 procent van de gezinnen wordt het brandhout gezocht door de kinderen, in 40 procent van de gezinnen door de man des huizes en in 20 procent door de vrouw. Grootouders zijn in 4 procent van de gezinnen verantwoordelijk voor de houtvoorziening.

Brandhout

De familie beschikt, net als de meeste gezinnen in El Junco de la Palma, over een fornuis dat gestookt wordt met hout. Dit fornuis reduceert de hoeveelheid brandhout die verbruikt wordt in het huishouden. Voor het bereiden van de tortillas, het roosteren van de koffie en het bereiden van eten heeft men per dag gemiddeld drie stukken brandhout (50 cm bij 15 cm doorsnee) per persoon nodig. Het zoeken, kappen en hakken van het brandhout kost per dag gemiddeld één tot anderhalf uur. Men haalt het brandhout over het algemeen van bomen op het terrein dat eigendom van de familie is. Dit kan zijn van de schaduwbomen die in de koffieplantage groeien om schaduw te geven aan de koffieplantjes. Ook uit de tuin rondom het huis of van een terrein dat voor een jaar braak heeft gelegen, kan men brandhout halen. Langs de weg vindt men ook brandhout van de struiken en bomen die daar groeien. Slechts een klein deel van het hout zegt men te halen uit het gemeenschapsbos. Dit bos is erg ver weg gelegen, bovenop één van de bergen. Wat vroeger bos was, is tegenwoordig omgezet in landbouwgrond. Toch groeien overal nog wel bomen en zijn er koffieplantages die her en der door het dorp verspreid liggen. Hieraan dankt El Junco de la Palma zijn groene aanblik.

Minder bos en bomen

In gesprekken met dorpsbewoners komt duidelijk naar voren, dat mensen zich bewust zijn van het verdwijnen van het aantal bomen en het bos. Men vindt dit jammer, omdat het steeds moeilijker blijkt te zijn om brandhout te vinden, het klimaat lijkt te veranderen en omdat de vruchtbaarheid van de aarde schrikbarend afneemt evenals de hoeveelheid water die in de natuurlijke waterbronnen ontspringt. Toch onderneemt niemand actie om bomen te planten. Er zijn ook veel mensen die over onvoldoende grond beschikken om bomen te kunnen planten. Tegelijkertijd lijkt er een soort vertraging in het bewustzijn op te treden. De persoon die op het ene moment praat over het rampzalige effect van het verdwijnen van het bos, lijkt op een ander moment te beweren dat het allemaal wel mee valt en dat er altijd bos is geweest en dus ook altijd wel bos zal blijven. Het zou te maken kunnen hebben met het feit dat iedereen in het dorp zich het recht toeeigent om brandhout te verkrijgen van diegene die het op dat moment heeft. Over het algemeen haalt men het bij familieleden die over brandhout beschikken. Het hout is er tot nu toe altijd wel geweest en daar is nooit echt bewust voor gezorgd. Toch zal hierin op een gegeven moment een keerpunt komen.

Overleven

Uit mijn onderzoek bleek, dat vooral de mensen zonder grond of met slechts heel weinig grond een grotere moeite hebben om brandhout te verkrijgen. Toch blijkt dat diegenen die familie in het dorp hebben, hun brandhout vrij gemakkelijk van die familie krijgen. Deze groep mensen heeft de instelling, dat zaken als brandhout verkregen kunnen worden, maar voelt zich niet verantwoordelijk voor het ontstaan, de productie van het hout. De eigenaren die hout in overvloed hebben, zijn zich veel meer bewust van hun afhankelijkheid van de natuur. Zij danken de natuur voor dat wat ze krijgen, terwijl de tweede categorie mensen hun familie dankt voor de producten die ze van hen verkrijgen. De categorie mensen die geen grond bezit en evenmin familie in het dorp heeft wonen, heeft het vrij moeilijk om brandhout te vinden. Ze kunnen óf naar het gemeenschapsbos gaan, óf naar familie in de nabijgelegen dorpen. Ook vinden zij dat ze wel recht hebben op het brandhout van andere families, maar die blijken hen toch liever niet van hout te willen voorzien. Hieruit spreekt al een beetje het aankomende tekort dat er in de toekomst zal zijn. Deze laatste groep mensen is meer dan anderhalf uur per dag bezig met het zoeken en vinden van brandhout.

vorige naar index volgende