![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Participatie en scholing in twee eco-archeotoerisme-projecten in Mundo Maya - Mexico
Ron Martens
Mundo Maya is een samenwerkingsprogramma tussen Mexico, Belize, Guatemala, Honduras
en El Salvador met als doel te werken aan duurzame toerisme-ontwikkeling. Het ontstaan van
dit programma moet gezien worden in het licht van de ontwikkelingen in het internationale
toerisme van de jaren tachtig. Centraal daarin stond de opkomst van een nieuw type toeristen,
de zon, zee, strand plus-toeristen, die milieubewuster en op zoek zouden zijn naar meer
authentieke ervaringen. Diverse innovaties in de toerisme-industrie maakten het mogelijk om
tegemoet te komen aan die vraag. Cultuur-historisch toerisme, etnisch toerisme en vooral
ecotoerisme werden booming business. Landen met een grote biodiversiteit en ongerepte
natuurgebieden zagen nieuwe mogelijkheden om zich op de toerismemarkt te profileren. Ook
de natuur- en milieubeweging (o.a. het Wereld Natuur Fonds) toonde interesse, want met het
ecotoerisme zouden natuurbehoud, milieu-educatie en ontwikkeling gecombineerd kunnen
worden. De toerist zou onder begeleiding van lokale gidsen ongestoord kunnen genieten van
en leren over de natuur, terwijl de inkomsten ten goede zouden komen aan natuurbehoud en
lokale bevolking, althans dat was het populaire beeld.
Op politiek niveau dient het ontstaan van het Mundo Maya-programma gezien te worden in
het licht van de destijds talrijke conflicten in Midden-Amerika. Het Mundo Maya-programma
zou een eerste stap kunnen zijn naar regionale samenwerking en kunnen bijdragen aan het
verminderen van de spanningen, temeer daar de Europese Gemeenschap bereid bleek om het
programma in financiële en technische zin te ondersteunen.
Dat laatste was vooral voor de armere landen een aantrekkelijk vooruitzicht. Mexico
daarentegen zocht vooral een mogelijkheid om haar toeristisch aanbod te diversificeren en
wilde, behalve resorts als Cancún, ook nieuwe regio's in toeristisch opzicht exploiteren en
Mundo Maya, de wereld van de Mayas, leek daarop hét antwoord. De vijf zuidelijke
deelstaten, te zamen met Guatemala en Honduras de bakermat van de Maya-beschaving,
beschikten over een rijke biodiversiteit en een levende Maya-cultuur. Wat restte was het
oppoetsen van het eco-imago van bekende attracties, zoals Palenque in Chiapas en Chichén
Itzá in Yucatán, én het ontwikkelen van eco-archeotoerisme-projecten.
Dit was het decor waar ik me als reisleider en als antropologiestudent aan het begin van de
jaren negentig in bewoog. Gaandeweg groeide mijn fascinatie voor de verhalen over Mundo
Maya en vooral voor de eco-archeotoerisme-projecten, die volgens representanten van Mundo
Maya ook proefprojecten waren voor duurzame plattelandsontwikkeling. Ze beweerden ook
stellig dat participatie en scholing van de lokale bevolking de hoekstenen van die projecten
waren. Ik besloot om te onderzoeken hoe die participatie en scholing in twee Mexicaanse
Mundo Maya-projekten, Agua Selva en Calakmul, vorm kregen.
Onderzoeksmethodologie
Voor mijn onderzoek heb ik gebruik gemaakt van het transformatiemodel, de actorbenadering
en een aantal kernpunten uit het denken over participatie en scholing. Het transformatiemodel
ziet de ontwikkeling van een toeristisch product als een continue transformatie van resources
of hulpbronnen (Dietvorst 1992; Ashworth & Dietvorst 1995). Dat proces begint met het zien,
vermoeden en vaststellen van de potentiële toeristische waarde van de resources. Vervolgens
vindt een proces van codering en interpretatie plaats, waardoor gegraveerde stenen in het
tropisch bos bijvoorbeeld de betekenis krijgen van sporen van een 'verdwenen cultuur'. Een
volwaardig toeristisch product beschikt echter ook over verblijfsmogelijkheden, transport- en
basisvoorzieningen, gidsen en promotie- en informatievoorzieningen, en tot slot
reisarrangementen (McIntyre 1993). Al deze voorzieningen vergen transformaties van
hulpbronnen, die plaatsvinden aan de zijde van de producent(en). Ook de consument of toerist
draagt zijn steentje bij, bijvoorbeeld door het afstemmen van zijn verwachtingen op het
aangeboden product (de eenvoudige maaltijd bij de boer wordt het verlangde contact met de
lokale bevolking) of door wensen kenbaar te maken, die nieuwe transformaties vergen. De
actorbenadering is daarop een goede aanvulling, omdat daarmee de rol van personen en
organisaties, de hulpbronnen waar zij over beschikken en de sociale en institutionele context
waarbinnen zij opereren, onderzocht kan worden (Long 1992).
Bij participatie en scholing heb ik vooral gebruik gemaakt van het onderscheid tussen
opgelegde, consultatieve, actieve en eigenlijke participatie (Azócar de Buglas 1995), tussen
een beneficiary en een empowerment-benadering en van methoden die bij
plattelandsontwikkeling gebruikt worden: de functionele groep- en de institutie-opbouw-benadering (Huizinga e.a. 1982).
Vervolgens formuleerde ik voor drie aandachtsgebieden specifieke onderzoeksvragen. Het
eerste aandachtsveld, de lokale situatie, maakt in het ecotoerisme deel uit van de toeristische
attractie(s) en bepaalt mede de mogelijkheden en belemmeringen voor de ontwikkeling van
een toeristisch product. In het tweede aandachtsveld, de actoren, ging het om het in kaart
brengen van de personen en organisaties die bij het project betrokken waren. Bij participatie
en scholing ging het vooral om de vragen vanuit welke benaderingen er gewerkt werd, hoeveel
en welke leden van de lokale bevolking erbij betrokken werden en wat de voornaamste
problemen en belemmeringen daarbij waren.
In het (veld)onderzoek heb ik gebruik gemaakt van literatuurstudie (met name
beleidsstukken), participerende observatie in de dorpen van de eco-archeotoerisme-projecten
en interviews met sleutelfiguren en gidsen.
Agua Selva
Agua Selva ligt in de Sierra de Huimanguillo, een bergachtig en relatief recent gekoloniseerd
gebied, dat lange tijd een 'vergeten uithoek' van de Mexicaanse deelstaat Tabasco was. Sterke
bevolkingsgroei en intensivering van de zwerflandbouw hebben er in relatief korte tijd geleid
tot ontbossing en marginalisatie.
Begin jaren negentig wordt maestro Julio, een Spaanse ontwikkelingswerker, geattendeerd
op de vondst van gegraveerde stenen bij Malpasito. Vrijwel gelijktijdig ontdekt ingenieur
Pagola, hotelier in Huimanguillo en een fervent natuurliefhebber, de Sierra. Hij ziet in het
tropisch bos en de talrijke watervallen een kans om iets met ecotoerisme te doen. Ook doña
Gladis, coördinatrice van de afdeling toerisme bij de gemeente, ziet mogelijkheden. Er wordt
een comité gevormd en na ampel beraad worden de verschillende ideeën ondergebracht in een
gezamenlijk projectdocument. Kerngedachte daarvan is, dat de archeologische vindplaats en
een kampement met rustieke overnachtingsplaatsen (cabañas) een impuls zouden kunnen
vormen voor de ontwikkeling van de Sierra.
Via via komt men bij Jorge Belmonte, hoofd van de afdeling Ecotoerisme van Mundo Maya.
Belmonte gaat samen met Elías Vera van SEFICOT, het deelstaat-ministerie voor toerisme, op
onderzoek. Hij stelt vast dat het landschap, de vegetatie, de watervallen, de archeologische
vindplaats én de aanwezigheid van Zoques, een aan de Mayas verwante etnische groep, precies
de elementen vormen die passen binnen het Mundo Maya-programma. In september 1993
begint Belmonte met de opleiding van een kleine en selecte groep mensen, die als gidsen en
als coördinatiegroep een belangrijk aandeel zouden moeten hebben in de verdere ontwikkeling
van het project. De bouw van een kampement zou later aan de orde komen. Ingenieur Pagola,
die geen deel uitmaakt van de coördinatiegroep, besluit om op eigen initiatief en samen met
mensen uit Malpasito zijn cabañas te bouwen en een weg aan te leggen. In het voorjaar van
1994 organiseert SEFICOT een cursus die niet voor een selecte groep, maar juist voor iedereen
toegankelijk is.

Met deze initiatieven raken de verhoudingen tussen de diverse betrokkenen verstoord. Men
probeert om opnieuw via een scholingscursus de kar op de rails te krijgen, maar dat mislukt en
Belmonte trekt zich in het voorjaar van 1995 terug.
De verantwoordelijkheid komt nu bij SEFICOT, ergo Elías Vera, te liggen. Door
ministerswisselingen en reorganisatie duurt het tot februari 1996, voordat hij met een nieuwe
scholingscursus kan beginnen. Voor Vera was 1995 een verloren jaar en wordt het nu dus een
kwestie van 'opnieuw beginnen'. Doel van zijn cursus is de vorming van een nieuwe groep
gidsen en per dorp een comité, die gezamenlijk een overkoepelend comité zouden moeten
gaan vormen.
Voor Pagola was 1995 geen 'verloren jaar'. Integendeel, de Asamblea (Algemene
Dorpsvergadering) van Malpasito accepteerde hem als ejiditario en wees hem een stuk grond
toe. Later wordt hij ook gekozen tot voorzitter van het ecotoerismecomité in Malpasito. Vera
kon niet (meer) om Pagola heen en dat was weer tegen de zin van andere betrokkenen, die
vonden dat Vera en Pagola twee handen op één buik waren en mooie sier maakten met hun
watervallen en hun tropisch bos, zonder dat zij daar ook maar één peso van terug zagen.
Deze situatie, aangeduid als división total (totale verdeeldheid), trof ik aan tijdens mijn
veldonderzoek. Het in kaart brengen van de verschillende posities en de mogelijkheden om de
división total te overbruggen leken me mooie doelstellingen. Het eerste is me (in mijn
onderzoeksverslag!) gelukt. Het tweede, waarbij ik mikte op het organiseren van een
vergadering van alle betrokkenen, waarop op basis van concrete punten, zoals de herbouw van
een informatie-gebouwtje, een hernieuwde basis voor samenwerking gelegd had moeten
worden, was voor vier weken veldonderzoek te hoog gegrepen. De vergadering ging om
diverse redenen (geen steun van de gemeente, geen benzine voor de auto die de betrokkenen
moest ophalen enz.) niet door en er kwam (zo) een eind aan mijn verblijf in Agua Selva.

Calakmul
De regio Calakmul ligt in het zuidoosten van Campèche en grenst aan Quintana Roo en
Guatemala. Ook hier gaat het om een recent gekoloniseerd en gemarginaliseerd gebied. Maar,
terwijl de Sierra een vergeten uithoek was, kon de regio Calakmul zich in een ruime
belangstelling verheugen. In 1989 had president Salinas de Gortari (1988-1994) de regio
uitgeroepen tot Reserva de Biosfera (bioreservaat) en dat was het startschot voor diverse
(inter)nationale organisaties om samen met de regionale raad van ejidos tal van projecten op
het gebied van natuurbehoud en ontwikkeling te starten. Deze regionale raad slaagde erin om
het beheer van de Reserva in handen te krijgen en legde zo het fundament voor een regionaal
ontwikkelingsbeleid, geënt op een duurzaam beheer en meervoudig gebruik van het tropisch
bos.
Ook hier zijn de basisingrediënten voor een eco-archeotoerisme-project aanwezig. De regio
heeft veel archeologische vindplaatsen en kent een rijke flora en fauna (vogels, jaguars). De
eerste stap is de scholing en opleiding
van lokale gidsen, die uiteindelijk als groep een bureautje voor inkomend toerisme zouden
moeten gaan beheren. De scholing komt, onder andere in samenwerking met Belmonte, het
deelstaatministerie voor toerisme (SEDETUR) en de niet-gouvernementele
natuurbeschermingsorganisatie PRONATURA stukje bij beetje tot stand, maar de
organisatievorming blijft uit.
Het unieke van Calakmul, althans dat verzekerden representanten van de genoemde
organisaties mij in het begin, was dat twee vrouwen erin geslaagd waren om een zelfstandig
bestaan als gids op te bouwen. Navraag leerde dat de inkomsten (nog) niet toereikend waren,
al zagen ze allebei wel mogelijkheden om op korte termijn voor zichzelf te beginnen of in
dienst te treden bij een touroperator. Ook bij de organisatie van de gidsen speelden de twee
vrouwen een hoofdrol. Voor de buitenwereld werkten ze samen, maar achter de schermen was
het 'een échte maffia', aldus een van mijn respondentes. Dat bleek bijvoorbeeld tijdens de
gidsenvergadering, waar de voorzitster voorstelde om een deel van de inkomsten uit het
gidswerk te storten in een gezamenlijk spaarfonds. Haar opponente ging slechts met tegenzin
en na veel heen en weer gepraat akkoord, maar na afloop van de vergadering, toen de andere
gidsen al weg waren, weigerde ze echter alsnog om het akkoord te ondertekenen.
Na mijn ervaringen in Agua Selva besloot ik om me niet in dit wespennest te mengen en me
te beperken tot het in kaart brengen van de ontwikkeling van het project, de inbedding ervan in
het Reserva-project en de opvattingen van de diverse betrokkenen over de rol van participatie
en scholing in het ecotoerisme.
Onderzoeksresultaten
In beide projecten probeerde men zoveel mogelijk gebruik te maken van lokale toeristische
hulpbronnen: archeologische vindplaatsen, natuurschoon, flora en fauna. Die hulpbronnen
vormden op zich echter nog geen toeristisch product. Het werken in gemarginaliseerde
plattelandsgebieden impliceerde, dat er gewerkt moest worden met de beperkingen die zich
daar voordeden. Beide regio's kenden een gebrekkige infrastruktuur (wegen,
communicatiemiddelen) en het ontbreken van essentiële toeristische voorzieningen, zoals
overnachtingsplaatsen en informatie, betekende dat er forse investeringen gedaan moesten
worden. Investeringen die niet door de lokale bevolking zelf opgebracht konden worden.
Bij de projecten waren diverse aktoren betrokken: overheden, NGO's, toerisme-industrie, de
lokale bevolking. Deze actoren beschikten over verschillende hulpbronnen (geld, technische
assistentie, scholing). Geen van de externe agenten was in staat om permanente ondersteuning
te bieden; daarvoor ontbrak het hen aan financiële middelen, politieke speelruimte, kennis van
en ervaring in de toerisme-industrie en (derhalve) wellicht aan ondernemerszin. Men was dus
in sterke mate op elkaar aangewezen en alleen door een combinatie van hulpbronnen slaagde
men erin om een start te maken.
De hoeksteen van de projecten was de actieve participatie van de lokale bevolking. Scholing
en opleiding van lokale gidsen leek daarvoor het geëigende middel. Al spoedig bleek dat die
scholing geen sinecure was. Gids-zijn betekende beschikken over een ruime kennis op het
gebied van archeologie (en niet alleen van de eigen regio, maar ook van andere!), flora en
fauna, toerisme in algemene en ecotoerisme in specifieke zin, omgang met mensen
(presentatie- en didactische vaardigheden), vreemde talen enz. Het opleidingsniveau van de
cursisten was echter laag en de meesten hadden moeite met studeren. Al snel werd duidelijk
dat een eenmalige cursus ontoereikend was. Door gebrekkige hulpbronnen én verschillende
opvattingen over de aard en het niveau van de scholing zelf slaagden de externe agenten er niet
in om een gedegen beroepsopleiding te realiseren, maar bleef de scholing beperkt tot af en toe
een cursus.
Bij de cursussen werd steeds ook het belang van organisatievorming benadrukt, zonder dat
er echter expliciet aandacht aan besteed werd. Organisatievorming bleek een zeer moeizaam
proces. In Agua Selva zorgde gebrekkige ondersteuning en onvrede over de samenstelling van
de coördinatiegroep er al spoedig voor, dat de groep uiteenviel, terwijl de talrijke conflicten in
Calakmul uiteindelijk leidden tot splitsing van de groep.
Een van de problemen waar men in beide projecten mee te maken had, was dat de meeste
bezoekers 'dagjes-toeristen' waren, die niet in grote aantallen en bovendien zeer onregelmatig
kwamen. De meeste gidsen hadden werk en verplichtingen in het eigen gezin en in het
toerisme werken betekende voor hen het risico lopen om een normale arbeidsdag te verliezen.
Dat konden de meesten zich niet veroorloven en participatie bleef in de praktijk dus beperkt
tot een handjevol mensen, die in hun ogen 'af en toe' een cursus gehad hadden en voor wie
gidswerk een mogelijkheid was om nu en dan 'iets extra's' bij te verdienen.
Lessen uit Mundo Maya
Terugblikkend op de ervaringen in toerisme-ontwikkeling in Mundo Maya kunnen een drietal
lessen getrokken worden. Ten eerste vooronderstelt toerisme-ontwikkeling in
plattelandsgebieden een gedegen voorstudie van de mogelijkheden en belemmeringen. Zo'n
studie dient zowel een analyse van het toeristisch potentieel en aanwezige hulpbronnen te
omvatten, als het sociaal-economisch en cultureel profiel van de lokale bevolking (in feite een
klassieke etnografische studie) en de economische haalbaarheid (marketing). In de project-documenten werd ook steeds gepleit voor dergelijke studies, maar in de praktijk zijn die nooit
gerealiseerd. Dat leidt naar de tweede les.
Toerisme-ontwikkeling veronderstelt de betrokkenheid van diverse actoren. De vorming van
een platform-organisatie waarin de verschillende hulpbronnen en belangen van de betrokkenen
afgestemd en gecoördineerd kunnen worden, is daarvoor een essentiële voorwaarde. Ook die
institutionele inbedding was bij de start van de projecten voorzien en in het geval van
Calakmul ook aanwezig. Waar het aan ontbrak, was inzicht in de voorwaarden waaronder de
betrokkenen in het project participeerden. Een 'sociaal contract' waarin de betrokkenen
aangeven tot welke bijdrage zij zich verplichten en eventuele ontbindingsclausules
geformuleerd worden, zou wellicht een belangrijk bindmiddel en garantie voor continuïteit
kunnen zijn.
Actieve participatie van de lokale bevolking blijft het sleutelwoord tot succes. Gegeven hun
sociaal-economische situatie is het uitzicht (kunnen) bieden op daadwerkelijke inkomsten op
relatief korte termijn essentieel (vandaar ook het belang van een economische
haalbaarheidsstudie). Op basis daarvan kan en dient een scholingsprogramma opgezet (te)
worden, dat niet alleen geënt is op het (aan)leren van specifieke beroepsvaardigheden, maar
vooral ook op organisatie- en managementvaardigheden, zodat het eco-archeotoerisme ook
daadwerkelijk als een door de lokale bevolking zelf beheerde onderneming kan functioneren.
Dit zijn wellicht wijze lessen uit ervaringen met toerisme-ontwikkeling in Mundo Maya. Of
zij ooit in Mundo Maya daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden, blijft onbeantwoord, want
Mundo Maya is in meer dan één opzicht een andere wereld.
Literatuur
Ashworth, G.J. & Dietvorst, A., 'Tourism transformations: an introduction.' In: Ashworth & Dietvorst (ed.), Tourism
and spatial transformations. CAB International, Oxon, 1995.
Azócar de Buglas, Leida (ed.), Ecoturismo en el Ecuador - Trayectorias y desafíos. Quito: DDA, Intercooperation,
IUCN, 1995.
Dietvorst, A., 'Een model van toeristisch-recreatieve produktontwikkeling.' in: Vrijetijd en Samenleving, 10e jaargang,
nr. 2/3, 1992, p. 21-28.
Huizinga, B, R. van Raalte & N. Röling, Five approaches to rural extension: International course on rural extension.
International Agricultural centre, Wageningen, 1982.
Long, Norman, 'From paradigm lost to paradigm regained? The case for an actor-oriented sociology of development.'
in: N. Long & A. Long, Battlefields of knowledge: The interlocking of theory and practice in social research and
development. London: Routledge, 1992.
McIntyre, G., Sustainble Tourism Development: guide for local planners. Madrid: WTO, 1993.