![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Turkse idealen op Nederlandse bodem
Miriam Geerse
Tijdens een verblijf van een jaar in Istanbul werd ik via de media en op mijn werk als docente
Engels regelmatig geconfronteerd met de Turkse politiek en met daaraan verwante
verschijnselen als de cultus om de persoon van Atatürk, de Turkse houding ten opzichte van
de Grieken en de Koerdische kwestie. Toen ik zonder goed na te denken een keer een bronzen
masker van Atatürk voor mijn ogen hield - misschien trok ik er zelfs wel een gek gezicht bij -
reageerden mijn leerlingen diep geschokt. Hoewel ik wist dat er met de nagedachtenis en
beeltenis van Kemal Atatürk, de grondlegger van de Turkse republiek, niet gespot mag
worden, was ik verbaasd over de heftige reactie van mijn studenten.
De politiek getinte rellen in de overwegend door Alevieten1 bevolkte wijk Gaziosmanpasa
vonden ook plaats in de periode dat ik in Turkije was. De directe aanleiding voor deze rellen
was de moord op enkele Alevitische koffiehuisbezoekers. Onbekende daders hadden vanuit
een rijdende auto het vuur geopend op vier Alevitische koffiehuizen en hadden zo een
bloedbad aangericht. Bij de rellen die hier op volgden en die bijna uitliepen op een opstand
tegen de Turkse overheid, verloor de Alevitische kokkin van de school een familielid. De
opschudding over de gebeurtenissen in Gaziosmanpasa bracht de schoolleiding ertoe een
notitie op te hangen met de boodschap, dat het verboden was politiek te bespreken in de klas.
Het kleine incident met het Atatürk-masker en de dramatische gebeurtenissen in
Gaziosmanpasa deden bij mij het besef ontstaan, dat politiek in Turkije op een andere manier
ingrijpt in het dagelijks leven van de bevolking dan in Nederland. Ik had het gevoel dat het
Turkse maatschappelijke leven doordrenkt is van politiek en dat dit ook onder Turken in
Nederland merkbaar moet zijn. Ik besloot een afstudeeronderzoek te doen onder Turken of
Koerden in Nederland, naar een onderwerp waarvan de Turkse politieke en sociale context niet
genegeerd kon worden.
De keuze van het onderzoeksonderwerp
In eerste instantie was ik vooral geïnteresseerd in de Koerdische kwestie waarmee de Turkse
televisiekijker weliswaar dagelijks geconfronteerd wordt, maar waarover het moeilijk is
betrouwbare informatie te vinden in Turkije. Al snel raakte ik echter geboeid door de
ultranationalistische Milliyetçi Hareket Partisi (MHP - Nationalistische Actie Partij), die één
van de felste tegenstanders is van het Koerdische streven naar onafhankelijkheid. Bij de laatste
algemene verkiezingen in Turkije haalde de MHP ruim acht procent van de stemmen. De partij
is dus niet groot, maar de indirecte invloed van de MHP op de Turkse politiek reikt ver. De
aanhangers van het gedachtengoed van de MHP, of van de politieke stroming die het pan-Turkisme genoemd wordt, worden veelal bozkurtlar (Grijze Wolven) of ülkücüler genoemd,
wat idealisten betekent. Het ideaal (ülkü) waar het woord ülkücü naar verwijst, is het ideaal
van de Turkse natie. Dit ideaal wordt ook door Turken in Nederland aangehangen. In theorie
staan de ülkücü's de vereniging voor van alle Turkstalige volkeren en geloven zij in de
superioriteit van het Turkse ras. Hun symbool is de Grijze Wolf, die in veel Turkse mythen
figureert als moeder, hoeder of redder van het Turkse volk.
Het intrigeerde me, dat in Nederland wonende Turken die in Nederland zelf tot een
gediscrimineerde en achtergestelde groep behoren, Koerden het recht willen onthouden hun
cultuur te beleven en hun identiteit uit te dragen. Over de organisatie van de ülkücü's of Grijze
Wolven in Nederland bleek echter weinig bekend te zijn. In tegenstelling tot islamitische
groeperingen als de Milli Görü was de ülkücü beweging in Nederland nauwelijks onderzocht.
Een belangrijke reden om de ülkücü's te gaan onderzoeken was, dat ik geen scherp beeld van
ze had en niet met ze sympathiseerde. Het voordeel daarvan was, dat ik bij de aanvang van het
onderzoek nog geen enkel idee had van wat ik zou tegenkomen en van wat ik zou gaan
schrijven. Als ik een onderzoek onder politiek actieve Koerden had verricht, had ik dat
waarschijnlijk bewust of onbewust met een soort missie gedaan. Dan had ik bij voorbeeld
duidelijk willen maken, dat de internationale gemeenschap zich ten onrechte weinig inspant
voor de rechten van de Koerden.
Relevante theorievorming
Wat zijn ülkücü's voor mensen en hoe denken ze? Waarom blijven ze aan hun op Turkije
gerichte ideologie vasthouden? Hoe kijken ze tegen hun positie in Nederland aan en wat
willen ze in Nederland bereiken? Dit waren enkele vragen die ik beantwoord wilde zien en die
het uitgangspunt van mijn onderzoek vormden. Om deze vragen te kunnen beantwoorden
moest ik niet alleen met ülkücü's in contact zien te komen en beschrijvende literatuur over de
beweging bestuderen, maar leek het me ook verstandig enig theoretisch houvast te zoeken in
literatuur over vergelijkbare bewegingen. Omdat Grijze Wolven vaak met fascisme en rechts-radicalisme geassocieerd worden, lag het voor de hand theorieën over fascisme en rechts-radicalisme te bestuderen. Toch kon ik nauwelijks een verbinding leggen tussen de eerste
observaties uit mijn veldonderzoek en die theorieën. De positie van de ülkücü's is niet zonder
meer te vergelijken met die van Nederlandse neo-nazi's of Centrum-Democraten, want de
ülkücü's vormen in Nederland een minderheid van een minderheid en richten hun aandacht
niet op Nederland maar op Turkije en de Turkse natie. Bij de ülkücü's is er sprake van een
verplaatst nationalisme, wat Benedict Anderson 'long-distance nationalism' noemt (1992).
Dat studies van nationalistische Grieken of extreem-rechtse Joden in een land als Amerika
relevantie zouden kunnen hebben voor het begrip van de ülkücü beweging in Nederland, leek
me waarschijnlijk. Ook was de gedachte bij me opgekomen, dat de ülkücü beweging in
sommige opzichten overeenkomsten vertoont met organisaties van Koerden die naar politieke
of culturele autonomie streven. Gelukkig bleek de antropologische en politicologische
literatuur over diaspora gemeenschappen en transnationalisme al deze verschijnselen te
kunnen omvatten. De politicologische literatuur over diaspora gemeenschappen handelt vooral
over de relaties tussen staten en diaspora gemeenschappen, terwijl de antropologische
literatuur sterk de nadruk legt op de identiteitsvorming van migranten die in de diaspora leven.
Diaspora gemeenschappen bestaan uit mensen die zich verbonden voelen met een andere staat
of natie dan die waarin ze wonen, en die zich ook actief voor hun land van herkomst en natie
inzetten. Soms wonen die gemeenschappen al honderden jaren buiten hun 'eigenlijke
vaderland', soms nog maar enkele generaties. Transnationale netwerken zijn de
communicatienetwerken waarmee de diaspora is verbonden aan de natie en staat waarmee zij
zich vereenzelvigt. De antropoloog Kearney noemt 'transnationalisme' de politiek-culturele
variant van globalisering. Literatuur over transnationalisme en diaspora gemeenschappen gaat
uit van het idee, dat een aantal, aan migratie gerelateerde maatschappelijke verschijnselen, niet
bestudeerd kan worden vanuit één standpunt of standplaats, maar dat de onderzoeker letterlijk
of figuurlijk mee moet reizen met de mensen om wie het gaat. De benaderingswijze uit deze
literatuur vormt een verbindende schakel tussen theorievorming over etniciteit, die vaak
eenzijdig gericht is op het contact van migranten met - in dit geval - de Nederlandse
samenleving, en literatuur over bij voorbeeld nationalisme, fascisme en rechts-radicalisme.
Het inzicht dat de ülkücü's als een nationalistische diaspora gemeenschap beschouwd kunnen
worden, verschafte mij een kader waarbinnen ik mijn onderzoek vorm kon geven. Een
voordeel daarvan was ook, dat stigmatiserende termen als fascisme en extremisme, die
ülkücü's tegen de gebruikers ervan in het harnas jagen, niet vaak gebruikt hoefden te worden.
Om de ülkücü's in hun context te plaatsen moest ik, zoals Milton Israel zegt (1991: 376),
onderzoek doen 'aan beide zijden van het water', wat betekende dat ik op basis van literatuur
een beschrijving maakte van de politieke stroming waaruit de MHP voortkomt en van de MHP
zelf. Ook ging ik naar Turkije om een aantal prominente MHP'ers en MHP-kenners te spreken.
In Ankara sprak ik onder anderen met de zoon van Alparslan Türke. Alparslan Türke
modelleerde zijn leiderschap naar dat van Hitler en was tot zijn dood in 1997 de onbetwiste
leider van de ülkücü beweging. De belangrijkste reden om naar Turkije te gaan was echter, dat
het me veel moeite kostte om met ülkücü's in contact te komen - ze zaten bepaald niet te
wachten op een studente die haar neus in hun zaken kwam steken - en ik hoopte de zaken te
bespoedigen door naar Turkije te gaan. Het gegeven dat ik met mensen uit het MHP-kader in
Turkije had gesproken, maakte mij voor de ülkücü's in Nederland inderdaad iets acceptabeler.
Veldonderzoek doen: idealen en 'realiteit'
Toen ik erin geslaagd was contact te leggen met ülkücü's in Nederland, moest ik bedenken hoe
ik me op zou stellen tegenover hen. Enkele romantische opvattingen over de manier waarop
antropologisch onderzoek gedaan moet worden, bleken me daarbij behoorlijk dwars te zitten.
Een antropoloog kan slechts een minuscuul stukje beschrijven van de werkelijkheid zoals hij
of zij die ziet, maar diep weggestopt in de hedendaagse antropologie schuilt volgens mij nog
steeds de pretentie een soort van totaalbeeld te schetsen vanuit een vergaande, zo niet totale
betrokkenheid bij het onderwerp van onderzoek. In methodologische handboeken wordt ook
wel beweerd, dat een onderzoeker gegevens moet verzamelen en analyseren tot hij of zij het
gevoel heeft dat er geen nieuwe informatie meer bijkomt, tot een punt van verzadiging is
bereikt. Om dat totaalbeeld of punt van verzadiging te bereiken moet een antropoloog dan
natuurlijk eerst 'binnen' zien te komen bij de mensen onder wie hij of zij een onderzoek wil
uitvoeren. En in een geromantiseerde opvatting van veldonderzoek gaat dat proces van
toegang verwerven altijd met pijn en moeite gepaard.
Dat laatste klopt in mijn geval wel. Ik geloof alleen niet, dat ik ooit echt 'binnen' ben
geweest. Ik heb slechts een paar stapjes over de drempel gezet. Het idee dat een onderzoeker
werkelijk grip kan krijgen op de situatie die hij of zij onderzoekt, of deze werkelijk kan
'vatten', gaat mijns inziens voorbij aan de complexiteit van de meeste sociale situaties. De
ülkücü's die ik sprak, zeiden soms dat er zoveel over de ideologie te vertellen is en te weten
valt, dat een mensenleven te kort is om daar zelfs maar een stukje naar behoren van te
belichten. Met een groots gebaar lieten sommigen weten, dat de geschiedenis en het
gedachtengoed van de ülkücü's zo rijk zijn, dat die in het dikste boek niet in al hun glorie
beschreven kunnen worden. Natuurlijk is dit een uiting van nationalistisch sentiment, maar
mensen gaven daarmee ook aan zichzelf als een klein deeltje van een groter, onkenbaar geheel
te beschouwen. Het gevoel dat zij verwoordden, had ik in iets andere vorm ook. Voor mij was
het niet zozeer de ideologie alswel de beweging op zich die complex en veelvormig is.
Daarvan een volledig beeld schetsen is een onmogelijkheid, evenals het verwezenlijken van
totale betrokkenheid.
Hoewel ik besefte dat dat laatste nooit bereikt kan en misschien zelfs niet moet worden, was
het in mijn ogen toch de beste garantie voor het verzamelen van betrouwbare gegevens. Ik zag
er ook de aangewezen 'strategie' in om het onderzoek voor zowel mezelf als voor de mensen
die met me te maken kregen, op een prettige manier te doen verlopen. Ik vond dat je in
antropologisch onderzoek op vriendschappelijke voet moest komen te staan met de mensen die
je onderzoekt, en dat er een bepaalde vertrouwensband moest ontstaan. Maar vriendschap mag
dan sowieso zeldzaam zijn en volledige betrokkenheid een gedateerd ideaal, bij mensen die
een fascistische ideologie aanhangen, had ik er helemaal moeite mee te bepalen, hoe ik me op
moest stellen. Al vond ik enerzijds dat ik moest proberen op vriendschappelijke wijze met
mensen om te gaan, anderzijds zag ik een kloof tussen de ideologie die de ülkücü's aanhangen
en mijn eigen wereldvisie, die zo groot is dat er geen basis voor vriendschappelijkheid was. Ik
wilde dus niet te dichtbij komen en vreesde ook dat, wanneer ik bij voorbeeld te gretig van de
gastvrijheid van mensen gebruik zou maken, ik mezelf verplichtingen op de hals zou halen die
ik niet waar kon maken. Daarnaast zou ik mensen, als ze eenmaal bepaalde verwachtingen van
me hadden, onnodig kunnen kwetsen met mijn scriptie die niet in het voordeel van de ülkücü's
uit zou vallen. Ook het feit dat ik naast mijn onderzoek moest werken om in mijn
levensonderhoud te voorzien en het gegeven dat ik er veel belang aan hechtte om familie- en
vriendschapsbanden te onderhouden, hebben ervoor gezorgd dat ik niet de vergaande
betrokkenheid heb bereikt die mij voor ogen stond. Iemand die in het buitenland onderzoek
doet en die voor zijn of haar sociale contacten aangewezen is op de mensen bij wie hij of zij
onderzoek doet, zal ongetwijfeld meer betrokken raken bij die mensen.
Het fundamentele verschil tussen de levensvisie van de ülkücü's en die van mij riep de vraag
op, in hoeverre ik open moest zijn over mijn eigen politieke overtuiging en opvattingen. Het
betrachten van volledige openheid heb ik nooit overwogen, omdat ik dan net zo goed meteen
mijn schrijfblok dicht had kunnen slaan en vertrekken. Het lijdt geen twijfel, dat ik
daarentegen een schat aan informatie zou hebben gekregen, wanneer ik mij als een tot het
Turks nationalisme 'bekeerde' Nederlander had gepresenteerd, maar ook dat was geen optie. In
plaats van een keus te maken tussen die uitersten, was ik een groot deel van de tijd aan het
schipperen tussen enerzijds zelf openhartig zijn en anderzijds mensen open tegemoet treden;
twee soorten gedrag die in mijn beleving tot op zekere hoogte strijdig zijn met elkaar. Ik had
het onaanvaardbaar gevonden, als ik nooit mijn afkeuring van bepaalde zaken had laten
blijken. Ten eerste omdat ik vond dat ik niet door te zwijgen de indruk moest geven in te
stemmen met in mijn ogen verwerpelijke opvattingen, en ten tweede omdat mensen mij anders
na afloop van het onderzoek terecht zouden kunnen verwijten, dat ik 'twee gezichten' had
getoond. Het kenbaar maken van mijn eigen mening betekende wel, dat ik af en toe mensen de
mond snoerde of in een bepaalde richting dwong, wat de betrouwbaarheid van de gegevens
niet ten goede kwam en soms evenmin recht deed aan de persoon zelf. Ook waren er situaties
waarin ik het uiten van mijn mening best achterwege had kunnen laten. Zo beperkte mijn
relatieve openheid over mezelf de mate waarin ik me open op kon stellen tegenover de ander.
Ik denk dat dit tot een lichte vertekening in het voordeel van de ülkücü's heeft geleid. Wat zij
mij niet hebben verteld en niet hebben laten zien, kan ik immers ook niet opschrijven.
De ülkücü beweging: transnationale netwerken
De algemene vraag 'Wat zijn ülkücü's voor mensen, wat doen ze en hoe denken ze?'
ontwikkelde zich tijdens het onderzoek tot vragen over het reilen en zeilen van een ülkücü
organisatie, de wijze waarop men ülkücü is geworden en de inhoud en betekenis van de
ideologie van ülkücü's in Nederland. Tot besluit van deze CAse zal ik een globaal beeld
schetsen van de ülkücü beweging in de diaspora en van de ülkücü vereniging in mijn
woonplaats.
De koepelorganisatie van de ülkücü's in Nederland is de Turkse Federatie. Bij deze federatie
zijn ongeveer 50 verenigingen aangesloten. Uit de alledaagse gang van zaken in de
lidvereniging die ik in mijn verslag heb beschreven, blijkt een sterke oriëntatie op Turkije en
op orders van hogerhand, ofwel van de Turkse Federatie ofwel vanuit Turkije. Transnationale
netwerken worden optimaal benut. De organisatie in Turkije geeft bij voorbeeld per fax
berichten door aan de Europese afdelingen, de Turkse Federatie nodigt Turkse deskundigen uit
om de ülkücü's hier te informeren over uiteenlopende onderwerpen als drugs, de Turkse
economie en de Alevitische islam, en de federatie maakt haar activiteiten bekend via de 'eigen'
Turkse media. De leden en sympathisanten lezen Turkse kranten en kijken Turkse
televisieprogramma's die bestemd zijn voor het nationalistische publiek waar zij zelf toe
behoren. Het feit dat Turkse televisieprogramma's in Nederland ontvangen kunnen worden, is
er deels verantwoordelijk voor, dat de Koerdische kwestie de gedachten van Turken in
Nederland blijft bepalen. Behalve dat er sprake is van een constante communicatie- en
informatiestroom vanuit Turkije naar Nederland, reizen ülkücü's uit Nederland ook regelmatig
naar Turkije. Wie op vakantie of voor zaken in Turkije is, gaat bij de plaatselijke ülkücü
vereniging langs en wanneer de gelegenheid zich voordoet, gaat men in augustus naar de
grootste jaarlijkse bijeenkomst van de ülkücü's, die plaatsvindt op de berg Erciyes bij Kayseri.
Na het overlijden van Alparslan Türke vlogen enkele honderden Nederlandse ülkücü's in
georganiseerd verband naar Turkije om de begrafenis van hun leider bij te wonen. De
organisatie in West-Europa werft verder fondsen ten behoeve van de organisatie in het land
van herkomst, wat volgens de diaspora literatuur een essentieel kenmerk is van veel politiek
georiënteerde diaspora gemeenschappen. Ook zijn er contacten met de Turkstalige
gemeenschappen in de voormalige Sovjet-republieken. Ülkücü's uit Nederland maken bij
voorbeeld deel uit van Turkse delegaties naar de republieken. Op internationale bijeenkomsten
die door Turkije of de MHP worden belegd met de Turkse republieken en Turkse diaspora
gemeenschappen, presenteert de Turkse Federatie zich als de vertegenwoordiger van dé
Turken in Nederland.
De ülkücü identiteit
Het streven van de ülkücü's in Nederland is, zoals dat van de meeste diaspora
gemeenschappen, niet gericht op het verkrijgen van grondgebied in Nederland. Wel koestert
men de wens de invloed van de Turkse staat in Nederland en andere landen te vergroten en de
expansie van 'Turksheid' tot stand te brengen. Assimilatie en 'vernederlandsing' moeten dus tot
elke prijs voorkomen worden. Ülkücü's uiten vrees voor het opgroeien van generaties mensen
van Turkse afkomst, die noch Turk, noch Nederlander zijn, maar een ondefinieerbare
mengeling van culturen. Turken die geen waarde hechten aan hun Turkse achtergrond, valt
minachting ten deel. Dat de ülkücü's zich meer en meer instellen op een permanent verblijf in
Nederland en de 'mythe van de terugkeer' minder cultiveren dan vroeger, staat Turks
nationalisme niet in de weg, omdat de 'mythe van het thuisland' blijft bestaan. Zoals
aangegeven wordt de band met het vaderland op allerlei manieren nauw gehouden en wordt dit
in aanzienlijke mate vanuit Turkije georkestreerd.
Alhoewel de ülkücü's zelf zeggen, dat het hen gaat om het behoud van de Turkse cultuur en
dat zij deze beter dan andere Turken in stand weten te houden, denk ik dat de identiteit waar
het de ülkücü's om gaat, niet zozeer een culturele als wel een politieke identiteit is.
Cultuuruitingen op bijeenkomsten van de organisatie staan in dienst van de politieke
boodschap die men uitdraagt. Het is weldegelijk waar, dat de ülkücü's vast willen houden aan
datgene wat zij onder Turkse cultuur verstaan, maar daarin zijn zij niet anders dan veel andere
groepen Turken. Wat een Turk volgens de ülkücü's een goede Turk maakt, is niet alleen dat hij
naar de moskee gaat of zijn zoon laat besnijden, maar vooral dat hij de ideologie van de
ülkücü's aanhangt. Overigens geloof ik dat de kennis van de meeste mensen over de ideologie
beperkt is, maar dat de beweging voor hen aantrekkelijk is, omdat deze appelleert aan
nationalistische sentimenten die men aantreft bij een groot deel van de Turkse bevolking.
Beeldvorming
Nadat de journalisten Braam en Ülger in 1997 hun boek Grijze Wolven: een zoektocht naar Turks-extreem rechts publiceerden, werden zij door criminele Grijze Wolven met de dood bedreigd. Even was Nederland in de ban van de Grijze Wolven. Men leek te vrezen dat de Grijze Wolven op een kwade dag hun tanden in de Nederlandse samenleving zouden zetten en er weinig van heel zouden laten. Dit beeld is mijns inziens sterk overtrokken. Bij de beoordeling van de ülkücü beweging is het enerzijds van belang een onderscheid te maken tussen de ideologie an sich en wat mensen er daadwerkelijk mee doen. Anderzijds dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen de ideologische en de criminele kern - die niet noodzakelijkerwijs uit dezelfde mensen bestaan - en de grote meerderheid van meer gematigde aanhangers van de ideologie. Overigens heeft de publicatie van het boek van Braam en Ülger verstrekkende gevolgen gehad voor de ülkücü organisatie in Nederland. Zo vertelde een respondent mij, dat vijftienduizend Turkse stemmen voldoende zouden zijn om een Turkse kandidaat te verzekeren van een zetel in de Nederlandse Tweede Kamer. Hij voegde toe dat de ülkücü's dat aantal makkelijk hadden kunnen halen2, maar dat concrete plannen van de Turkse Federatie om een eigen Turkse kandidaat naar voren te schuiven bij de algemene verkiezingen van 6 mei 1998 niet zijn uitgevoerd uit vrees voor negatieve publiciteit.
Noten
1 De Alevitische bevolkingsgroep bestaat uit Turken, Koerden en leden van andere etnische groepen en vormt een
religieuze minderheid. Alevieten zijn te kenschetsen als liberale Sji'ieten; dus hun versie van de islam wijkt af van die
van de Sunnitische meerderheid.
2 Het gaat dan niet alleen om stemmen van ülkücü's, maar ook om die van andere Turken die enigszins sympathiseren
met de beweging en om Turken die graag op een Turk zouden stemmen.
Literatuur
Anderson, Benedict, Long-distance Nationalism: World Capitalism and the Rise of Identity Politics. Wertheim lezing.
Amsterdam: Centre for Asian Studies, 1992.
Braam, Stella & Mehmet Ülger, Grijze Wolven: een zoektocht naar Turks extreem-rechts. Amsterdam: Nijgh & Van
Ditmar, 1997.
Israel, Milton, 'Transformations of the Sikh Diaspora.' Diaspora. vol. 1, no. 3, 1991, p. 373-384.
Kearney, M., The Local and the Global: The Anthropology of Globalization and Transnationalism. Annual Review of
Anthropology. no. 24, 1995, p. 547-565.