![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
De mogelijkheid van etnische
conflicten in Namibië:
een literatuurstudie
Björn Hählen
Na een jarenlange strijd tegen overheersing werd Namibië op 21
maart 1990 onafhankelijk. Waren het in eerste instantie de Duitsers, later
waren het de Engelsen en ten slotte de blanke Zuid-Afrikaanse regering
die het land in hun greep hielden. Door de gevoerde apartheidspolitiek
en de sterke band met de Zuid-Afrikaanse economie heeft vooral de koloniale
periode door de Zuid-Afrikanen veel invloed gehad op de huidige situatie
in Namibië. Tijdens mijn onderzoek naar gehandicapten in Namibië
viel mij duidelijk op, dat de groepen nog erg langs elkaar heen leven en
er nog een scheiding tussen de 'blanken' en de 'zwarten' is. Etnische conflicten
leken mij een mogelijk risico.
En etnische conflicten zijn in Namibië een mogelijk
risico. Drie factoren die een erfenis zijn uit het verleden, maken de kans
daarop reëel: (1) er is nog altijd een duidelijk onderscheid tussen
blank en zwart als gevolg van de gevoerde apartheidspolitiek; (2) er zijn
zo'n elf etnische groepen in Namibië en men is zich erg bewust - en
bewust gemaakt tijdens de Zuid-Afrikaanse overheersing - van zijn of haar
etniciteit; (3) er zijn grote verschillen in de sociale en economische
mogelijkheden en in politieke macht tussen de etnische groepen. Via een
conflictmodel dat factoren analyseert, het 'broeinestmodel' van Yamskov,
heb ik getracht een inschatting te maken van de kans op het ontstaan van
etnische conflicten. De vraagstelling van de literatuurscriptie, die in
mei 1998 werd afgerond, luidde: Welke kans op etnische conflicten is er
en hoe groot is de dreiging van etnische conflicten in Namibië?
Ideeën over etniciteit
Eerst heb ik in de scriptie ideeën over etniciteit behandeld. De
staat en de natie hebben een belangrijke relatie met etniciteit. In het
kort behelst de staat de politieke en territoriale aspecten van een land.
Een staat bepaalt het burgerschap die civiel of etnisch van aard
is. Daarnaast speelt de staat een rol in de vorming en profilering van
een etnische groep. Een
natie is het volk dat in een land woont
en behoort tot een bepaalde staat. Etniciteit kan binnen een staat
bestaan, maar kan ook de staatsgrenzen voorbijgaan, omdat etniciteit niet
zozeer een staatsrechtelijk construct is, als wel een sociaal construct.
De grenzen van de staat kunnen een barrière vormen voor de eenheid
van een etnische groep.
In de theorievorming over etniciteit zijn een aantal scholen
te herkennen. Twee belangrijke stromingen zijn de primordialisten en de
instrumentalisten. Deze scholen proberen te verklaren, wat de etnische
groepen motiveert om zich als zodanig te manifesteren. De derde school,
de constructivisten, proberen het bestaan van de groep te verklaren, in
plaats van de drijfveer van de groep. Frederik Barth redigeerde het boek
Ethnic Groups and Boundaries waarmee hij drie belangrijke inzichten
over etniciteit bracht: (1) etniciteit is niet zozeer een vorm van cultuur,
als wel een vorm van sociale organisatie; (2) de oorsprong van deze vorm
van sociale organisatie ligt niet zozeer in de cultuur, als wel in dichotomisatie
van etnische identiteiten. En tenslotte, (3) etniciteit moest gezien worden
als iets dat mensen wordt toegeschreven of dat men zichzelf toeschrijft
en niet zozeer als cultureel bezit. Etniciteit kan latent aanwezig zijn,
maar het kan zich ook manifesteren en uiteindelijk evident aanwezig zijn.
In alle literatuur komt - na het werk van Barth - terug, dat etniciteit
een kwestie is van toeschrijven, dan wel door individuen, de etnische groep
zelf of door anderen buiten de groep ('interne' en 'externe toeschrijving').
De idee bestaat dat toeschrijving plaatsvindt op basis van objectieve en
subjectieve kenmerken, maar het blijkt erg moeilijk om aan te geven wat
nu objectieve kenmerken zijn. Het 'situationalisme' neemt in de theorievorming
een belangrijke plaats in, omdat men er in het algemeen vanuit gaat, dat
etniciteit in een bepaalde situatie betekenis krijgt. Zo vindt etnische
mobilisatie eerder plaats, als de staat een etnische definitie van burgerschap
hanteert en als er onder de bevolking een gevoel van politieke onmacht
heerst.
Heeft men het over etniciteit in Afrikaanse context, dan
ontkomt men er niet aan 'de stam' en verwantschapssystemen erbij te betrekken.
De stam wordt veelal sterk geassocieerd met etniciteit, maar er zijn toch
duidelijke verschillen. Zo is een stam niet manipuleerbaar, en altijd evident
aanwezig is het bewustzijn van een stamlid. Verwantschapssystemen spelen
een rol in etnische mobilisering in Afrika. Dat heeft te maken met de sociale
organisatie die erop gericht is eerst mensen te helpen, waarmee men het
nauwst verwant is. Opvallend in Afrika is, dat etnische conflicten tot
nu toe niet hebben geleid tot nieuwe grenzen.
Conflictmodellen
In de scriptie heb ik een onderverdeling gehanteerd van 'one-factor-models'
en een 'all-factor-model'. De eerste soort tracht het conflict en het ontstaan
te verklaren vanuit één of enkele factoren. Voordeel van
deze vorm is de duidelijkheid en overzichtelijkheid die een ingewikkeld
conflict kan verkrijgen en de soms onverwachte inzichten die het oplevert.
De tweede soort verklaart het ontstaan van het conflict uit een verzameling
factoren, waarvan niet eens alle factoren in het onderzochte geval aanwezig
hoeven te zijn. Het levert een algemener model op, dat eventueel ook inzicht
in andere conflicten kan verschaffen en realistischer is in zijn verklaring.
Enkele 'one-factor-models' zijn het fragmentatiemodel,
het opdelingsmodel en het structureel aanpassingsmodel. Het fragmentatiemodel
gaat er vanuit dat het wegvallen van een tegenstelling kan leiden tot een
etnisch conflict. Het opdelingsmodel is zeer instrumentalistisch en is
dan ook gebaseerd op de Rational Choice Theory. Deze theorie gaat
ervan uit dat mensen solidair zijn aan een groep, omdat die groep hen allerlei
goederen, kansen en politieke rechten biedt. Politieke leiders kunnen zo'n
groep etniseren. Deze modellen zijn afkomstig uit Oost-Europa. Het structureel
aanpassingsmodel beziet de Afrikaanse etnische spanningen vanuit drie punten:
(1) de schuldenproblematiek van het continent, de strakke regels van de
Structural Adjusment Programmes, opgelegd door IMF en Wereldbank en de
interne conflicten die deze programma's oproepen, (2) het proces van democratisering
en (3) een toename in het aantal etnische spanningsvelden. Het broeinestmodel
van Yamskov is een 'all-factor-model' dat gebaseerd is op het conflict
om Nagorno-Karabach in de Transkaukasus.
Broeinestmodel
Dit broeinestmodel onderscheidt drie typen factoren die een rol spelen
bij het ontstaan van etnische conflicten. Vervolgens zijn er vier typen
van etnische conflicten, waarin een chronologische volgorde zit van type
een tot vier. Ten eerste zijn er factoren die de etnische relaties continu
beïnvloeden en die niet in de nabije toekomst zijn uit te schakelen.
Ten tweede is er de toestand waaronder de etnische relaties zich vormen
en hebben gevormd in de regio, en deze toestand kan alleen door drastisch
ingrijpen veranderen. Ten derde zijn er de directe oorzaken voor een verslechtering
van de etnische relaties, die de onmiddellijke ontbranding van een sluimerende
etnische conflictsituatie kan betekenen.
Het eerste type conflict is het socio-economische conflict.
Dit type conflict komt voort uit daadwerkelijke of waargenomen ongelijke
levensstandaarden en de eis deze ongedaan te maken. Het tweede type conflict
is het cultureel-linguïstische conflict. Hierbij gaat het vaak om
de eis de functies van een oorspronkelijke taal of cultuur te beschermen
of te herstellen. Het derde type is een conflict van territoriale aard.
Dit zijn veelal eisen om grenzen te veranderen, de politieke status te
veranderen en nieuwe staatseenheden op te kunnen richten. Tenslotte is
er het politieke conflict dat voortvloeit uit een streven naar volledige
onafhankelijkheid of afscheiding van de staat.
Aan de hand van de erfenis uit het koloniale verleden,
de gebeurtenissen in Oost-Europa, de theorieën over etniciteit en
etnische conflicten en de gebeurtenissen in Afrika op het gebied van etniciteit
is er een vraagstelling ontstaan, zoals deze eerder is vermeld. De deelvragen
bij deze vraagstelling luiden:
Om de eerste drie deelvragen te beantwoorden moeten we eerst iets meer
weten over Namibië. Grofweg kan de geschiedenis van Namibië verdeeld
worden in vier periodes: de pre-koloniale periode, de koloniale periode
onder westerse mogendheden, de koloniale periode onder Zuid-Afrika en de
post-koloniale periode. In de pre-koloniale periode waren er verschillende
gemeenschappen die in het gebied leefden, en het was er vrij rustig. Gedurende
een aantal decennia kwamen herdersvolken uit het noorden en oosten naar
zuidelijk Afrika. In de literatuur wordt de tweede periode, de koloniale
periode, nogal eens verantwoord door te stellen dat er veel etnische conflicten
plaatsvonden en dat alléén de Europeanen de vrede konden
brengen. Maar in tegenstelling tot deze voorstelling van zaken waren juist
de kolonisten de reden voor etnische conflicten. In 1884 vond de Conferentie
van Berlijn plaats en werd Namibië toebedeeld aan Duitsland. Het heette
vanaf toen Deutsch Südwestafrika. De overheid liet boeren uit Duitsland
overkomen, zodat zij de vee-industrie konden ontwikkelen. Er was veel weerstand
tegen de Duitsers, die veel grondgebied onteigenden en hard optraden tegen
de inheemse bevolking. In 1907 worden er drie wetten aangenomen die de
Namibische bevolking ernstig beperken in hun rechten en bedoeld zijn hen
onder controle te kunnen houden. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog
viel Zuid-Afrika (toen nog een Britse kolonie) zijn buurland binnen en
Namibië kwam daarbij onder Brits bestuur. Na de Eerste Wereldoorlog
werd er op de vredesconferentie in Versailles besloten Namibië onder
mandaat te stellen van Zuid-Afrika: namens de Volkerenbond moest Namibië
bestuurd worden op een manier die tegemoet kwam aan de wensen en de eisen
van de inheemse bevolking, en om het land voor te bereiden op onafhankelijkheid
in de toekomst.
De Zuid-Afrikaanse koloniale politiek kent vervolgens
drie periodes: de segregatiefase (1915 - 1948); de apartheidsfase (1949
- 1977) en de internal settlement-periode (1977 - 1989). Iedere fase werd
gekenmerkt door een nieuwe politieke strategie. In 1966 begon de South
West African Peoples Organisation (SWAPO) een strijd voor de onafhankelijkheid.
In 1973 bepaalde het International Court of Justice in Den Haag
dat de aanwezigheid van Zuid-Afrika in Namibië 'illegaal' was. Uiteindelijk
leidde het verzet en de internationale druk tot de uitvoering van Resolutie
435 op 1 april 1989. Deze resolutie was al in 1978 door de Veiligheidsraad
aangenomen en hield een staakt-het-vuren in, een terugtrekking van de Zuid-Afrikaanse
troepen, de terugkeer van SWAPO-strijders en bannelingen, ontmanteling
van de guerillabases, vrijlating van alle politieke gevangenen, erkenning
van politieke partijen, recht op zelfbeschikking van het Namibische volk
en vrije en eerlijke verkiezingen onder gezamenlijk toezicht van Zuid-Afrika
en de Verenigde Naties. Van 7 tot 11 november 1989 konden er vrije algemene
verkiezingen gehouden worden.
In februari 1990 tekenden afgevaardigden van de Namibische
bevolking een concept-grondwet, waarin een meerpartijenstelsel beschreven
staat. De uitvoerende macht ligt bij een gekozen president die maximaal
twee maal een termijn van vijf jaar kan regeren, met daarnaast één
Kamer met 72 zetels die de wetgevende macht bezit.
Economie en samenleving
De Namibische economie is sterk afhankelijk van de Zuid-Afrikaanse economie.
In 1995 was het groeipercentage van het Gross Domestic Product (GDP)
4,1%, waarmee het gemiddelde groeipercentage over de jaren na de onafhankelijkheid
op 4,8% komt. Bepaalde sectoren in de economie zijn gevoelig voor klimatologische
en oceanische condities. De werkgelegenheid was in 1996 gegroeid, maar
was niet voldoende om de groeiende bevolking van werk te voorzien. Momenteel
zijn er 21% tot 30% werklozen. Namibië wordt beschouwd als een land
met een gemiddeld inkomen; het is een van de rijkste landen in Sub-Sahara
Afrika. Tegelijkertijd heeft het land een van de meest ongelijke inkomensverdeling
van de wereld! De armoede treft vooral de mensen in de plattelandsstreken:
71% van de armen leeft op het land, de meesten in het noorden. Een zeer
belangrijke factor bij het armoedevraagstuk is de gezondheidssituatie waarin
vele Namibiërs zich bevinden. Slechte levensomstandigheden en weinig
kennis over een goede hygiëne hebben een sterke relatie met een laag
inkomen.
Door de invloed van het voormalige Zuid-Afrikaanse apartheidsbeleid
leven in Namibië de blanken en gekleurden nog steeds vrij gescheiden.
De etnische groepen zoals die zijn vastgesteld door de voormalige regering,
leven nog steeds voornamelijk in de aan hun toegewezen gebieden. De Ovambo
vormen de grootste groep, ongeveer de helft van de 1,6 miljoen inwoners.
Daarna volgen de Kavango, de Damara, de Herero, de Blanken (onderverdeeld
in Engelsen, Duitsers en Afrikaner), de Nama en de Caprivi. Daarnaast zijn
er nog enkele kleine etnische groepen. De verschillen tussen de blanke
en de gekleurde bevolking zijn vrij groot. Vooral wat betreft bezit, inkomen
en manier van leven is de gekleurde bevolking erg achtergesteld. Al deze
gegevens bepalen de huidige verhoudingen en dit inzicht is nodig om een
goede inschatting te maken voor de kans op etnische conflicten.
Typen factoren
Als we kijken naar de typen factoren zoals Yamskov ze heeft vastgesteld, zien we een groot aantal belangrijke factoren bij de historische achtergronden (oorlogen, onderlinge strijd, overheersing) en culturele verschillen tussen de etnische groepen (tussen de Afrikaanse etnische groepen onderling en tussen de oorspronkelijk Europese en Afrikaanse etnische groepen) die de etnische relaties continu beïnvloeden. Religieuze verschillen zullen weinig problemen opleveren en zijn te verwaarlozen als mogelijke bron van etnisch conflict. Religie zal wellicht zelfs een verzoenende werking hebben. Zaken die de etnische relaties in de loop der tijd hebben gevormd en voor de huidige situatie van belang zijn, zijn allerlei territoriumaspecten (herverdeling van land en thuislanden), wettelijk vastgelegde feiten (apartheidssysteem), de sociale situatie (grote verschillen) en de politieke situatie (vorming van democratie, SWAPO als partij met de absolute meerderheid). De eenheidsideologie heeft een neutraliserende werking. Directe oorzaken voor een etnisch conflict zijn nu niet heel duidelijk aanwezig, maar omdat het vaak om gebeurtenissen gaat, kunnen dergelijke oorzaken ieder moment ontstaan. Een gebeurtenis als directe oorzaak zal waarschijnlijk plaatsvinden op het vlak van de sociaal-economische situatie. De verschillen in taal en cultuur zijn er wèl, maar de bevolking accepteert deze nu en men leeft over het algemeen in vrede naast elkaar. Men is niet geïntegreerd, maar dat lijkt men ook niet nodig te vinden. Iets minder waarschijnlijk als directe oorzaak van een etnisch conflict zijn de demografische ontwikkelingen.
Conflicten
Momenteel is er af en toe een etnisch conflict, maar dit blijft vaak beperkt tot het socio-economische en cultureel-linguïstische niveau. Een socio-economisch conflict zal inhoudelijk vooral gaan over de directe oorzaken. De directe oorzaken zijn ook de initiator tot een eerste etnische conflict. Enkele mogelijke socio-economische conflicten zijn de eis de enorme inkomensverschillen op te heffen, de eis de grote verschillen op de arbeidsmarkt op te heffen en de eis betere landbouwgronden te geven aan groepen die het hard nodig hebben. Deze conflicten dreigen eerder te ontstaan, als de trek naar de stad toeneemt en als de economie niet meer groeit of zelfs krimpt. Omdat er zoveel verschillende talen worden gesproken, is een voor de hand liggende eis, dat men de mogelijkheid heeft om in de eigen taal geschoold te worden, wat kan leiden tot cultureel-linguïstische conflicten. Dit geldt ook wanneer er te weinig mogelijkheden overblijven om de eigen cultuur uit te dragen, bijvoorbeeld omdat een bepaald element maatschappelijk niet meer geaccepteerd wordt. Er is al eerder aangegeven dat de kans dat de grenzen van de huidige Afrikaanse staten veranderen, vrij klein is. Zodoende is een territoriaal conflict niet voor de hand liggend. Veel hangt echter af van hoe de democratie functioneert. Een politiek conflict zal zich in Namibië op dit moment niet zo snel voordoen. Een tweetal factoren spelen daarin een rol. Ten eerste heerst er onder de bevolking erg het idee dat Namibië één natie moet worden. Een tweede factor is meer van praktische aard. Het land is enorm groot en het is schaars aan allerlei bronnen, zoals vruchtbaar land, water en energie. Deze bronnen liggen ver van elkaar verwijderd. Etnische groepen hebben niet de mogelijkheid een eigen staat te creëren, omdat het land opdelen de delen alleen maar armer zou maken. De nieuwe staat zou volledig afhankelijk zijn van andere landen.
Conclusie
In de Namibische samenleving zijn veel factoren aanwezig voor een of meerdere conflicten. De Namibische samenleving moet veranderen en mensen moeten in vrede en vrijheid met elkaar leren leven. Daarmee staat deze samenleving onder zware druk, omdat dit veel van het aanpassings- en verzoeningsvermogen van mensen vergt. Zolang de sociale situatie voor grote delen van de bevolking slecht blijft, de verdeling van kansen, inkomen, werk en mogelijkheden in te grijpen in iemands eigen leven erg scheef blijft, is dit een factor waar serieus rekening mee moet worden gehouden bij het ontstaan van een etnisch conflict. Gelukkig zijn er ook nog allerlei remmingen voor een etnisch conflict. De heersende eenheidsideologie is daarvan waarschijnlijk de grootste remming. Samenvattend betekent dit dat de kans op etnische conflicten duidelijk aanwezig is, maar dat de dreiging ervan niet erg groot is, omdat er voldoende remmingen zijn.
Literatuur
Barth, F. (ed.), Ethnic Groups and Boundaries: The
Social Organization of Difference. Oslo/London: Scandinavian University
Books/ George Allen & Unwin, 1969.
Goor, L. van de, et al, Between Development and Destruction:
An Inquiry into the Causes of Conflict in Post-Colonial States. London/New
York: Macmillan Press Ltd., 1996.
Yamskov, A.N., 'Ethnic conflict in the Transcaucasus:
The case of Nagorno-Karabakh.'
Theory and Society, 1991, no. 20,
p. 631-660.