![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Veldwerk in Noord Kameroen
Lilian van Ommeren
Daar sta je dan als student antropologie met je rugzak, waterfles en matrasje in de bloedhitte in een Afrikaans dorp dat Zaklang heet. Hallo, ik kom hier onderzoek doen. Is er misschien iemand die een hutje voor mij en mijn mede-onderzoekster vrij heeft?
Zo begon voor mij het avontuur van veldwerk doen in de Mindif-Kaélé regio in Noord
Kameroen. Eind september 1996 kreeg ik te horen, dat ik via het CML (Centrum voor
Milieukunde Leiden) in dit gebied een afstudeeronderzoek kon gaan doen, dat onderdeel uit
zou maken van een promotie-onderzoek van een Kameroenese onderzoeker. Het onderwerp
van het onderzoek was: de problemen in kaart brengen, die ontstaan waren door de afname van
de vegetatie onder invloed van menselijk handelen en mogelijke oplossingen te zoeken voor
die afname. Samen met een andere studente culturele antropologie van de universiteit van
Leiden zou ik het antropologische gedeelte van het onderzoek voor mijn rekening nemen.
Behalve wij werkte er, toen wij in Kameroen waren, ook nog een Kameroenese student
biologie aan het onderzoek mee. Ons gedeelte van het onderzoek bestond er voornamelijk uit
gesprekken te houden met mensen om er achter te komen op welke manier de lokale bevolking
het milieu gebruikte en om te achterhalen, of de bevolking de afname van de vegetatie als een
probleem ervoer. Ook hebben wij met de bevolking en met vertegenwoordigers van
verschillende instanties gepraat over mogelijke oplossingen voor problemen.
Het onderzoek van de Kameroenese promovendus besloeg een vrij groot gebied en binnen dit
gebied had hij 30 onderzoeksdorpen uitgekozen. Hij zat nog in de beginfase van zijn
onderzoek en was voornamelijk bezig kwantitatieve gegevens te verzamelen. Ook van ons
wilde hij eigenlijk voornamelijk kwantitatieve gegevens. Daarom was hij van mening dat wij
in de vijf maanden die we hadden voor ons onderzoek, wel zo'n vijf à zes dorpen konden
onderzoeken. Deze mening deelden wij niet helemaal. Na uitgelegd te hebben, dat je als
Nederlandse antropologe in een Kameroenees dorp tijd nodig hebt om te acclimatiseren en te
integreren en dat je de dorpsbewoners ook tijd moet geven om aan jou te wennen, werd
besloten om het onderzoek, in plaats van in zes dorpen, in twee dorpen uit te voeren. Behalve
dat wij dachten meer tijd nodig te hebben om ons aan te passen aan het dorpsleven, zagen wij
het ook niet zitten om alleen maar middels enquêtelijsten kwantitatieve gegevens te
verzamelen. Onze interesse ging meer uit naar het verzamelen van kwalitatieve gegevens door
het doen van participerende observatie, diepte-interviews en groepsdiscussies. Dit bleek het
eerste en zeker niet het laatste verschil in visie op het onderzoek tussen ons en onze
Kameroenese begeleider.
Er werd dus uiteindelijk besloten om het onderzoek uit te voeren in twee verschillende dorpen
die allebei in de onderzoeksregio lagen. De keuze van de twee dorpen was voornamelijk
gebaseerd op de etnische groepen die er woonden. Wij wilden twee dorpen uitzoeken, die qua
etnische samenstelling zo homogeen mogelijk waren, om ook eventueel cultureel bepaalde
verschillen in de manier van omgaan met het milieu te kunnen onderzoeken. Uiteindelijk
kozen wij voor een dorp dat voornamelijk uit Mundang inwoners bestond en voor een dorp
waar vrijwel iedereen tot het Fulbé volk behoorde. De eerste twee maanden van het onderzoek
zouden in het Mundang dorp, Zaklang, plaats vinden. Aan dit dorp bewaar ik de beste
herinneringen en in het navolgende stuk zal ik proberen een korte schets te geven van de twee
maanden die ik in dit dorp doorgebracht heb. Aan het tweede dorp heb ik wat minder goede
herinneringen en ook die zal ik kort weergeven om te laten zien dat veldwerk leuke en wat
minder leuke kanten kan hebben.
Voordat wij naar Zaklang vertrokken, hadden we het dorp al bezocht en gevraagd, of we
toestemming van de Lawan (de chef van het dorp) konden krijgen om in zijn dorp ons
onderzoek uit te voeren. De Lawan bleek dood te zijn, maar zijn oudste zoon nam de honneurs
waar en hij ging vrijwel direct akkoord. Tussen dit bezoek en onze aankomst in het dorp zat
echter ongeveer drie weken en veel vertrouwen dat het briefje was aangekomen, dat wij via-via naar het dorp hadden laten brengen om onze komst aan te kondigen, hadden wij ook niet.
Het briefje was echter wel aangekomen en de dorpelingen waren ons allerminst vergeten. Het
bleek zelfs dat er tegenover andere dorpen was opgeschept, dat wij juist Zaklang als ons
onderzoeksdorp hadden uitgekozen.
Voordat wij eigenlijk goed en wel beseften wat er gebeurde bij onze aankomst in het dorp,
werd onze bagage van ons overgenomen en richting een hutje gebracht, dat gedurende twee
maanden ons thuis zou zijn. Een grote eer voor ons was, dat wij het hutje van de overleden
Lawan mochten gebruiken. Dat wij ook de eer hadden, dat ons 'toilet' direct grensde aan het
graf van de Lawan, was een voorrecht dat ik graag aan mij voorbij had laten gaan. Onze
bagage werd dus richting hut gedragen en als twee makke schapen hobbelden wij er achteraan,
ondertussen pogend de schare kinderen die vochten om onze hand vast te houden, zoveel
mogelijk tevreden te stellen. Maar een mens heeft nu eenmaal maar één paar handen; dus een
aantal kinderen heeft zich vast achtergesteld gevoeld. Bij de hut aangekomen bleek deze op
slot te zitten en van ergens uit het dorp moest de sleutel gehaald worden. Waarom dit slot op
de deur zat, heb ik nooit begrepen. De deur was namelijk van zodanige kwaliteit, dat zelfs een
kind hem zonder veel moeite, met of zonder slot, geopend zou kunnen hebben. Toen de sleutel
eenmaal gearriveerd was, kon met de inrichting van de hut begonnen worden. Dit was zo
gebeurd, omdat wij niet veel bij ons hadden en omdat er in een Afrikaanse hut, zelfs al is het
de hut van een Lawan, nu eenmaal niet veel ruimte is voor allerlei onnodige spullen.
Toen de inrichting achter de rug was, liep het al tegen de avond en werden wij voor de eerste
keer geconfronteerd met een Noord Kameroenese maaltijd. Ik moet zeggen dat dit voor mij
letterlijk en figuurlijk behoorlijk slikken was. De maaltijd bestond uit een zware deegbal,
gemaakt van gemalen gierst met water, geserveerd met een ondefinieerbaar prutje waar
eigenlijk alleen bonen in te herkennen waren. Op dat moment had ik nooit kunnen vermoeden,
dat er nog een tijd zou komen, waarin ik met verlangen naar dit eten uit zou zien, omdat het
mij zo goed smaakte. De eerste keer dat ik dit eten proefde, werden mijn smaakpapillen en
maag zodanig op de proef gesteld, dat ik het eten niet lang binnen kon houden. Dit kwam
waarschijnlijk tevens, doordat wij die middag ook al bloot waren gesteld aan de bijzondere
smaak en samenstelling van bilbil, het lokaal gebrouwen gierst-bier. De eerste smaakindruk
die ik van bilbil kreeg, was een combinatie van een asbak vol met uitgedrukte peuken en
verschaald bier. Ook deze smaak leerde ik in de loop van de tijd steeds meer waarderen.
En zo wenden in de loop van de tijd steeds meer dingen en werden ze onderdeel van ons leven
in Zaklang. We stoorden ons niet meer aan de balkende ezels, kakelende kippen en het erf
vegende buurvrouw om vijf uur 's ochtends. De hitte van zo'n 45 graden Celsius stoorde ons
eigenlijk alleen 's nachts nog, als wij er niet door konden slapen. Ook begrepen wij de typische
manier van dingen uitdrukken steeds beter. Als iemand op een vraag bijvoorbeeld oui non (ja
nee) antwoordde, wisten wij dat hij of zij hiermee een bevestigend antwoord gaf, dat nog
sterker was dan wanneer men alleen maar ja gezegd zou hebben. Wij durfden zelf ook steeds
meer aan te geven, wat we wel en niet verdroegen. Zo vonden wij het eigenlijk vanaf het begin
vervelend, als mensen toekeken, terwijl wij aan het eten waren. Er waren twee momenten op
de dag, tijdens welke wij enige privacy wensten, en die momenten waren, wanneer wij aan het
eten waren en wanneer wij ons aan het einde van de dag met een minimum aan water
probeerden op te frissen. Om die privacy te krijgen was het echter nodig dit aan onze
bezoekers die wij elke avond bij de hut hadden, te melden. Anders zouden ze gewoon blijven
toekijken. In het begin hadden wij er echter moeite mee om mensen weg te sturen, omdat dit
zo onvriendelijk en ongastvrij over zou kunnen komen, terwijl wij door vrijwel iedereen in het
dorp uitermate vriendelijk behandeld werden. Maar eten terwijl er zo'n 15 mensen met
gespannen aandacht elke beweging van je gadeslaan, ontneemt mij behoorlijk de eetlust. Het
bleek echter geen probleem te zijn, toen wij aangaven dit vervelend te vinden. Het bezoek trok
zich zolang de maaltijd duurde terug en verscheen weer op het moment dat wij uitgegeten
waren.
Als wij mensen vroegen ons even alleen te laten voor het eten, vertelden wij ook dat wij
gingen eten en dat wij dat graag in alle rust deden. Wanneer wij ons wilden gaan wassen om te
gaan slapen, zeiden we echter altijd gewoon dat we gingen slapen, zonder nadere specificatie
dat we ons eerst zouden gaan wassen. Hierdoor ontstond er een raar idee over ons, want op een
gegeven moment vernamen wij, dat er een algemeen beeld in het dorp heerste, dat wij ons
gedurende de dagen dat wij in het dorp verbleven, niet zouden wassen. De verklaring die men
hiervoor had bedacht was, dat wij ziek zouden worden, als wij ons met het water uit het dorp
zouden wassen. Dit water kwam namelijk uit een open put en wij dronken dit water niet, maar
namen elke week ons eigen water in jerrycans mee uit de stad. Dit deden wij inderdaad omdat
we bang waren ziek te worden van dit water, als we het zouden drinken, aangezien er in
dorpen in de buurt van ons dorp nog wel eens gevallen van cholera voorkwamen. De
dorpelingen zagen dus nooit, dat wij onszelf wasten, en wij vroegen ze ook nooit om ons
alleen te laten, zodat wij ons konden wassen; we kondigden alleen aan, dat we gingen slapen.
De meest logische verklaring voor de dorpelingen voor het feit, dat wij ons volgens hen dus
niet wasten was, dat wij behalve door het drinken van het water uit de put ziek konden
worden, wij ook ziek zouden kunnen worden, wanneer wij ons met dit water zouden wassen.
Men had er echter ook over nagedacht, waar en wanneer wij ons dan wel wasten en dit moest
wel in het zwembad in de stad zijn. Daar wasten immers alle blanken zich.
Dit soort verkeerde beeldvorming, hetgeen overigens zowel bij de dorpelingen als bij ons
voorkwam, leidde vaak tot hilarische toestanden. Vooral 's avonds, wanneer er alle tijd was
om met de mensen te kletsen die ons kwamen bezoeken, werden dit soort zaken besproken. Zo
weet ik nog dat het gesprek een keer op het, overigens behoorlijk banale, onderwerp van
winden laten kwam. Vooral de kinderen die altijd bij onze hut rondliepen, konden er
behoorlijk wat van en de wat grotere kinderen verweten altijd de kleintjes de daders te zijn. Op
een avond liep het echt de spuigaten uit en wij vroegen of het wat minder kon. Direct werden
er wat kleine kinderen weggestuurd, die waarschijnlijk niks hadden gedaan, en de ouderen
zeiden dat ze het wel begrepen, dat wij hier niet tegen konden, omdat wij blanken natuurlijk
nooit winden lieten. Eerst dachten wij dat men ons een beetje in de maling zat te nemen, maar
het bleek dat men echt dacht, dat wij nooit winden lieten. Dit idee was gebaseerd op het feit,
dat wij in ons eigen land veel beter eten zouden hebben dan de mensen in Afrika en dit betere
eten zorgde ervoor, dat wij geen winden lieten.
Ik vond het echt fascinerend om dit soort dingen te horen. Tijdens de avonden werd er altijd
op een heel informele manier informatie uitgewisseld over allerlei zaken. Ook over minder
banale zaken dan het laten van winden. Vaak werden er allerlei vragen gesteld over het leven
in Europa en wij kregen op onze beurt heel veel informatie over het dorpsleven en allerlei
sociale normen en waarden die er heersten. Veel van deze informatie was goed bruikbaar voor
ons onderzoek en de informatie die niet in ons onderzoek verwerkt werd, was in ieder geval
voor onszelf leuk en interessant om te horen.
Deze prettige manier van met de mensen in het dorp omgaan was mogelijk, omdat wij een heel
goede tolk hadden, die naast onze tolk ook ons maatje was geworden. Doordat wij zo goed
met deze jongen konden opschieten, was hij, ook buiten de tijd dat we met hem werkten, veel
bij ons en kon hij ook 's avonds, als het nodig was, dingen voor ons vertalen. Een andere reden
waarom wij zo makkelijk met de mensen om konden gaan (behalve dat ze gewoon erg aardig
waren) was, dat ze vrijwel allemaal minstens een paar woordjes Frans spraken. Nu was ons
Frans, zeker in het begin, niet uitmuntend, maar met een paar handen en voeten en eventueel
een stuk papier en pen komt men een heel eind. Doordat de sfeer, zowel tijdens als na het
werk, zo goed was, verliep het onderzoek vrij soepel. Mensen werkten graag mee en namen de
tijd om met ons te praten. Onze conclusie was dan ook, dat het doen van veldwerk helemaal
niet zo moeilijk is, als men soms wel eens voorgeeft.
Hoe anders was dat in het tweede dorp waar wij ons onderzoek uitvoerden. In dit dorp sprak
namelijk vrijwel niemand Frans. Daarnaast werkten we met twee tolken waar we niet echt
goed mee op konden schieten; ze verdwenen direct weer richting hun eigen huis, als het werk
erop zat. Hierdoor voelden we ons, zeker in het begin, behoorlijk geïsoleerd. Mensen kwamen
wel, net zoals in Zaklang, 's avonds na hun werk naar ons toe en probeerden met ons te praten,
maar door de taalbarrière was dit vrijwel onmogelijk. Pas nadat wij een van de twee tolken
vervingen door een andere, vrouwelijke, tolk die niet in het dorp woonde en daardoor dag en
nacht bij ons was en dus ten alle tijden voor ons kon vertalen, ging het beter. Maar toch misten
we het meer directe contact dat we in het eerste dorp gewend waren. De mensen waren wel
vriendelijk, maar de min of meer vriendschappelijke manier van met mensen omgaan, zoals
we die in Zaklang gewend waren, ontbrak. Hierdoor voelde het veldwerk ook meer als echt
werk aan en waren we 's avonds vaak blij als het erop zat. Door het ontbreken van de goede
band met onze tolken en de daaraan gekoppelde vriendschap hadden we soms ook onze
twijfels over de betrouwbaarheid van de gegevens die we verzamelden. De tolken in het
tweede dorp ontbeerden ook de gedrevenheid die zo kenmerkend was geweest voor onze
eerste tolk. Ze vonden het al gauw best, zolang ze aan het einde van de week hun geld maar
kregen.
Naast de moeilijke samenwerking met onze tolken waren ook andere omstandigheden in het
tweede dorp niet ideaal. Het regenseizoen begon en al gauw bleek, dat onze hut niet waterdicht
was. Wij moesten dus verhuizen, maar de nieuwe hut was nog kleiner dan de eerste, zodat we
eigenlijk met z'n tweeën een bed moesten delen. Met het begin van het regenseizoen kwam
ook zo'n beetje alles aan insekten wat kroop en vloog tevoorschijn, inclusief schorpioenen die
weliswaar niet dodelijk waren, maar die toch een behoorlijk pijnlijke steek konden toebrengen.
Daarnaast hadden mensen, doordat het regenseizoen begonnen was en er van alles geplant en
gezaaid moest worden, weinig tijd om met ons te praten.
Natuurlijk was deze ervaring in het tweede dorp een teleurstelling na de goede ervaringen die
we in het eerste dorp hadden gehad. Toch denk ik dat het goed is, dat ik beide manieren van
werken heb kunnen ervaren. Anders was ik waarschijnlijk met een vertekend beeld over het
doen van veldwerk naar huis teruggegaan. Dan had ik waarschijnlijk gedacht, dat het altijd zo
soepel zou verlopen en dat mensen die anders beweren, het wellicht gewoon niet goed
aangepakt hebben. Door mijn ervaringen in het tweede dorp ben ik echter weer met beide
benen op de grond terecht gekomen en realiseer ik me nu, dat je de situatie tijdens het doen
van veldwerk redelijk naar je hand kunt zetten door je eigen gedrag, maar dat er ook externe
factoren zijn, waar je geen invloed op uit kunt oefenen, die wel bepalend kunnen zijn voor de
sfeer waarin het werk plaatsvindt en daarmee indirect ook bepalend voor de
onderzoeksresultaten.