Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Interculturele zorgverlening

Ilse Voortman

Inleiding

"Een Turkse man, die net een operatie heeft ondergaan, moet thuis worden verpleegd. De wijkverpleging wordt ingeschakeld en een Nederlandse wijkverpleegkundige komt om de man zijn wond te verbinden en hem vervolgens te wassen. Dit leidt echter tot enorme problemen. De man wil niet door de verpleegkundige geholpen worden. De wijkverpleegkundige op haar beurt weet niet goed, wat ze met de man aan moet. Achteraf blijkt, dat de man niet door een vrouw geholpen wil worden."

De laatste jaren worden Nederlandse zorgverleners steeds vaker geconfronteerd met patiënten die niet alleen een andere taal spreken, maar er ook andere opvattingen, gewoonten en waarden op na houden. Dit verschil in culturele achtergrond tussen de zorgverlener en de patiënt bemoeilijkt vaak een goede zorgverlening, zoals blijkt uit het bovenstaande fragment.
Een sterk groeiende groep migranten in Nederland is de groep van vluchtelingen en asielzoekers. Deze mensen zijn steeds vaker afkomstig uit niet-Westerse landen en de culturele samenstelling van deze groep patiënten is erg divers. Een organisatie waar men in toenemende mate geconfronteerd wordt met deze diverse groep van vluchtelingen, is de Thuiszorg. Wijkverpleegkundigen verlenen steeds vaker zorg aan patiënten die een andere culturele achtergrond hebben dan zijzelf. En deze interculturele zorgverlening verloopt in de meeste gevallen problematisch.
Voor het verlenen van een goede interculturele zorgverlening is het van belang, dat de wijkverpleegkundige en de patiënt inzicht hebben in elkaars opvattingen en verwachtingen met betrekking tot zorgverlening. In mijn onderzoek heb ik gekeken naar het verschil in opvattingen en verwachtingen tussen Nederlandse wijkverpleegkundigen en Iraniërs. Op deze manier hoopte ik de kennis omtrent dit onderwerp te vergroten, zodat dit in de praktijk zou kunnen bijdragen aan een verbetering van het contact tussen Nederlandse wijkverpleegkundigen en Iraanse patiënten.

Probleemstelling

De probleemstelling van het onderzoek was: Welke verwachtingen hebben Nederlandse wijkverpleegkundigen enerzijds en Iraniërs anderzijds van de wijkverpleegkundige zorgverlening? En op welke punten verschillen deze verwachtingen van elkaar?
De onderzochte groep Nederlandse wijkverpleegkundigen bestond uit dertien wijkverpleegkundigen die werkzaam waren binnen de Thuiszorg Zuid-West Overijssel. Het merendeel van deze groep respondenten bestond uit vrouwen. De groep Iraniërs bestond uit twaalf Iraniërs met een achtergrond als vluchteling en die zich inmiddels blijvend in Nederland hebben gevestigd. Deze groep respondenten bestond voor het merendeel uit mannen. Onder verwachtingen worden in het onderzoek verstaan de ideeën die iemand heeft over de ontwikkeling van bepaalde gebeurtenissen, gebaseerd op wat men er al over weet.

Onderzoekstechnieken

Voor het verzamelen van de data is gebruik gemaakt van half-gestructureerde interviews. Bij deze vorm van interviewen liggen de vragen en antwoorden niet van tevoren vast, maar de onderwerpen wel. In een aantal topic-lijsten zijn meerdere beginvragen en onderwerpen geformuleerd.
Voor deze onderzoekstechniek werd gekozen, aangezien het onderzoek kwalitatief van aard was en omdat er nog weinig tot niets over het onderwerp bekend was. Door gebruik te maken van topic-lijsten heb je als interviewer een leidraad om je aan vast te houden tijdens het interview. Maar tegelijkertijd zorgt het voor een zekere flexibiliteit van het interview. Het interview kan alle kanten opgaan. En dit is belangrijk, indien over een onderwerp nog weinig bekend is. Bij de interviews werd beperkt gebruik gemaakt van bandopnamen. Alleen bij de Nederlandse wijkverpleegkundigen werd hiervoor toestemming verkregen. Bij de Iraanse respondenten niet.

Resultaten

In dit onderzoek is gekeken naar de verwachtingen die Nederlandse wijkverpleegkundigen en Iraniërs hebben omtrent de wijkverpleegkundige zorgverlening. Hieronder geef ik de belangrijkste verschillen in deze verwachtingen weer.
De Nederlandse wijkverpleegkundigen verwachten, dat zij de patiënt zowel lichamelijk als geestelijk moeten verzorgen. Daarbij vindt men het toedienen van medicijnen niet altijd noodzakelijk. Dit blijkt uit onderstaand fragment:

"Medicijnen zijn zeer zeker niet altijd nodig voor een goede behandeling. Zij behoren alleen toegediend te worden, indien de patiënt niet zonder kan. Wij dienen ze zelfs liever niet toe. De reden hiervoor is, dat wij uitgaan van het principe dat de mens zelf voldoende weerstand heeft om de ziekte te kunnen bestrijden."

De Iraanse respondenten geven aan, dat zij verwachten dat een verpleegkundige hen alleen lichamelijk verzorgt. Daarbij hoort een patiënt volgens hen altijd medicijnen toegediend te krijgen. Zoals een van de respondenten opmerkt:

"Natuurlijk moet ik, als ik ziek ben, medicijnen voorgeschreven krijgen. Alleen een bezoek aan de dokter is niet voldoende. Hij zegt alleen welke medicijnen jij nodig hebt. Hij maakt jou niet beter. Dat doen de medicijnen. Dus moet jij altijd medicijnen hebben. Ik heb geen geloof in de medicijnen in Nederland, want je krijgt hier alleen maar paracetamol en dat helpt helemaal niet. Bij ons in Iran krijg je direct antibiotica en dan ben je direct van je hoofdpijn af."

Tevens gaan Iraniërs ervan uit, dat zij zelf kunnen kiezen van welke medische voorzieningen en zorgverleners men gebruik wenst te maken.
De Nederlandse wijkverpleegkundigen verwachten vervolgens, dat er tijdens de zorgverlening voldoende afstand aanwezig is tussen henzelf en de patiënt. Zoals een van de respondenten opmerkt: "Afstand tussen jou en de patiënt is van groot belang om een goede functionele relatie op te kunnen bouwen." Daarbij verwacht men tevens, dat er tijdens de zorgverlening ook tijd en aandacht is voor de familie en directe omgeving van de patiënt, zoals blijkt uit onderstaand fragment:

"Ook aan de familie van de patiënt dienen wij als wijkverpleegkundigen aandacht te besteden. Dit behoort gewoon tot ons takenpakket. De patiënt die wij moeten verzorgen, is namelijk niet alleen; de familie eromheen heeft ook met de ziekte te maken. Vaak is het ook zo, dat zij een groot deel van de verzorging op zich nemen. Daarbij is het zo, dat de familie van de patiënt in kwestie vaak een enorme informatiebron is voor ons als verpleegkundigen."

De Iraanse respondenten geven te kennen, dat zij verwachten dat de zorgverlening een persoonlijke tint krijgt. Een veel gehoorde opmerking onder de Iraanse respondenten is, dat "zij graag zien dat de relatie tussen hen en de zorgverlener de vorm aanneemt van een familierelatie." Daarbij geven zij aan, dat zij niet verwachten dat er tijdens de zorgverlening aandacht wordt besteed aan de familie van de patiënt. Immers, zo redeneert men: "Ik ben ziek, dus de verpleegkundige moet zich op mij richten, want ik moet weer snel beter worden. Mijn familie heeft daar niets mee te maken." Ook geven zij aan te verwachten, dat vrouwelijke patiënten altijd geholpen worden door vrouwelijke verpleegkundigen en andere zorgverleners.
Tenslotte verwachten Nederlandse wijkverpleegkundigen, dat hun patiënten actief betrokken zijn bij de uitvoering van de zorg en dat zij een coöperatieve houding hebben, indien hun ziektebeeld dat toelaat. Ook dient een patiënt zijn emoties in de hand te houden. De Iraanse respondenten verwachten van een verpleegkundige, dat zij actief is en kennen de patiënt een passieve rol toe.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt, dat de verwachtingen van Nederlandse wijkverpleegkundigen en de Iraniërs omtrent de wijkverpleegkundige zorgverlening op een aantal punten niet overeenkomen. Wanneer men niet op de hoogte is van de ideeën van de ander, kan dit in veel gevallen leiden tot problemen tijdens de zorgverlening. Door de ideeën en verwachtingen van de ander vooraf te kennen kunnen veel problemen voortijdig voorkomen worden.

Ervaringen

Tenslotte wil ik nog enige ervaringen op papier zetten die betrekking hebben op de uitvoering van mijn onderzoek.
Opvallend was de grote angst voor bandopnames tijdens de afname van de interviews bij de Iraanse respondenten. Geen van hen stemde toe in een opname. Dit betekende dat ik tijdens de interviews veel moest opschrijven. Hier heb ik ook mijn interviewlijsten op moeten aanpassen. Tevens was het zo, dat ik bij het begin van het onderzoek ervan uitging, dat er waarschijnlijk problemen zouden ontstaan vanwege het taalverschil. Maar dit viel alleszins mee. Alle respondenten spraken goed Nederlands en ik heb slechts één keer een interview in het Engels af hoeven te nemen. Alle Iraanse respondenten die ik heb geïnterviewd, waren hoog opgeleid. Aangezien ik dit niet door had gegeven als criterium bij de selectie van mijn respondenten vond ik dit erg opvallend.
Een laatste opmerking betreft de Nederlandse wijkverpleegkundigen. Tijdens de interviews werd duidelijk, dat niemand van de verpleegkundigen, ondanks het feit dat ze dagelijks werden geconfronteerd met vluchtelingen en asielzoekers, ook maar enige vorm van voorlichting hieromtrent heeft ontvangen. Ook begeleiding op dit gebied was niet voorhanden. Dit vond ik op zich een verontrustend gegeven.

vorige naar index volgende