![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Interculturele zorgverlening
Ilse Voortman
Inleiding
"Een Turkse man, die net een operatie heeft ondergaan, moet thuis worden verpleegd. De wijkverpleging wordt ingeschakeld en een Nederlandse wijkverpleegkundige komt om de man zijn wond te verbinden en hem vervolgens te wassen. Dit leidt echter tot enorme problemen. De man wil niet door de verpleegkundige geholpen worden. De wijkverpleegkundige op haar beurt weet niet goed, wat ze met de man aan moet. Achteraf blijkt, dat de man niet door een vrouw geholpen wil worden."
De laatste jaren worden Nederlandse zorgverleners steeds vaker geconfronteerd met patiënten
die niet alleen een andere taal spreken, maar er ook andere opvattingen, gewoonten en
waarden op na houden. Dit verschil in culturele achtergrond tussen de zorgverlener en de
patiënt bemoeilijkt vaak een goede zorgverlening, zoals blijkt uit het bovenstaande
fragment.
Een sterk groeiende groep migranten in Nederland is de groep van vluchtelingen en
asielzoekers. Deze mensen zijn steeds vaker afkomstig uit niet-Westerse landen en de
culturele samenstelling van deze groep patiënten is erg divers. Een organisatie waar men in
toenemende mate geconfronteerd wordt met deze diverse groep van vluchtelingen, is de
Thuiszorg. Wijkverpleegkundigen verlenen steeds vaker zorg aan patiënten die een andere
culturele achtergrond hebben dan zijzelf. En deze interculturele zorgverlening verloopt in de
meeste gevallen problematisch.
Voor het verlenen van een goede interculturele zorgverlening is het van belang, dat de
wijkverpleegkundige en de patiënt inzicht hebben in elkaars opvattingen en verwachtingen
met betrekking tot zorgverlening. In mijn onderzoek heb ik gekeken naar het verschil in
opvattingen en verwachtingen tussen Nederlandse wijkverpleegkundigen en Iraniërs. Op deze
manier hoopte ik de kennis omtrent dit onderwerp te vergroten, zodat dit in de praktijk zou
kunnen bijdragen aan een verbetering van het contact tussen Nederlandse
wijkverpleegkundigen en Iraanse patiënten.
Probleemstelling
De probleemstelling van het onderzoek was: Welke verwachtingen hebben Nederlandse
wijkverpleegkundigen enerzijds en Iraniërs anderzijds van de wijkverpleegkundige
zorgverlening? En op welke punten verschillen deze verwachtingen van elkaar?
De onderzochte groep Nederlandse wijkverpleegkundigen bestond uit dertien
wijkverpleegkundigen die werkzaam waren binnen de Thuiszorg Zuid-West Overijssel. Het
merendeel van deze groep respondenten bestond uit vrouwen. De groep Iraniërs bestond uit
twaalf Iraniërs met een achtergrond als vluchteling en die zich inmiddels blijvend in
Nederland hebben gevestigd. Deze groep respondenten bestond voor het merendeel uit
mannen. Onder verwachtingen worden in het onderzoek verstaan de ideeën die iemand heeft
over de ontwikkeling van bepaalde gebeurtenissen, gebaseerd op wat men er al over weet.
Onderzoekstechnieken
Voor het verzamelen van de data is gebruik gemaakt van half-gestructureerde interviews. Bij
deze vorm van interviewen liggen de vragen en antwoorden niet van tevoren vast, maar de
onderwerpen wel. In een aantal topic-lijsten zijn meerdere beginvragen en onderwerpen
geformuleerd.
Voor deze onderzoekstechniek werd gekozen, aangezien het onderzoek kwalitatief van aard
was en omdat er nog weinig tot niets over het onderwerp bekend was. Door gebruik te maken
van topic-lijsten heb je als interviewer een leidraad om je aan vast te houden tijdens het
interview. Maar tegelijkertijd zorgt het voor een zekere flexibiliteit van het interview. Het
interview kan alle kanten opgaan. En dit is belangrijk, indien over een onderwerp nog weinig
bekend is. Bij de interviews werd beperkt gebruik gemaakt van bandopnamen. Alleen bij de
Nederlandse wijkverpleegkundigen werd hiervoor toestemming verkregen. Bij de Iraanse
respondenten niet.
Resultaten
In dit onderzoek is gekeken naar de verwachtingen die Nederlandse wijkverpleegkundigen en
Iraniërs hebben omtrent de wijkverpleegkundige zorgverlening. Hieronder geef ik de
belangrijkste verschillen in deze verwachtingen weer.
De Nederlandse wijkverpleegkundigen verwachten, dat zij de patiënt zowel lichamelijk als
geestelijk moeten verzorgen. Daarbij vindt men het toedienen van medicijnen niet altijd
noodzakelijk. Dit blijkt uit onderstaand fragment:
"Medicijnen zijn zeer zeker niet altijd nodig voor een goede behandeling. Zij behoren alleen toegediend te worden, indien de patiënt niet zonder kan. Wij dienen ze zelfs liever niet toe. De reden hiervoor is, dat wij uitgaan van het principe dat de mens zelf voldoende weerstand heeft om de ziekte te kunnen bestrijden."
De Iraanse respondenten geven aan, dat zij verwachten dat een verpleegkundige hen alleen lichamelijk verzorgt. Daarbij hoort een patiënt volgens hen altijd medicijnen toegediend te krijgen. Zoals een van de respondenten opmerkt:
"Natuurlijk moet ik, als ik ziek ben, medicijnen voorgeschreven krijgen. Alleen een bezoek aan de dokter is niet voldoende. Hij zegt alleen welke medicijnen jij nodig hebt. Hij maakt jou niet beter. Dat doen de medicijnen. Dus moet jij altijd medicijnen hebben. Ik heb geen geloof in de medicijnen in Nederland, want je krijgt hier alleen maar paracetamol en dat helpt helemaal niet. Bij ons in Iran krijg je direct antibiotica en dan ben je direct van je hoofdpijn af."
Tevens gaan Iraniërs ervan uit, dat zij zelf kunnen kiezen van welke medische voorzieningen
en zorgverleners men gebruik wenst te maken.
De Nederlandse wijkverpleegkundigen verwachten vervolgens, dat er tijdens de zorgverlening
voldoende afstand aanwezig is tussen henzelf en de patiënt. Zoals een van de respondenten
opmerkt: "Afstand tussen jou en de patiënt is van groot belang om een goede functionele
relatie op te kunnen bouwen." Daarbij verwacht men tevens, dat er tijdens de zorgverlening
ook tijd en aandacht is voor de familie en directe omgeving van de patiënt, zoals blijkt uit
onderstaand fragment:
"Ook aan de familie van de patiënt dienen wij als wijkverpleegkundigen aandacht te besteden. Dit behoort gewoon tot ons takenpakket. De patiënt die wij moeten verzorgen, is namelijk niet alleen; de familie eromheen heeft ook met de ziekte te maken. Vaak is het ook zo, dat zij een groot deel van de verzorging op zich nemen. Daarbij is het zo, dat de familie van de patiënt in kwestie vaak een enorme informatiebron is voor ons als verpleegkundigen."
De Iraanse respondenten geven te kennen, dat zij verwachten dat de zorgverlening een
persoonlijke tint krijgt. Een veel gehoorde opmerking onder de Iraanse respondenten is, dat
"zij graag zien dat de relatie tussen hen en de zorgverlener de vorm aanneemt van een
familierelatie." Daarbij geven zij aan, dat zij niet verwachten dat er tijdens de zorgverlening
aandacht wordt besteed aan de familie van de patiënt. Immers, zo redeneert men: "Ik ben ziek,
dus de verpleegkundige moet zich op mij richten, want ik moet weer snel beter worden. Mijn
familie heeft daar niets mee te maken." Ook geven zij aan te verwachten, dat vrouwelijke
patiënten altijd geholpen worden door vrouwelijke verpleegkundigen en andere
zorgverleners.
Tenslotte verwachten Nederlandse wijkverpleegkundigen, dat hun patiënten actief betrokken
zijn bij de uitvoering van de zorg en dat zij een coöperatieve houding hebben, indien hun
ziektebeeld dat toelaat. Ook dient een patiënt zijn emoties in de hand te houden. De Iraanse
respondenten verwachten van een verpleegkundige, dat zij actief is en kennen de patiënt een
passieve rol toe.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt, dat de verwachtingen van Nederlandse
wijkverpleegkundigen en de Iraniërs omtrent de wijkverpleegkundige zorgverlening op een
aantal punten niet overeenkomen. Wanneer men niet op de hoogte is van de ideeën van de
ander, kan dit in veel gevallen leiden tot problemen tijdens de zorgverlening. Door de ideeën
en verwachtingen van de ander vooraf te kennen kunnen veel problemen voortijdig voorkomen
worden.
Ervaringen
Tenslotte wil ik nog enige ervaringen op papier zetten die betrekking hebben op de uitvoering
van mijn onderzoek.
Opvallend was de grote angst voor bandopnames tijdens de afname van de interviews bij de
Iraanse respondenten. Geen van hen stemde toe in een opname. Dit betekende dat ik tijdens de
interviews veel moest opschrijven. Hier heb ik ook mijn interviewlijsten op moeten aanpassen.
Tevens was het zo, dat ik bij het begin van het onderzoek ervan uitging, dat er waarschijnlijk
problemen zouden ontstaan vanwege het taalverschil. Maar dit viel alleszins mee. Alle
respondenten spraken goed Nederlands en ik heb slechts één keer een interview in het Engels
af hoeven te nemen. Alle Iraanse respondenten die ik heb geïnterviewd, waren hoog opgeleid.
Aangezien ik dit niet door had gegeven als criterium bij de selectie van mijn respondenten
vond ik dit erg opvallend.
Een laatste opmerking betreft de Nederlandse wijkverpleegkundigen. Tijdens de interviews
werd duidelijk, dat niemand van de verpleegkundigen, ondanks het feit dat ze dagelijks
werden geconfronteerd met vluchtelingen en asielzoekers, ook maar enige vorm van
voorlichting hieromtrent heeft ontvangen. Ook begeleiding op dit gebied was niet voorhanden.
Dit vond ik op zich een verontrustend gegeven.