Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Knijpen in een natte zeep

Olof van der Gaag

Antropologen

Wie veel reist, kan mooie verhalen vertellen. Op weinigen is dat meer van toepassing dan op antropologen. Vanouds reizen antropologen veel en kunnen ze mooie verhalen vertellen. Een echte antropoloog kiest een land, regio en dorp van de wereldkaart en gaat daar onderzoek doen. Zoals elke natuurwetenschapper stiekem droomt van de Nobelprijs, zo droomt de antropoloog bij afwezigheid van prestigieuze prijzen van een eigen volk om te bestuderen. Een antropoloog is ook maar een mens en dus op zoek naar grootsheid, waardering en erkenning. Een land, regio of dorp dat nog nooit is bestudeerd, draagt daar zeker aan bij.
   Antropologen kiezen voor hun onderzoek meestal een bepaald thema, zoals verwantschap, productiewijze of religieuze betekenisgeving. Vanuit het gezichtspunt van dat thema geeft de antropoloog een beeld van hoe de gehele samenleving er vanuit het gezichtspunt van de samenlevers uitziet.
   Antropologen voelen zich doorgaans niet in het minst gehinderd door maatschappelijke of politieke actualiteit. Terwijl Afrika in brand stond en Tutsi's en Hutu's elkaar op beestachtige wijze afslachtten, leerden mijn studiegenoten en ik over een religieuze beweging in het donker Afrika van de jaren '50. Onderwerp van studie was een dorpje met nog geen 100 inwoners. Daar stonden 600 pagina's aan literatuur tegenover (ruim 6 pagina's per bestudeerde), met vele uren hoorcollege, waar het boek nog eens dunnetjes werd over gedaan. De antropologie is vooral schattig en romantisch: haar oorsprong ligt in de rariteitenkabinetten van de 17e eeuw en een rariteitenkabinet is het gebleven.
   In meer beleidsgerichte studies concluderen antropologen meestal, dat beleidsinstanties schromelijk verzuimd hebben dit of dat perspectief bij hun beleid te betrekken. Daardoor verliezen de beleidsmakers het zicht op de werkelijke belevingswereld van de betrokkenen. Dat leidt onder meer tot een veel te uniform en te weinig gedifferentieerde perceptie van de problematiek, en dus tot hopeloos gestandaardiseerde maatregelen, waar niemand iets aan heeft. De belangrijkste aanbeveling van de antropoloog is dan ook consequent, dat de beleidsmakers eens moeten praten met degenen voor wie ze beleid maken. Dat levert overigens de paradox op, dat wanneer de hele wereld iets meer antropologisch zou denken, de behoefte aan antropologen verder zou verminderen.
   De vraag hoe antropologen aan hun verlichte inzichten komen, is makkelijker gesteld dan beantwoord. Antropologen leven langdurig tussen hun onderzochten en ervaren daardoor aan den lijve hoe het voelt om Kwakiutl, Touareg, Kapsiki of Minankabau te zijn. Hoe dat echt voelt, is een onuitputtelijke bron voor sterke verhalen bij borrels en feestjes. Hoe dat officieel voelt, valt te lezen in de hoogste proeve van antropologische bekwaamheid: de monografie. Dat 'officieel voelen' noemen antropologen het liefst participerende observatie, wat minstens even gewichtig klinkt als nomologisch deductief, longitudinaal cohortonderzoek of gerandomiseerd een-factor experiment. Die participerende observaties worden aangevuld en verrijkt met ongestructureerde diepte-interviews en levensgeschiedenissen.
   Over het algemeen houden antropologen diep van hun onderzochten. Een antropoloog lijkt op een zeeman; aan wal altijd verlangend naar de zee. Of antropologen op zee ook verlangen naar de wal, is minder duidelijk. Dat vertellen ze nooit. De antropoloog wordt geplaagd door een levenslang heimwee naar zijn onderzoekslocatie. Waar die liefde vandaan komt, is misschien eerder voer voor psychologen. Opvallend is dat die heimwee vaak al aanwezig is voor het veldwerk is begonnen. Antropologen lijken gemiddeld een groot onbehagen in hun eigen cultuur te hebben. En andersom geformuleerd heeft de antropologie als meest romantische der wetenschappen een grote aantrekkingskracht voor romantische jongeren op zoek naar een betere wereld. Ik spreek uit ervaring.
   Ondanks mijn typisch antropologische, retorische trucje in de laatste zin ('ik ben er geweest, dus weet waar ik het over heb'), past mijn afstudeeronderzoek niet in de antropologische traditie van professionele reizigers. In de ruimte die mij nog rest in deze Case, probeer ik duidelijk te maken hoe dat zo gekomen is.

Studentbestuurder

Mijn eerste studiejaren verliepen kalmpjes. Ik vond antropologie een mooie en niet al te moeilijke studie. Het onderwijs hoefde nog niet studeerbaar te zijn. Dat betekende vooral dat je weinig colleges en werkgroepen had, laat staan veeleisende opdrachten. Genoeg tijd dus om er wat dingen naast te doen.
   Wat dingen naast mijn studie doen veranderde echter al snel in wat studie naast mijn dingen doen. Wat op mij over kwam als een toevallige speling van het lot, kwam ik in het ene vergaderorgaan na het andere. Zo werd ik onder andere vakgroepsbestuurder en lid van de opleidingscommissie culturele antropologie, lid van de universiteitsraad, vice-voorzitter van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en faculteitsbestuurder. Zonder vooropgezet plan was ik bijna drie jaar full-time studentbestuurder.
   Toch wist ik dat ik ook nog eens af moest studeren. Sterker nog: ik wilde dat ook graag. Antropologie was nog steeds een mooie studie. De behoefte om weer volledig te gaan studeren is in al die jaren nooit verdwenen. De tijd daarvoor helaas wel. Mede om die laatste reden heb ik ervoor gekozen het nuttige met het aangename te verenigen; ik begon het besturen ook wetenschappelijk interessant te vinden. Toen ik nog niet aan besturen deed, wist ik altijd zeker dat ik één afstudeerrichting nooit zou kiezen: de organisatie-antropologie. Nu viel mijn keuze op een afstudeeronderwerp waarin mijn dagelijkse werkzaamheden centraal stonden. Door het bestuurlijke karakter van die werkzaamheden past mijn onderzoek uiteindelijk toch het meest binnen de organisatie-antropologie. Dankzij deze keuze kon ik mijn bestuurswerk voortaan met terugwerkende kracht beschouwen als nuttige participerende observatie en niet alleen als tijdverlies.

Ongebruikelijke methode

Mijn onderzoek is in veel opzichten afwijkend geweest. Het meest tekenend is, dat ik nog geen jaar weet dat ik eigenlijk al vier jaar geleden ben begonnen met mijn afstudeeronderzoek. Vooral door retrospectie heb ik mijn opgedane kennis en ervaring in diverse bestuurscircuits verwerkt tot een onderzoeksverslag. Mijn geheugen kon ik ondersteunen met dagboeken die ik af en toe heb bijgehouden en met dagboeken die collega's hebben bijgehouden. Bovendien beschik ik over een 'interactief dagboek' van mijn LSVb-jaar, in de vorm van 1200 mailtjes die mijn bestuursgenoten en ik elkaar gestuurd hebben. Daarnaast heb ik de vele publicaties en (digitale) discussieplatforms over 'mijn' onderwerp gebruikt als belangrijke bronnen van informatie. In talrijke gesprekken met collega's heb ik geprobeerd mijn ideeën en herinneringen aan te scherpen. Deze methodologische keuze heeft een aantal zeer grote voordelen, maar ook mogelijke nadelen, waar ik kort op in wil gaan.
   Duidelijk is dat ik echt participant ben geweest. Ik heb me ook zeer betrokken gevoeld bij mijn werk. Ik heb minder afstand tot het onderwerp en de mensen dan formeel gebruikelijk is bij wetenschappelijk onderzoek. Mijn onderzoek zal daarom geen aanspraak kunnen, maar ook niet willen maken op Objectiviteit, Representativiteit, Generaliseerbaarheid en Distantie. Het is daarom niet moeilijk om mijn bevindingen te weerspreken en verdacht te maken. Uiteraard zijn criticasters van harte welkom. Bij deze zijn zij uitgenodigd om aan te geven, hoe zij die geboden meer recht hebben gedaan dan ik. Naar mijn mening moeten en kunnen deze geboden niet richtinggevend zijn voor antropologisch onderzoek. Daarom heb ik het aangedurfd om mijn onderzoek te baseren op subjectieve en persoonlijke ervaringen, verkleurd door de tand des tijds.
   Een mogelijk nadeel is, dat ik als onderzoeker in dit stadium veel minder verbazing en verwondering heb dan andere beginnende onderzoekers. Ik ben immers al enkele jaren vertrouwd met de eigenaardigheden van de wereld waarin ik mijn onderzoek heb gedaan. Die verbazing en verwondering heb ik natuurlijk wel gehad, maar dat ligt inmiddels (helaas) grotendeels achter me.
   De nadelen laten echter onverlet dat deze methode grote voordelen heeft. Een intensere blik achter de schermen dan ik heb gehad, is nauwelijks mogelijk. Doordat ik op alle besluitvormingsniveaus daadwerkelijk heb geparticipeerd, heb ik bijna unieke inzichten en ervaringen. Daardoor kan ik dieper komen dan iemand die alleen onderzoeker is, ooit kan. Anderen moeten zich behelpen met (afstandelijke) vragenlijsten en indirecte en gestandaardiseerde technieken. De suggestie van Van de Port om de raakvlakken tussen onderzoeker en onderzochte op te sporen en uit te buiten (1994; 321) heb ik ten volle opgevolgd.
   Mijn stelling is dat de sociale wetenschappen te veel willen lijken op de natuurwetenschappen. Daarmee zadelen de sociale wetenschappen zichzelf onnodig op met de beperkingen die het onderzoeken van de fysieke werkelijkheid met zich mee brengt. Toegang tot de fysieke materie kan waarschijnlijk niet anders dan indirect met behulp van (afstandelijke) meetinstrumenten, alhoewel je zelfs met bomen schijnt te kunnen praten. Mede door de goede maatschappelijke en wetenschappelijke positie van de natuurwetenschappen lijken de sociale wetenschappen te zijn vergeten dat de natuurwetenschappen daarmee ten principale gehandicapt zijn. Ik zou graag zien dat de sociale wetenschappen veel meer gebruik maken van hun mogelijkheden om op een minder afstandelijke manier onderzoek te doen naar de sociale werkelijkheid.
   Een ander voordeel is, dat in mijn onderzoek zelfs niet de verleiding kan bestaan om te doen alsof het wel objectief en generaliseerbaar is. In andere onderzoeken bestaat die verleiding zeer duidelijk wel. In elk onderzoek, zeker bij intensief antropologisch onderzoek, ontstaat bijvoorbeeld een sterke band tussen onderzoekers en onderzochten. Je zou zelfs kunnen spreken van een verliefdheid van de onderzoeker op zijn onderzoeksgroep. Illustratief is, dat studenten geen enkel gebod uit de antropologische methodenlessen zo vaak overtreden als het eerste gebod: 'Wordt niet verliefd in het veld!'. Op dit punt kan ik de lezer geruststellen: ik ben niet verliefd geworden. Desondanks is het in andere onderzoeken makkelijker om de band van de onderzoeker met zijn onderzoeksgroep 'uit het verhaal te schrijven'. Daarmee laten zowel de onderzoekers als de lezers zich bij de neus nemen.
   Misschien wel het grootste voordeel van deze subjectieve en egocentrische methode is, dat dat nog weinig is gedaan. De wetenschap wordt geplaagd door kleurloze uniformiteit en schreeuwt volgens mij om nieuwe benaderingen (niet: nieuwe theorieën en modellen). Nieuwe benaderingen zijn nodig, met een belangrijke plaats voor herkenbare ervaringen en aandacht voor schrijfstijl. Die elementen zijn ook richtinggevend voor mij. Ik wilde eerder herkenbaar en leesbaar zijn dan objectief, eerder provocerend dan gedistantieerd, eerder inspirerend dan representatief, eerder vernieuwend dan generaliseerbaar.

Probleemstelling

Het schrijven van een onderzoeksverslag is een ware Sisyphus-arbeid. Over elke zin die je schrijft, is een eindeloze hoeveelheid vervolgvragen te stellen. Steeds denk je dat het nog twee stappen is naar het einde van je hoofdstuk, maar als je die twee stappen gaat uitwerken, blijkt elke stap eigenlijk uit drie stappen te bestaan. Heb je al die stappen genomen, dan blijken er toch weer twee nieuwe stappen noodzakelijk om tot een bevredigend resultaat te komen. Je denkt de regenboog en de pot goud al te zien, maar dichterbij komen doet het niet.
   Uiteindelijk moet je toch een keer stoppen. Wat er dan ligt, is nooit af en ook zeker nooit naar eigen tevredenheid. Om het geheel echter schrijfbaar en leesbaar te houden moet je je daar bij neerleggen. Ik heb geprobeerd om een zekere breedte in mijn scriptie te houden, niet te veel ingeperkt door een keurslijf van een hypergespecialiseerde probleemstelling. Juist in de integratie en het op elkaar betrekken van verschillende bronnen van kennis en inzicht kunnen nieuwe (wetenschappelijke) ideeën ontstaan. De keerzijde is dat ik mij steeds weer los moest maken van het ene deel, om het andere niet te kort te doen.
   Op die manier heb ik de tekst als een beeldhouwer laagje voor laagje verfijnd en gepolijst. De contouren werden ook mijzelf pas werkenderwijs duidelijker. Beeldhouwen schijnt niet moeilijker te zijn dan het weghalen van het overtollige marmer (Michelangelo). Het basismateriaal van mijn werk bestaat echter niet uit marmer, maar uit ervaringen en herinneringen. In combinatie met literatuurstudie lijkt het eindresultaat daardoor eerder op patchwork dan op beeldhouwwerk.
   Bij het doen van onderzoek hoort het hebben van een probleemstelling. Het zal duidelijk zijn dat ik ook daar niet de gebruikelijke route in heb gevolgd; ik wist immers pas waar ik mijn scriptie (ongeveer) over wilde schrijven, nadat ik al vier jaar bezig bleek te zijn met mijn onderzoek. In het begin wilde ik een schets geven van de vraag, hoe besluitvormingsprocessen in het hoger onderwijs verlopen. Mede als gevolg van mijn ongebruikelijke onderzoeksmethoden werd ik steeds meer gegrepen door de vraag, hoe je dat kunt verantwoorden en hoe je het überhaupt kunt verantwoorden om (wetenschappelijke) uitspraken over de werkelijkheid te doen. Dat bracht mij weer op de vraag of het mogelijk is om uitspraken te doen over algemene kenmerken van de sociale werkelijkheid.
   Van Twist (1994) maakt een vergelijking over de ontwikkeling van een probleemstelling die mij erg aanspreekt. Bij het doen van onderzoek kun je te werk gaan als strandjutter of als horlogezoeker. De strandjutter gaat naar het strand in de hoop iets van waarde te vinden. Hij weet niet precies wat hij zoekt en ook niet precies waar hij het moet zoeken. Hij scharrelt wat rond in de hoop iets van waarde te vinden. De horlogezoeker daarentegen gaat naar het strand om zijn verloren horloge te zoeken. Hij weet precies wat hij zoekt en weet ook dat hij op de plek moet zoeken waar hij zijn horloge verloren kan zijn. Ik voel mij het meest verwant met de strandjutter. Ik wist niet wat ik zocht, maar ik dacht dat ik wel iets tegen zou komen dat de moeite waard zou blijken.
   De belangrijkste vragen waarop ik heb geprobeerd een antwoord te geven dat de moeite waard is, zijn terugkijkend de volgende: wat is kenmerkend voor de sociale werkelijkheid en wat zijn de gevolgen daarvan voor de kenbaarheid van de sociale werkelijkheid? Hoe gaan bestuurders, politici en andere betrokkenen om met hun sociale werkelijkheid in de bestuurlijke wereld van het hoger onderwijs? Onder het volgende en laatste kopje zal ik tenslotte in vogelvlucht iets proberen te zeggen over mijn belangrijkste bevindingen.

Conclusies

Mijn uitgangspunt bij de bestudering van de sociale werkelijkheid is, dat de (sociale) werkelijkheid niet als objectief gegeven bestaat, noch als objectief gegeven kenbaar is. De werkelijkheid is vooral chaotisch, tegenstrijdig en ambigue. De sociale werkelijkheid bestaat uit hybriden van individu, cultuur en structuur. Individuen zijn tegelijkertijd product en producent van de sociale werkelijkheid en van cultuur. De werkelijkheid is een sociale constructie die in een sociale context en in interactie vorm krijgt. Individuen hebben een ongelijke invloed op werkelijkheidsconstructie en betekenisgeving als gevolg van machtsverschillen. De perceptie van de werkelijkheid is sterk bepaald door belangen. Mede door alle tegenstellingen en verschillen horen conflicten tot het wezen van de sociale werkelijkheid. Bij elkaar leidt dat tot een dynamische en voortdurend veranderende werkelijkheid.
   Voor bestuurders is de omgang met chaos, tegenstrijdigheid, ambiguïteit en complexiteit extra problematisch. Zij moeten immers niet alleen voor zichzelf, maar ook voor een hele organisatie of samenleving bepalen 'how to go on'. Zij hebben de deels zelf - en deels door bestuurden of burgers - toebedeelde taak om te zorgen voor een ordentelijke organisatie of samenleving. Bestuurders zijn beroepsordenaars die een steeds onzekerder en chaotischer wereld moeten 'managen'. Hoe proberen zij daar orde in aan te brengen en chaos en complexiteit te reduceren?
   Mijn conclusie is, dat de omgang van bestuurders met een chaotische en ongrijpbare wereld leidt tot een bestuursstijl in het hoger onderwijs, die je kunt samenvatten als hiërarchisch en top-down, gebaseerd op het rationele keuzemodel, gefixeerd op het nemen van besluiten, naar binnen gericht, dichotoom denkend en angstig voor ongeregeldheid en wanorde. Terwijl De Ongekende Samenleving (Van Gunsteren) de bestuurders voortdurend verder ontglipt, reageren de bestuurders vol ongeduld binnen hun bestaande denkkaders. Bestuurders proberen greep te krijgen op een ontglippende werkelijkheid met behulp van (steeds verfijndere) planningsmodellen, verfijning van instrumenten en met nieuwe regelgeving. Dat leidt weer tot een involutie van het besturingssysteem en tot besturingsaccumulatie. Oftewel, het besturingssysteem degenereert met een gelijktijdige toename van het aantal sturingsingrepen. Het feilen van de bestuurders groeit, terwijl het bestuurde systeem bezwijkt aan haar ongeduldige bestuurders.
   De bestuurlijke wereld van het hoger onderwijs in het algemeen en de universiteiten in het bijzonder hebben enkele kenmerken die bijdragen aan een moeilijke bestuurbaarheid. De universiteit bestaat uit specialistische en autonome professionals en is een complexe organisatie met een bureaucratisch karakter. Mede door deze kenmerken is in de bestuurlijke wereld van het hoger onderwijs alle macht relatief en is er geen sprake van een echt machtscentrum. Beleid en beslissingen ontstaan eerder (contingent) in een netwerk dan dat er een aanwijsbaar punt is, waar de beslissingen nu echt genomen worden. Dat vraagt een grote wendbaarheid van beleidsmakers om rechtvaardigingen te vinden voor ontstane besluiten. Kenmerkend voor de universiteit daarbij is haar dynamische en turbulente omgeving.
   Klassieke sturing sluit daar uitzonderlijk slecht bij aan, hoe druk de bestuurders zich ook maken. Het lukt bestuurders niet om greep te krijgen op de werkelijkheid of het deel daarvan dat zij 'onder hun hoede hebben'. In een wanhopige poging toch greep te krijgen volgt regel na regel. Maar dat is als het knijpen in een natte zeep: je hebt hem niet stevig vast, dus je knijpt harder, waardoor de zeep alleen maar verder wegschiet.

Literatuur

Port, M. van de, Het einde van de wereld. Amsterdam: Babylon - De Geus, 1994.
Twist, M. van, Verbale vernieuwing: aantekeningen over de kunst van het besturen. 's Gravenhage: VUGA Uitgeverij BV, 1994.

vorige naar index volgende