![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Knijpen in een natte zeep
Olof van der Gaag
Antropologen
Wie veel reist, kan mooie verhalen vertellen. Op weinigen is dat meer
van toepassing dan op antropologen. Vanouds reizen antropologen veel en
kunnen ze mooie verhalen vertellen. Een echte antropoloog kiest een land,
regio en dorp van de wereldkaart en gaat daar onderzoek doen. Zoals elke
natuurwetenschapper stiekem droomt van de Nobelprijs, zo droomt de antropoloog
bij afwezigheid van prestigieuze prijzen van een eigen volk om te bestuderen.
Een antropoloog is ook maar een mens en dus op zoek naar grootsheid, waardering
en erkenning. Een land, regio of dorp dat nog nooit is bestudeerd, draagt
daar zeker aan bij.
Antropologen kiezen voor hun onderzoek meestal een bepaald
thema, zoals verwantschap, productiewijze of religieuze betekenisgeving.
Vanuit het gezichtspunt van dat thema geeft de antropoloog een beeld van
hoe de gehele samenleving er vanuit het gezichtspunt van de samenlevers
uitziet.
Antropologen voelen zich doorgaans niet in het minst gehinderd
door maatschappelijke of politieke actualiteit. Terwijl Afrika in brand
stond en Tutsi's en Hutu's elkaar op beestachtige wijze afslachtten, leerden
mijn studiegenoten en ik over een religieuze beweging in het donker Afrika
van de jaren '50. Onderwerp van studie was een dorpje met nog geen 100
inwoners. Daar stonden 600 pagina's aan literatuur tegenover (ruim 6 pagina's
per bestudeerde), met vele uren hoorcollege, waar het boek nog eens dunnetjes
werd over gedaan. De antropologie is vooral schattig en romantisch: haar
oorsprong ligt in de rariteitenkabinetten van de 17e eeuw en een rariteitenkabinet
is het gebleven.
In meer beleidsgerichte studies concluderen antropologen
meestal, dat beleidsinstanties schromelijk verzuimd hebben dit of dat perspectief
bij hun beleid te betrekken. Daardoor verliezen de beleidsmakers het zicht
op de werkelijke belevingswereld van de betrokkenen. Dat leidt onder meer
tot een veel te uniform en te weinig gedifferentieerde perceptie van de
problematiek, en dus tot hopeloos gestandaardiseerde maatregelen, waar
niemand iets aan heeft. De belangrijkste aanbeveling van de antropoloog
is dan ook consequent, dat de beleidsmakers eens moeten praten met degenen
voor wie ze beleid maken. Dat levert overigens de paradox op, dat wanneer
de hele wereld iets meer antropologisch zou denken, de behoefte aan antropologen
verder zou verminderen.
De vraag hoe antropologen aan hun verlichte inzichten
komen, is makkelijker gesteld dan beantwoord. Antropologen leven langdurig
tussen hun onderzochten en ervaren daardoor aan den lijve hoe het voelt
om Kwakiutl, Touareg, Kapsiki of Minankabau te zijn. Hoe dat echt voelt,
is een onuitputtelijke bron voor sterke verhalen bij borrels en feestjes.
Hoe dat officieel voelt, valt te lezen in de hoogste proeve van antropologische
bekwaamheid: de monografie. Dat 'officieel voelen' noemen antropologen
het liefst participerende observatie, wat minstens even gewichtig klinkt
als nomologisch deductief, longitudinaal cohortonderzoek of gerandomiseerd
een-factor experiment. Die participerende observaties worden aangevuld
en verrijkt met ongestructureerde diepte-interviews en levensgeschiedenissen.
Over het algemeen houden antropologen diep van hun onderzochten.
Een antropoloog lijkt op een zeeman; aan wal altijd verlangend naar de
zee. Of antropologen op zee ook verlangen naar de wal, is minder duidelijk.
Dat vertellen ze nooit. De antropoloog wordt geplaagd door een levenslang
heimwee naar zijn onderzoekslocatie. Waar die liefde vandaan komt, is misschien
eerder voer voor psychologen. Opvallend is dat die heimwee vaak al aanwezig
is voor het veldwerk is begonnen. Antropologen lijken gemiddeld een groot
onbehagen in hun eigen cultuur te hebben. En andersom geformuleerd heeft
de antropologie als meest romantische der wetenschappen een grote aantrekkingskracht
voor romantische jongeren op zoek naar een betere wereld. Ik spreek uit
ervaring.
Ondanks mijn typisch antropologische, retorische trucje
in de laatste zin ('ik ben er geweest, dus weet waar ik het over heb'),
past mijn afstudeeronderzoek niet in de antropologische traditie van professionele
reizigers. In de ruimte die mij nog rest in deze Case, probeer ik duidelijk
te maken hoe dat zo gekomen is.
Studentbestuurder
Mijn eerste studiejaren verliepen kalmpjes. Ik vond antropologie een
mooie en niet al te moeilijke studie. Het onderwijs hoefde nog niet studeerbaar
te zijn. Dat betekende vooral dat je weinig colleges en werkgroepen had,
laat staan veeleisende opdrachten. Genoeg tijd dus om er wat dingen naast
te doen.
Wat dingen naast mijn studie doen veranderde echter al
snel in wat studie naast mijn dingen doen. Wat op mij over kwam als een
toevallige speling van het lot, kwam ik in het ene vergaderorgaan na het
andere. Zo werd ik onder andere vakgroepsbestuurder en lid van de opleidingscommissie
culturele antropologie, lid van de universiteitsraad, vice-voorzitter van
de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en faculteitsbestuurder. Zonder
vooropgezet plan was ik bijna drie jaar full-time studentbestuurder.
Toch wist ik dat ik ook nog eens af moest studeren. Sterker
nog: ik wilde dat ook graag. Antropologie was nog steeds een mooie studie.
De behoefte om weer volledig te gaan studeren is in al die jaren nooit
verdwenen. De tijd daarvoor helaas wel. Mede om die laatste reden heb ik
ervoor gekozen het nuttige met het aangename te verenigen; ik begon het
besturen ook wetenschappelijk interessant te vinden. Toen ik nog niet aan
besturen deed, wist ik altijd zeker dat ik één afstudeerrichting
nooit zou kiezen: de organisatie-antropologie. Nu viel mijn keuze op een
afstudeeronderwerp waarin mijn dagelijkse werkzaamheden centraal stonden.
Door het bestuurlijke karakter van die werkzaamheden past mijn onderzoek
uiteindelijk toch het meest binnen de organisatie-antropologie. Dankzij
deze keuze kon ik mijn bestuurswerk voortaan met terugwerkende kracht beschouwen
als nuttige participerende observatie en niet alleen als tijdverlies.
Ongebruikelijke methode
Mijn onderzoek is in veel opzichten afwijkend geweest. Het meest tekenend
is, dat ik nog geen jaar weet dat ik eigenlijk al vier jaar geleden ben
begonnen met mijn afstudeeronderzoek. Vooral door retrospectie heb ik mijn
opgedane kennis en ervaring in diverse bestuurscircuits verwerkt tot een
onderzoeksverslag. Mijn geheugen kon ik ondersteunen met dagboeken die
ik af en toe heb bijgehouden en met dagboeken die collega's hebben bijgehouden.
Bovendien beschik ik over een 'interactief dagboek' van mijn LSVb-jaar,
in de vorm van 1200 mailtjes die mijn bestuursgenoten en ik elkaar gestuurd
hebben. Daarnaast heb ik de vele publicaties en (digitale) discussieplatforms
over 'mijn' onderwerp gebruikt als belangrijke bronnen van informatie.
In talrijke gesprekken met collega's heb ik geprobeerd mijn ideeën
en herinneringen aan te scherpen. Deze methodologische keuze heeft een
aantal zeer grote voordelen, maar ook mogelijke nadelen, waar ik kort op
in wil gaan.
Duidelijk is dat ik echt participant ben geweest. Ik heb
me ook zeer betrokken gevoeld bij mijn werk. Ik heb minder afstand tot
het onderwerp en de mensen dan formeel gebruikelijk is bij wetenschappelijk
onderzoek. Mijn onderzoek zal daarom geen aanspraak kunnen, maar ook niet
willen maken op Objectiviteit, Representativiteit, Generaliseerbaarheid
en Distantie. Het is daarom niet moeilijk om mijn bevindingen te weerspreken
en verdacht te maken. Uiteraard zijn criticasters van harte welkom. Bij
deze zijn zij uitgenodigd om aan te geven, hoe zij die geboden meer recht
hebben gedaan dan ik. Naar mijn mening moeten en kunnen deze geboden niet
richtinggevend zijn voor antropologisch onderzoek. Daarom heb ik het aangedurfd
om mijn onderzoek te baseren op subjectieve en persoonlijke ervaringen,
verkleurd door de tand des tijds.
Een mogelijk nadeel is, dat ik als onderzoeker in dit
stadium veel minder verbazing en verwondering heb dan andere beginnende
onderzoekers. Ik ben immers al enkele jaren vertrouwd met de eigenaardigheden
van de wereld waarin ik mijn onderzoek heb gedaan. Die verbazing en verwondering
heb ik natuurlijk wel gehad, maar dat ligt inmiddels (helaas) grotendeels
achter me.
De nadelen laten echter onverlet dat deze methode grote
voordelen heeft. Een intensere blik achter de schermen dan ik heb gehad,
is nauwelijks mogelijk. Doordat ik op alle besluitvormingsniveaus daadwerkelijk
heb geparticipeerd, heb ik bijna unieke inzichten en ervaringen. Daardoor
kan ik dieper komen dan iemand die alleen onderzoeker is, ooit kan. Anderen
moeten zich behelpen met (afstandelijke) vragenlijsten en indirecte en
gestandaardiseerde technieken. De suggestie van Van de Port om de raakvlakken
tussen onderzoeker en onderzochte op te sporen en uit te buiten (1994;
321) heb ik ten volle opgevolgd.
Mijn stelling is dat de sociale wetenschappen te veel
willen lijken op de natuurwetenschappen. Daarmee zadelen de sociale wetenschappen
zichzelf onnodig op met de beperkingen die het onderzoeken van de fysieke
werkelijkheid met zich mee brengt. Toegang tot de fysieke materie kan waarschijnlijk
niet anders dan indirect met behulp van (afstandelijke) meetinstrumenten,
alhoewel je zelfs met bomen schijnt te kunnen praten. Mede door de goede
maatschappelijke en wetenschappelijke positie van de natuurwetenschappen
lijken de sociale wetenschappen te zijn vergeten dat de natuurwetenschappen
daarmee ten principale gehandicapt zijn. Ik zou graag zien dat de sociale
wetenschappen veel meer gebruik maken van hun mogelijkheden om op een minder
afstandelijke manier onderzoek te doen naar de sociale werkelijkheid.
Een ander voordeel is, dat in mijn onderzoek zelfs niet
de verleiding kan bestaan om te doen alsof het wel objectief en generaliseerbaar
is. In andere onderzoeken bestaat die verleiding zeer duidelijk wel. In
elk onderzoek, zeker bij intensief antropologisch onderzoek, ontstaat bijvoorbeeld
een sterke band tussen onderzoekers en onderzochten. Je zou zelfs kunnen
spreken van een verliefdheid van de onderzoeker op zijn onderzoeksgroep.
Illustratief is, dat studenten geen enkel gebod uit de antropologische
methodenlessen zo vaak overtreden als het eerste gebod: 'Wordt niet verliefd
in het veld!'. Op dit punt kan ik de lezer geruststellen: ik ben niet verliefd
geworden. Desondanks is het in andere onderzoeken makkelijker om de band
van de onderzoeker met zijn onderzoeksgroep 'uit het verhaal te schrijven'.
Daarmee laten zowel de onderzoekers als de lezers zich bij de neus nemen.
Misschien wel het grootste voordeel van deze subjectieve
en egocentrische methode is, dat dat nog weinig is gedaan. De wetenschap
wordt geplaagd door kleurloze uniformiteit en schreeuwt volgens mij om
nieuwe benaderingen (niet: nieuwe theorieën en modellen). Nieuwe benaderingen
zijn nodig, met een belangrijke plaats voor herkenbare ervaringen en aandacht
voor schrijfstijl. Die elementen zijn ook richtinggevend voor mij. Ik wilde
eerder herkenbaar en leesbaar zijn dan objectief, eerder provocerend dan
gedistantieerd, eerder inspirerend dan representatief, eerder vernieuwend
dan generaliseerbaar.
Probleemstelling
Het schrijven van een onderzoeksverslag is een ware Sisyphus-arbeid.
Over elke zin die je schrijft, is een eindeloze hoeveelheid vervolgvragen
te stellen. Steeds denk je dat het nog twee stappen is naar het einde van
je hoofdstuk, maar als je die twee stappen gaat uitwerken, blijkt elke
stap eigenlijk uit drie stappen te bestaan. Heb je al die stappen genomen,
dan blijken er toch weer twee nieuwe stappen noodzakelijk om tot een bevredigend
resultaat te komen. Je denkt de regenboog en de pot goud al te zien, maar
dichterbij komen doet het niet.
Uiteindelijk moet je toch een keer stoppen. Wat er dan
ligt, is nooit af en ook zeker nooit naar eigen tevredenheid. Om het geheel
echter schrijfbaar en leesbaar te houden moet je je daar bij neerleggen.
Ik heb geprobeerd om een zekere breedte in mijn scriptie te houden, niet
te veel ingeperkt door een keurslijf van een hypergespecialiseerde probleemstelling.
Juist in de integratie en het op elkaar betrekken van verschillende bronnen
van kennis en inzicht kunnen nieuwe (wetenschappelijke) ideeën ontstaan.
De keerzijde is dat ik mij steeds weer los moest maken van het ene deel,
om het andere niet te kort te doen.
Op die manier heb ik de tekst als een beeldhouwer laagje
voor laagje verfijnd en gepolijst. De contouren werden ook mijzelf pas
werkenderwijs duidelijker. Beeldhouwen schijnt niet moeilijker te zijn
dan het weghalen van het overtollige marmer (Michelangelo). Het basismateriaal
van mijn werk bestaat echter niet uit marmer, maar uit ervaringen en herinneringen.
In combinatie met literatuurstudie lijkt het eindresultaat daardoor eerder
op patchwork dan op beeldhouwwerk.
Bij het doen van onderzoek hoort het hebben van een probleemstelling.
Het zal duidelijk zijn dat ik ook daar niet de gebruikelijke route in heb
gevolgd; ik wist immers pas waar ik mijn scriptie (ongeveer) over wilde
schrijven, nadat ik al vier jaar bezig bleek te zijn met mijn onderzoek.
In het begin wilde ik een schets geven van de vraag, hoe besluitvormingsprocessen
in het hoger onderwijs verlopen. Mede als gevolg van mijn ongebruikelijke
onderzoeksmethoden werd ik steeds meer gegrepen door de vraag, hoe je dat
kunt verantwoorden en hoe je het überhaupt kunt verantwoorden om (wetenschappelijke)
uitspraken over de werkelijkheid te doen. Dat bracht mij weer op de vraag
of het mogelijk is om uitspraken te doen over algemene kenmerken van de
sociale werkelijkheid.
Van Twist (1994) maakt een vergelijking over de ontwikkeling
van een probleemstelling die mij erg aanspreekt. Bij het doen van onderzoek
kun je te werk gaan als strandjutter of als horlogezoeker. De strandjutter
gaat naar het strand in de hoop iets van waarde te vinden. Hij weet niet
precies wat hij zoekt en ook niet precies waar hij het moet zoeken. Hij
scharrelt wat rond in de hoop iets van waarde te vinden. De horlogezoeker
daarentegen gaat naar het strand om zijn verloren horloge te zoeken. Hij
weet precies wat hij zoekt en weet ook dat hij op de plek moet zoeken waar
hij zijn horloge verloren kan zijn. Ik voel mij het meest verwant met de
strandjutter. Ik wist niet wat ik zocht, maar ik dacht dat ik wel iets
tegen zou komen dat de moeite waard zou blijken.
De belangrijkste vragen waarop ik heb geprobeerd een antwoord
te geven dat de moeite waard is, zijn terugkijkend de volgende: wat is
kenmerkend voor de sociale werkelijkheid en wat zijn de gevolgen daarvan
voor de kenbaarheid van de sociale werkelijkheid? Hoe gaan bestuurders,
politici en andere betrokkenen om met hun sociale werkelijkheid in de bestuurlijke
wereld van het hoger onderwijs? Onder het volgende en laatste kopje zal
ik tenslotte in vogelvlucht iets proberen te zeggen over mijn belangrijkste
bevindingen.
Conclusies
Mijn uitgangspunt bij de bestudering van de sociale werkelijkheid is,
dat de (sociale) werkelijkheid niet als objectief gegeven bestaat, noch
als objectief gegeven kenbaar is. De werkelijkheid is vooral chaotisch,
tegenstrijdig en ambigue. De sociale werkelijkheid bestaat uit hybriden
van individu, cultuur en structuur. Individuen zijn tegelijkertijd product
en producent van de sociale werkelijkheid en van cultuur. De werkelijkheid
is een sociale constructie die in een sociale context en in interactie
vorm krijgt. Individuen hebben een ongelijke invloed op werkelijkheidsconstructie
en betekenisgeving als gevolg van machtsverschillen. De perceptie van de
werkelijkheid is sterk bepaald door belangen. Mede door alle tegenstellingen
en verschillen horen conflicten tot het wezen van de sociale werkelijkheid.
Bij elkaar leidt dat tot een dynamische en voortdurend veranderende werkelijkheid.
Voor bestuurders is de omgang met chaos, tegenstrijdigheid,
ambiguïteit en complexiteit extra problematisch. Zij moeten immers
niet alleen voor zichzelf, maar ook voor een hele organisatie of samenleving
bepalen 'how to go on'. Zij hebben de deels zelf - en deels door
bestuurden of burgers - toebedeelde taak om te zorgen voor een ordentelijke
organisatie of samenleving. Bestuurders zijn beroepsordenaars die een steeds
onzekerder en chaotischer wereld moeten 'managen'. Hoe proberen zij daar
orde in aan te brengen en chaos en complexiteit te reduceren?
Mijn conclusie is, dat de omgang van bestuurders met een
chaotische en ongrijpbare wereld leidt tot een bestuursstijl in het hoger
onderwijs, die je kunt samenvatten als hiërarchisch en top-down, gebaseerd
op het rationele keuzemodel, gefixeerd op het nemen van besluiten, naar
binnen gericht, dichotoom denkend en angstig voor ongeregeldheid en wanorde.
Terwijl De Ongekende Samenleving (Van Gunsteren) de bestuurders voortdurend
verder ontglipt, reageren de bestuurders vol ongeduld binnen hun bestaande
denkkaders. Bestuurders proberen greep te krijgen op een ontglippende werkelijkheid
met behulp van (steeds verfijndere) planningsmodellen, verfijning van instrumenten
en met nieuwe regelgeving. Dat leidt weer tot een involutie van het besturingssysteem
en tot besturingsaccumulatie. Oftewel, het besturingssysteem degenereert
met een gelijktijdige toename van het aantal sturingsingrepen. Het feilen
van de bestuurders groeit, terwijl het bestuurde systeem bezwijkt aan haar
ongeduldige bestuurders.
De bestuurlijke wereld van het hoger onderwijs in het
algemeen en de universiteiten in het bijzonder hebben enkele kenmerken
die bijdragen aan een moeilijke bestuurbaarheid. De universiteit bestaat
uit specialistische en autonome professionals en is een complexe organisatie
met een bureaucratisch karakter. Mede door deze kenmerken is in de bestuurlijke
wereld van het hoger onderwijs alle macht relatief en is er geen sprake
van een echt machtscentrum. Beleid en beslissingen ontstaan eerder (contingent)
in een netwerk dan dat er een aanwijsbaar punt is, waar de beslissingen
nu echt genomen worden. Dat vraagt een grote wendbaarheid van beleidsmakers
om rechtvaardigingen te vinden voor ontstane besluiten. Kenmerkend voor
de universiteit daarbij is haar dynamische en turbulente omgeving.
Klassieke sturing sluit daar uitzonderlijk slecht bij
aan, hoe druk de bestuurders zich ook maken. Het lukt bestuurders niet
om greep te krijgen op de werkelijkheid of het deel daarvan dat zij 'onder
hun hoede hebben'. In een wanhopige poging toch greep te krijgen volgt
regel na regel. Maar dat is als het knijpen in een natte zeep: je hebt
hem niet stevig vast, dus je knijpt harder, waardoor de zeep alleen maar
verder wegschiet.
Literatuur
Port, M. van de, Het einde van de wereld. Amsterdam:
Babylon - De Geus, 1994.
Twist, M. van, Verbale vernieuwing: aantekeningen
over de kunst van het besturen. 's Gravenhage: VUGA Uitgeverij BV,
1994.