![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
De kinderen van Bela Studio
Sandra Kempen
Bela Studio
Toen ik in 1994 in Jakarta bezig was met mijn leeronderzoek over wayang
wong theater werd ik uitgenodigd om te kijken naar een voorstelling van
een kindertheatergroep Bela Studio. Het was een fantastische voorstelling;
een groep van ongeveer 15 kinderen en enkele volwassenen speelden de sterren
van de hemel; ze speelden met veel energie, enthousiasme en een openheid
die ik nog nooit gezien had, zeker niet in Indonesië, waar ik in 1991
al een jaar had gewoond. Toen men mij twee jaar daarna bij Bela Studio
wilde ontvangen als onderzoeker bij deze groep, was ik dus blij.
Bela Studio is een kindertheatergroep, dat wil zeggen
dat er een regisseur is, Edi Haryono, die zijn huis gratis openstelt om
er activiteiten voor kinderen te organiseren. Hij woont in een gewoon woonhuis
in een volkswijk in oost Jakarta. Edi was begonnen met het lesgeven aan
kinderen die achterstand hadden opgelopen in het formele onderwijs. Later
is het accent verlegd en nu geeft hij alleen nog muziek- en theaterlessen
die ongeveer één keer per jaar uitmonden in een grote, twee
uur durende voorstelling. In het huis van Edi Haryono wonen naast hemzelf,
zijn vrouw en drie kinderen, een aantal leerlingen van Edi. Deze leerlingen
zijn jongens die naar Jakarta komen om hun bestaan te vinden in de muziek.
Aangezien dat erg moeilijk is zonder de juiste contacten, sluiten deze
jongens zich aan bij een sanggar, een werkstudio, waar zij dagelijks
bezig kunnen zijn met hun muziek. Bela Studio is een sanggar, en
de jongens, gemiddeld zijn er vijf, wonen er gratis. Als tegenprestatie
werken zij mee aan de activiteiten van Bela Studio.
Mijn interesse ging uit naar de kinderen. Ik wilde graag
weten wat deze kinderen leren van Edi. Na het zien van de voorstelling
in 1994 had ik namelijk het idee dat dat wel eens heel anders zou zijn
als wat zij thuis leren van hun ouders of op school. Mijn plan was dus
om te gaan kijken, wat de kinderen (die tijdens dit onderzoek 10 tot 16
jaar waren) bij Edi leren en dat te vergelijken met wat de kinderen thuis
en op school leren. Het accent wilde ik daarbij leggen op de waardenoverdracht.
Toen ik echter in september 1996 begon met mijn onderzoek, bleek Bela Studio
met een probleem te kampen te hebben. De kinderen die ik in 1994 met zoveel
enthousiasme had zien spelen, wilden niet meer komen repeteren. Dit was
overigens niet altijd het geval. Als er kinderen een liedje moesten zingen
voor de televisie, dan wilden er nog wel een paar komen en als er een optreden
was, dan waren er ook wel een paar kinderen. Edi bleef echter wel elke
avond repeteren, vaak met slechts één of twee kinderen en
dat ene kind was vaak zijn eigen zoontje. Er was dus een probleem en mijn
onderzoek liep enigszins vast, want ik kreeg geen goed beeld van de manier
van lesgeven van Edi Haryono. Daarom heb ik besloten om het onderwerp van
mijn onderzoek te verleggen en te gaan onderzoeken, waarom de kinderen
niet meer wilden komen repeteren.
Onderzoeksmethoden
Mijn onderzoek berust voor het grootste deel op participerende observatie.
Ik heb als leerling van Edi meegespeeld tijdens de repetities en heb ook
een rol gekregen in de voorstelling die in juni 1997 is opgevoerd in Jakarta.
Door zelf mee te spelen kreeg ik eenvoudiger contact met de kinderen en,
wat belangrijker was, ik ervoer zelf hoe het was om van Edi les te krijgen.
Ik kon zo een betere analyse maken van zijn lesmethode dan wanneer ik alleen
observeerde. Daarnaast heb ik geïnterviewd, zowel Edi, de kinderen,
de medewerkers, de ouders van de kinderen als een aantal onderwijzers.
Om Edi's wijze van lesgeven beter te kunnen analyseren
heb ik ook gebruik gemaakt van videoregistratie. Na analyse heb ik deze
registratie terug vertoond aan de informanten. Zo heb ik Edi kunnen vragen
naar zijn methoden, terwijl ik ter plekke voorbeelden kon geven aan de
hand van de videobeelden. Ook een leerling van Edi heb ik de video laten
zien en hem commentaar laten geven. Deze wijze van onderzoek is zeer informatief
en ook voor de informanten zeer inspirerend. Dirk Nijland schrijft er zijn
promotieonderzoek over en heeft er ook in zijn colleges 'etnocinematografie'
zeer helder uitleg over gegeven (Nijland, 1989).
Waar blijven de kinderen?
Edi Haryono heeft dus te maken met een probleem. Alhoewel hij dagelijks
lesgeeft, komen de kinderen zelden uit zichzelf om te repeteren. Bijna
iedere avond rond zeven uur, als de repetitie begint, wordt een van de
medewerkers de wijk in gestuurd om de kinderen op te halen. Vaak komt deze
zonder kinderen terug. De kinderen geven als reden op om niet gaan repeteren:
hun huiswerk is nog niet af, ze hebben geen zin of ze zijn te moe. Edi
accepteert het en geeft vervolgens een muziekles aan zijn oudste zoontje
of aan Agus, het enige kind dat nog wel regelmatig komt repeteren.
Begin november 1996 noemt Edi het voor de eerste keer
een probleem, dat er geen kinderen komen repeteren. Hij spreekt erover
met zijn medewerkers. Zij luisteren zwijgend naar Edi. Er worden echter
geen stappen ondernomen om het probleem op te lossen. Als ik als onderzoeker
vraag hoe ze dat dan willen aanpakken, blijk ik een verkeerde vraag te
hebben gesteld. Er wordt niets aangepakt. De houding die men heeft, is
gelaten. "De kinderen komen niet meer en dat is vervelend, maar wij doen
hier goed werk, dus Allah zal ons belonen en het probleem zal zichzelf
oplossen." Er wordt dus niets gedaan. Edi wil niet actief naar nieuwe kinderen
zoeken. Hij zegt dat de oude groep kinderen nieuwe kinderen mee moet nemen;
zo kunnen nieuwe kinderen kijken hoe men werkt. De nieuwe kinderen kunnen
dan in een organisch proces in de bestaande groep opgaan. Echter, de kinderen
die vorige jaren meededen, komen bijna niet meer en zij nemen dus ook geen
vriendjes mee naar Bela Studio.
Toch gaat Edi vol goede moed in januari 1997 beginnen
aan een nieuwe, grote voorstelling. Hij heeft al wat ideeën en spreekt
hierover met zijn medewerkers. Als Edi een aantal kinderen op een dag direct
vraagt of zij in een volgende voorstelling mee willen doen, zeggen allen:
'Ja, wij doen mee!' Echter, als half mei, twee weken voor de voorstelling
'Ojek Payung' (de parapluventer) drie kinderen hun rollen kennen en de
overige kinderen nog steeds niet gerepeteerd hebben, wordt men toch wat
nerveus. Hieronder volgt een impressie van de twee weken voor de voorstelling.
De focus is op een gezin waarvan drie kinderen soms meedoen met Bela Studio
en waarvan één kind een vrij grote rol heeft gekregen. Hij
heeft echter nog niet gerepeteerd.
Vier dagen voor de voorstelling zijn er twee kinderen om te repeteren, Agus en Ica, die hun scènes nu wel kennen. Deze twee kinderen worden door Edi de wijk ingestuurd om de andere elf kinderen over te halen om te komen repeteren. Ze komen aangeslagen terug; de kinderen willen niet. Dan gaat Edi zelf de wijk in om de kinderen te spreken en over te halen. Een viertal kinderen is verzameld in het huis van Ibu (moeder) Ruby. Ze kijken alle vier erg serieus als Edi komt, en geven te kennen dat ze echt niet mee willen. Ook Edi gaat zonder kinderen terug naar huis. Daar aangekomen stuurt hij Agus en Ica nog een keer weg. Zij moeten het nog één keer proberen. Ica zegt, als ze zonder kinderen terugkomen, dat sommige ouders niet willen dat hun kinderen meespelen. Edi gaat daarop de wijk in om met de ouders van de kinderen te praten. Lachend komt Edi even later terug; alle kinderen mogen van hun ouders meedoen.
De twee volgende dagen wordt er gerepeteerd in het TIM, waar de voorstelling plaats gaat vinden. Geen van de kinderen van Ibu Ruby is bij de repetities aanwezig. Als de laatste dag de generale repetitie wordt gehouden, zijn zowel Yanti als Nyonyo aanwezig. Nyonyo heeft een tamelijk grote rol gekregen, maar kent zijn tekst nog niet uit zijn hoofd. Agus die bijna alle rollen uit zijn hoofd kent, souffleert Nyonyo. Als op 1 juni de eerste voorstelling wordt gespeeld, zijn Yanti en Nyonyo aanwezig en dat zijn ze ook tijdens de andere drie voorstellingen. Pingkan is er niet bij.
De invloed van het gebrek aan motivatie op het werkproces is groot. Toch is er ook dit jaar weer een oplossing gekomen, die de voorstelling gered heeft. Ongeveer een maand voor de voorstelling heeft Budi, een oud-medewerker, zijn pas opgerichte kindertheatergroep aangeboden om alle achtergrondrollen te spelen. Op het podium staan naast de tien kinderen van Bela Studio, die uiteindelijk meespelen, nog dertig kinderen van Udik Studio, een kindertheatergroep uit West Jakarta.
Onderzoeksbevindingen
Bij de analyse van het probleem heb ik een splitsing gemaakt tussen
twee factoren. Eerst zijn daar de externe factoren die van buitenaf
van invloed zijn op de motivatie van de kinderen. Dat zijn de ouders, de
thuissituatie en school, het formele onderwijs. Door het maken van interviews
en het doen van observaties heb ik geprobeerd een beeld te krijgen van
wat ouders belangrijk vinden in de opvoeding van hun kinderen. Daarnaast
heb ik ook van onderwijzers van het basisonderwijs een beeld gekregen van
wat zij de kinderen willen leren. Dat heb ik gezet naast dat wat Edi Haryono
de kinderen wil leren. Daaruit kan de conclusie getrokken worden, dat er
veel fundamentele verschillen zijn. Zo vindt Edi het formele onderwijs
dat de kinderen krijgen van zeer lage kwaliteit; de kinderen leren meer
van zíjn lessen, aldus Edi. Ouders en ook onderwijzers vinden dat
de school het belangrijkste is in het leven van de kinderen en, als de
kinderen later wat wilen bereiken, zullen ze goed hun best moeten doen
op school. Verder vinden ouders het belangrijk dat kinderen goede cijfers
halen op school, terwijl Edi het accent legt op het vergaren van kennis.
Het laatste punt dat ik hier wil noemen, is dat het voor ouders erg belangrijk
is, dat hun kinderen een goed contact met de buurt hebben. Dus is het belangrijk
veel tijd socialiserend (kletsend) door te brengen. De mening van de buurt
is ook belangrijk en men doet zijn best om respect te krijgen van de buurt.
Edi vindt de mening van de buren niet belangrijk en zegt dat eenieder zijn
tijd nuttig moet besteden door hard te werken en men respect verdient,
als men leeft volgens de regels die God gegeven heeft.
Ouders en onderwijzers hebben dus een ander idee over
wat belangrijk is voor kinderen dan Edi Haryono. Opgemerkt moet worden,
dat de ouders en zeker de onderwijzers niet weten wat de kinderen van Edi
leren. Sommige ouders zien het resultaat; echter, weinig ouders kijken
naar de voorstellingen van Bela Studio. Er is dus geen sprake van een directe
tegenwerking door ouders of onderwijzers; er is eerder sprake van onverschilligheid.
Behalve onverschilligheid over het repeteren is er ook onverschiligheid
over de voorstelling die de kinderen opvoeren. Of, zoals een moeder het
zei: "Ik heb geen idee wat mijn kinderen daar leren. Het zal wel goed zijn.
Ik heb liever dat ze daar zitten dan dat ze op straat rondzwerven en rottigheid
uithalen."
Voor de kinderen zelf is het lastig dat zij van Edi andere
dingen horen dan thuis. Dat maakt dat Edi voor hen nogal onvoorspelbaar
is; hij wordt boos om dingen waar hun ouders nooit boos om zouden worden
en hij lacht om dingen die hun ouders zouden afkeuren.
Dit alles is mijns inziens geen reden dat de kinderen
niet meer komen repeteren. Als zij het namelijk erg naar hun zin hebben,
dan accepteren zij dit soort dingen. Daarom moeten wij gaan kijken naar
de interne factoren die maken dat de kinderen nauwelijks meer te
motiveren zijn om te repeteren. Hoe is de relatie tussen Edi en de kinderen
en hoe zijn de lessen van Edi?
Als wij kijken naar wat Edi wil en wat de kinderen willen,
zien wij een aantal duidelijke verschillen. De kinderen kwamen voorheen
naar Bela Studio, omdat het er leuk was en omdat er veel kinderen waren.
Edi wil graag dat de kinderen komen om iets van hem te leren. Edi eist
verder dat kinderen zich 100% inzetten; ze moeten serieus werken. De kinderen
willen zich inzetten, mits zij het naar hun zin hebben. En Edi eist dat
kinderen consequent zijn; zij moeten leren hun woord te houden. De kinderen
beloven vaak iets dat zij niet nakomen, omdat ze niet de confrontatie aan
durven gaan door in het openbaar iemand af te vallen en dus gezichtverlies
te laten lijden.
Schechner (1985) maakt een analyse van de workshop-methode zoals die
gemaakt is door Boal (1974) en onder andere in de Fillipijnen en in Thailand
wordt gebruikt door respectievelijk de PETA (Van Erven, 1989) en Maya theatergroep
(Hurenkamp, 1995). Een van de dingen die Schechner noemt, is het belang
van het plezier hebben bij het werken aan een theatervoorstelling. Edi's
bezwaar is echter, dat men te vaak alleen plezier wil en verder niets.
Edi trekt het erg ver door en vergeet het belang van plezier maken. Wat
door Schechner ook genoemd wordt, is dat het in een workshop veilig moet
zijn voor de deelnemers. Pas als een situatie veilig is, kunnen mensen
zich openstellen. Zeker als het gaat om sociaal getint theater waarbij
maatschappelijke onderwerpen aan de orde komen, moeten mensen erop kunnen
vertrouwen dat er met respect wordt omgegaan met hun verhalen, hun inbreng.
Edi Haryono is niet veilig voor kinderen. Hij is vaak
onvoorspelbaar; hij wordt boos om dingen waar ouders nooit boos om worden
en andersom kan hij lachen om dingen die ouders zouden afkeuren. En Edi
kan vreselijk boos worden. Edi zegt dat hij dat methodisch gebruikt om
het energieniveau omhoog te halen. Als het energiepeil zakt en de kinderen
zitten te suffen, dan speelt hij dat hij boos wordt om de kinderen wakker
te schudden. Het effect echter is, dat kinderen schrikken en zich minder
veilig voelen, onzeker. Als gevolg daarvan kunnen zij emotioneel worden.
De kinderen hebben verteld, dat zij niet graag hun emoties uiten; dus vinden
zij dat een vervelende situatie. Daarbij zitten veel kinderen in de puberteitsfase,
een levensfase die hen onzeker maakt. Kinderen willen zich niet nog onzekerder
voelen dan ze al doen en zullen onzekere situaties dus het liefst vermijden.
Tot slot wil ik stilstaan bij de inhoud van de theatervoorstelling
die Bela Studio opvoert. Alle voorstellingen gaan over het dagelijks leven
van kinderen in een grote stad, de sociale problemen die zij tegenkomen
en wat de invloed is van de politiek op het leven van kinderen. De boodschap
is, dat volwassenen beter na moeten denken over wat zij doen, want de gevolgen
zijn voor de kinderen. De boodschap is dus voor volwassenen en niet voor
kinderen. Als Edi zegt verhalen te vertellen van de kinderen, dan zijn
dat verhalen die hem toevallig ter ore komen, bijvoorbeeld van een jongen
die paraplu's verhuurt als het regent. Edi heeft nooit aan de kinderen
gevraagd, wat hen bezighoudt en wat zij voor theater zouden willen maken.
Edi denkt te weten wat kinderen bezighoudt, maar hij vraagt het hun niet.
Als wij kijken naar het werk van Boal of de workshops
die PETA in de Fillipijnen houdt, dan is het grootste verschil met het
werk van Bela Studio, dat bij Boal en PETA de verhalen van mensen het uitgangspunt
vormen. Binnen de pre-workshop-fase wordt een algemeen beeld gevormd van
de samenleving en in de workshop-fase vertellen mensen elkaar verhalen,
waar vanuit wordt gewerkt. Zelfs als men weinig feeling heeft met een bepaalde
leeftijdsgroep, is het inleven niet moeilijk, als men de eigen verhalen
als basis neemt. Het feit dat kinderen zelf niet aangeven, dat ze de verhalen
die zij spelen minder interessant vinden, is geen goed argument; zij weten
niet, dat het ook anders kan.
Ten slotte
Uit deze bevindingen kan de conclusie getrokken worden, dat de combinatie
van de onverschilligheid van de externe factoren (de ouders en onderwijzers)
en de niet aantrekkelijke interne factoren (Edi's lesmethode en stijl van
lesgeven) maakt, dat de kinderen minder gemotiveerd zijn om te komen repeteren.
Gezien de aard van dit onderzoek is het accent komen te
liggen bij de negatieve aspecten van Bela Studio. Dat geeft een te eenzijdig
beeld van de werkelijkheid. Edi's intenties zijn goed. Hij wil een bewustwordingsproces
bij de kinderen op gang brengen, een emancipatieproces. Edi wil bestaande
culturele patronen veranderen en dat is niet altijd eenvoudig.
Literatuur
Boal, A., Theatre of the oppressed, New York: Urizen,
1974.
Erven, Eugène van, 'Peta coördineert theatertraining
bij onderwijs aan volwassenen: een case study.' In: Kees Epskamp &
Rogier van 't Rood, Populaire cultuur op de planken: Theater, communicatie
en Derde wereld, Den Haag: Ceso, 1989, pp. 71-80.
Hurenkamp, Marinde, 'Theatre and social commitment: Children's
theatre in Thailand.' In: Leo Dubbeldam (ed.), Values and value education,
Den Haag: Ceso, 1995, pp. 93-108.
Nijland, Dirk, Schaduw en Werkelijkheid, Universiteit
Leiden, 1989.
Schechner, R., Between theatre and anthropology,
Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 1985.