![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Huisvesting voor de laagst
betaalden op
St. Maarten, Nederlandse Antillen
Bertholdus Sibum
Elke keer als ik mij van het logeeradres naar de wijk begaf, waar ik mijn afstudeeronderzoek deed, werd ik geconfronteerd met de twee uiterste woonvormen op St. Maarten. Het logeeradres was een fantastische villa met zwembad en uitzicht over de baai met in de verte de naastgelegen eilanden, 'a million dollars view', een foto uit een modern life-style tijdschrift. Het onderzoeksgebied was een krottenwijk in Cay Bay of shanty-towns zoals deze wijken op St. Maarten worden genoemd, met onverharde wegen en uitzicht op de fabriek van de energiemaatschappij waar 24 uur per dag met veel lawaai de generatoren draaien. In de krottenwijk wonen migranten en illegalen van verschillende nationaliteiten om op St. Maarten te werken. Mijn onderzoek was gericht op de levensomstandigheden van de Haïtianen die in deze wijk wonen. Van de zaken die de levensomstandigheden van mensen bepalen, is huisvesting een van de belangrijkste en dikwijls het uitgangspunt voor het verbeteren van de andere levensomstandigheden zoals gezondheid en onderwijs. In deze case wil ik alleen het facet huisvesting bespreken.
Huisvesting in het Caribisch gebied
In het Caribisch gebied heerst een migratiecultuur en mede daarop is
de traditionele, verplaatsbare huizenbouw gebaseerd. De oorsprong van het
eenvoudige, gemakkelijk te transporteren huis was, dat de mensen het huis
mee konden nemen van het ene gebied naar het andere. Ook omdat zij geen
recht hadden op het land waarop zij woonden, en zij geen zekerheid hadden
op eigendomsrecht (Hudson in Potter & Conway, 1997: 23). Het huis stond
op stukken rots of houten palen boven de grond om mogelijk ongedierte en
andere schadelijke dieren zover mogelijk weg te houden, voor de ventilatie
en op sommige plaatsen als preventie bij overstromingen. De huizen stonden
meestal op plaatsen waar de grond niet voor plantagedoeleinden geschikt
was. Een typisch onderdeel van een Caribisch huis is de grote of kleine
veranda, een gesloten gebied tussen de buitendeuren en het interieur van
het huis zelf. Een ander, nog in oudere bouw te herkennen, typisch verschijnsel
is (zijn) de op het erf aanwezige buitenruimte(n). De keuken in de tuin
speelt een essentiële rol in het sociale en economische leven van
de mensen. In de hedendaagse architectuur is daar nog weinig van te vinden.
Hedendaagse bouwwerken van betonblokken en met ijzer gewapende balken,
betonnen of gegalvaniseerde daken zijn vanuit het oogpunt van hygiëne
een aanzienlijke verbetering van de inheemse woningen. De kosten en de
duurzaamheid van de moderne gebouwen zijn echter een minpunt. De afhankelijkheid
van technologie, vooral westerse, is enorm. Hoe lossen de verschillende
overheden in het Caribische gebied het woningprobleem op of welke pogingen
zijn in het verleden ondernomen?
De overheid heeft een leidende rol in de realisatie van
woningbouw en volgens Potter & Conway (1997: 2) dient de overheid vier
rollen te vervullen: a) als 'voorziener' van publieke of sociale goederen
en diensten, b) als 'voorschrift-maker/wetgever en voorziener' van de operatie
op de markt, c) als 'sociaal ingenieur' in de zin van het interveniëren
in de markt om zijn eigen sociale doelen te halen, d) als 'arbiter' tussen
de strijdende groepen of klassen. Omdat de minder bedeelden geen toegang
krijgen tot de legale huizenmarkt en/of landaankoop, hebben zij een self-help
strategie ontwikkeld. Zij hebben meer toegang tot de groeiende verhuurmarkt
en tot het ongecontroleerde bouwen van huizen op slecht te ontwikkelen
stukken grond met goedkope inlandse -, of afvalmaterialen. In sommige staten
heeft de overheid aanvullende en/of drastische woningbouwvoorzieningen
getroffen om het probleem van adequaat onderdak voor de armen uit de rurale
en urbane gebieden op te lossen. Het oplossen van de huisvesting is echter
een deel van het sociaal probleem. Lost de staat alleen het woningprobleem
op, dan zullen in de nieuwe woonwijken in korte tijd dezelfde problemen
ontstaan als nu in de krottenwijken aanwezig zijn. Overheden denken zelden
aan de potentiële waarde die de inheemse tradities van self-help
huizenbouw heeft, in de pogingen om economische oplossingen te vinden voor
het huisvestingsprobleem, vooral voor die van de armen in de samenleving,
waaronder vele migranten en illegalen.
De overheden van de verschillende Caribische eilanden
hebben op diverse manieren oplossingen voor de huisvesting gevonden. In
St. Vincent en de Grenadines, Dominica, St. Lucia en Grenada is een huizensysteem
dat gebaseerd is op het uit elkaar nemen en in elkaar zetten van houten
huizen. Verder zijn er op de eilanden huizenbureaus waarvan wordt verwacht
dat zij zelf-financierend zijn. Zij werken op basis van het dekken van
de kosten door middel van aankoop van land voor de volgende huizen door
de opbrengst van de huidige huizen. De meeste huizen worden gebouwd van
beton en steen. De huizenbureaus ontvangen geen fondsen van de overheid
en zij subsidiëren geen lage inkomensgroepen. Op Barbados mochten
vanaf 1840 de arbeiders hun eigen huis ('chattel') bouwen op een aangewezen
plaats in ruil voor hun exclusieve werk tegen vastgestelde lonen. Het huis
was wel eigendom, maar niet de grond waarop het stond. Dit was een onzekere
factor; vandaar dat het huis in het algemeen een uitneembaar huis was om
eventueel mee te nemen naar de plaats waar een nieuwe werkgever wachtte
(Watson & Potter in Potter & Conway, 1997: 34). Het 'chattel-systeem'
is een goed voorbeeld van een aangepast ontwerp voor self-help huizenbouw,
met zijn beperkingen wat betreft de latere aanpassingen. Tegenwoordig is
de betonnen huizenbouw in Barbados het domein van de private sector voor
zowel de grootschalige ontwikkelaars, de gematigde aannemers als wel de
kleinschalige individuele bouwers. Voor de lage inkomensgroepen is het
nog steeds vooral de overheid die voor woningen zorgt. Op Jamaica vertelden
de politici rond 1950 de arme mensen dat de manier om 'hun eigen leven
te controleren' was, het bezetten van verlaten en ongebruikte stukken land
waar niemand zich zorgen om maakte, om er vervolgens te gaan wonen. Dezelfde
politici vertellen nu aan dezelfde mensen in de krottenwijken dat het immoreel,
onwettig, anti-sociaal en zelfs crimineel is om land te bezetten om er
te gaan wonen. Waar de mensen dan moeten wonen, daar laten politici zich
niet over uit. De situatie in Jamaica is zo slecht, dat self-help
huizenbouw geen optie meer is, maar een noodzakelijkheid (Eyre in Potter
& Conway, 1997: 78). In Cuba bevorderde de regering de oprichting van
microbrigades die niet alleen door self-help in combinatie met de
staat voorzagen in betaalbare huizen, maar ook voor de gemeenschappelijke
voorzieningen als kinderzorgcentra, scholen, poliklinieken, kantoren en
ziekenhuizen voor de buurtdokter en zusters. Cuba laat zien dat self-help
huizenbouw in beton en steen een grote impact kan hebben in het oplossen
van het huizenprobleem, als er een grote politieke prioriteit aan wordt
gegeven. In de Franse Caribische eilanden worden vooral betonnen wooneenheden
gebouwd als flats of blokken om de druk op de gevraagde wooneenheden te
verminderen. Armen kunnen geen huizen kopen of een huis huren; zij hebben
geen andere keus dan zelf te bouwen. Er is een algemene relatie tussen
slechte behuizing, werkloosheid en lage inkomens.
Woningbouw op St. Maarten
De situatie is op St. Maarten niet verschillend van de andere Caribische
eilanden. Volgens de Census 1992 (CBS, 1993: 36) staan er op St. Maarten
12.163 woningen; daarvan is meer dan de helft ongemeubileerd verhuurd en
bij 18% is men eigenaar van de grond. Veel verhuurde woningen zijn van
privé personen en behoren niet tot de woningvoorraad van de overheid.
De overheid heeft zich jarenlang ver buiten alle woningbouwprogramma's
gehouden en veel aan het particuliere initiatief overgelaten.
Het eerste te achterhalen plan van het Eilandsbestuur
voor een woningbouwprogramma dateert uit 1981: 'Comprehensive Development
plan for St. Maarten, Task 3: Public Housing Programmes' en is opgesteld
door Alan Turner and Associates. Het plan bevat een aantal voorwaarden
waaraan zal moeten worden voldaan om financiering over een periode van
tien jaar mogelijk te maken. Elk jaar zouden dan 280 stukken grond van
ongeveer 250 m2 ter beschikking moeten
komen, wat neerkomt op een landaankoop van 10 ha per jaar. In 1981 viel
80% van de huishoudens (4800) in de lage en midden inkomensgroep en 20%
(1200) in de hoge inkomensgroep. Als 65% van de bevolking als doelgroep
wordt gezien en iedereen binnen tien jaar van een huis zou moeten worden
voorzien, zouden er volgens Turner 250-350 woningen per jaar moeten worden
gerealiseerd. Door gebrek aan een institutioneel framework en de lage capaciteit
van de woningindustrie was het niet mogelijk het plan uit te voeren.
In 1989 is het Ebenezer huizenproject (280 stuks) gerealiseerd,
waarbij de koper van het huis een aanzienlijke subsidie ontving. De huizen
zijn vooral verkocht aan mensen die de financiële middelen daarvoor
hadden. De groep mensen met lage inkomens is in dit project totaal gepasseerd.
Uit een proces blijkt dat het project nooit op financiële of technische
haalbaarheid is onderzocht en de huizen nooit openbaar zijn aanbesteed
om de laagste prijs te krijgen. De overheid van St. Maarten heeft ruim
zes miljoen US-dollars moeten toeleggen op de bouw van deze woningen. De
orkaan Luis heeft in 1995 het grootste gedeelte van de Ebenezer huizen
totaal vernietigd, want de woningen waren constructief niet op orkanen
berekend.
Na de orkaan Luis op 4 en 5 september 1995 hadden bijna
alle huizen wel een of andere schade opgelopen en daarvan had ongeveer
46% schade aan het dak. Ongeveer 37% van de huizen op verschillende plaatsen
op het eiland was volledig vernietigd. Er was daarbij geen verschil te
ontdekken tussen arme en rijke getroffenen (Eilandsraad, 1995: 8). De ramp
die het eiland trof, dwong de overheid tot een integrale aanpak van het
probleem. Het bleek bijvoorbeeld, dat 76% van de huiseigenaren niet was
verzekerd tegen een dergelijke ramp. Er werd snel een aktieplan voor woningen
gemaakt, dat de volgende items omvatte: a) oprichting van een St. Maarten
Housing Development Foundation (SMHDF) om de publieke woningbouwprojecten
te coördineren, b) een start maken met het aankopen van land, c) een
prijs- en kwaliteitscontrole op bouwmaterialen en op arbeid, d) verhoging
van de bouwinspectiecapaciteit, e) werkgelegenheid verschaffen aan hen
die hun baan verloren, en f) het implementeren van een huizenreparatieprogramma,
een basis woningprogramma en een bouwprogramma.
Op het eiland zijn na 1995 op verschillende locaties 200
'emergency homes' gebouwd. Deze huizen bestaan uit twee grote geprefabriceerde
betonelementen die tegen elkaar worden gezet en op deze wijze een tweeslaapkamerwoning
vormen. De huur van deze huizen is gesteld op NAF 350 per maand. De ongedocumenteerde
immigranten (illegalen) die na de orkaan Luis waren ondergebracht in het
'container village' en die de containers moesten verlaten, omdat deze werden
terugverscheept naar Europa, kwamen niet in aanmerking voor deze goedkope
en betaalbare 'emergency homes'.
Het grootste woningbouwproject op St. Maarten is nu het
Belvédère en bestaat uit de bouw van 474 huurhuizen van verschillende
grootte, 36 huizen voor ouderen en 203 koopwoningen. De 474 huizen waarvan
315 tot de sociale woningbouw worden gerekend, hebben een betaalbare rente
door een Nederlandse subsidie van NAF 20.000,- per woning en een NAF 15.000
zachte lening tegen 2,5% met een achtjarige uitstelperiode per huis. De
huizen worden verhuurd door de St. Maarten Housing Development Foundation
(SMHDF), de gemiddelde huuropbrengst per woning per maand is NAF 831,20
en volgens de begroting van 1998 houdt de SMHDF (1998) er rekening mee,
dat de huur van veel huizen wordt betaald uit een subsidie van de overheid
(huursubsidie). De begroting is voorzien van een Beoordelingsverklaring
van Deloitte & Touch, maar er is niet vermeld of inderdaad in de begroting
van de overheid de huursubsidie wordt gegarandeerd. Uitgaande van een gezin
met twee kinderen en een vastgesteld minimumloon van netto NAF 1100, wordt
door de banken als betaalbare huurprijs uitgegaan van 30% van NAF 1100,
zijnde NAF 330. Laagst betaalden kunnen op basis van dit uitgangspunt de
woningen met een gemiddelde huurprijs van NAF 831,20 niet betalen. De eerste
woningen van de 474 zijn in november 1998 opgeleverd.
Illegale bouw
De illegale bouw van woningen op St. Maarten gebeurt op stukken grond
van voornamelijk lokale (autochtone) grondeigenaren. De overheid heeft
de plicht de grondeigenaren op de illegale bouw aan te spreken. De grondeigenaren
zorgen niet voor infrastructurele voorzieningen zoals een ordelijke indeling,
verharde wegen, voorzieningen voor water, electriciteit en riolering en
huizen die aan de minimum eisen voldoen. Er is nu een plan gelanceerd om
150 woningen te vervangen in de krottenwijken met een gemiddelde huuropbrengst
per woning per maand van NAF 385 (SMHDF, 1998: 9). Deze huur per maand
komt dichter in de buurt van de eerder besproken NAF 330, zijnde 30% van
het netto minimum vastgesteld loon van NAF 1100 per maand. Landeigenaren
die geen voldoende financiële mogelijkheid hebben om hun eigendom
te ontwikkelen, worden nu door de overheid benaderd hun land voor een periode
van 25 tot 30 jaar aan de overheid te leasen. Komt het tot een overeenkomst,
dan zal de overheid de infrastructuur aanleggen en huizen voor de lage
inkomens bouwen. Als de lease periode is beëindigd, wordt het land
weer teruggegeven aan de eigenaar samen met de huizen en infrastructuur.
De opbrengst van de huur wordt weer aangewend om nieuwe huizen te bouwen.
In Cay Bay bijvoorbeeld, het onderzoeksgebied, is de gemiddelde
huur die de 50 Haïtiaanse ondervraagden per maand betalen US$ 1197,4
(NAF 355). Bijna driekwart woont in een eenkamer-ruimte, ongeacht de grootte
van het huishouden. De bedden in de kamer zijn meestal door middel van
een gordijn afgesloten van de rest van de ruimte en staan op verhogingen.
Op deze wijze wordt de ruimte onder de bedden intensiever gebruikt. De
scheidingswanden tussen de verhuurde kamers zijn erg dun en niet geïsoleerd.
Met brandscheidingswanden en andere veiligheidsmaatregelen is door de verhuurder
totaal geen rekening gehouden. De meeste huurders vinden de huurprijzen
voor het geleverde te hoog.
Wijzigen overheidsbeleid
Het Belvédère project is een uitstekend voorbeeld van de Westerse manier van hoe stedenbouw wordt toegepast, welke volgens Nas (1990: 157) leidt tot 'centra van geestdodende uniformiteit'. De architecten en stedenbouwers bepalen voor een belangrijk deel de ontwerpen, die zijn gebaseerd op hun eigen maatschappijopvattingen. De concentratie van bepaalde 'woningklassen' krijgt de vorm van raciale segregatie, wat op zich natuurlijk niet gewenst is. De huizen in het Belvédère project zijn geen Antilliaanse huizen en, gezien de gesprekken met en opmerkingen van verschillende bewoners van het eiland en de reeds opgedane ervaringen met het Ebenezer project, vragen velen zich af hoe het over vijf jaar in de wijk zal zijn. Over 1 jaar staan daar ruim 474 woningen en over 2 jaar 677 woningen met gemiddeld twee kinderen per huis. In het stedenbouwkundige plan is een school gepland, maar er is nog geen uitzicht op realisatie. Veel kinderen moeten thuis gehaald en gebracht worden. Er is geen winkelcentrum in de buurt en met de verkeersbelasting van de smalle toegangsweg over de berg is in de plannen van de overheid geen enkele rekening gehouden. Een totale planning en afstemming ontbreekt en een vastgestelde langere-termijnvisie is bij navraag bij verschillende overheidsdiensten onbekend. De overheid is al jaren bezig de gehele structuur van het eiland te ontwerpen, maar heeft deze nog niet goedgekeurd en vastgesteld. Structuurplannen worden nu per te ontwikkelen gebied ontworpen en door de Eilandsraad goedgekeurd en vastgesteld. Dit in tegenstelling tot St. Martin, waar de resultaten nu zichtbaar zijn; de Franse kant is namelijk veel meer gestructureerd en komt geordend over. Het verbeteren van de huisvesting is niet alleen het neerhalen van de krottenwijken en daarvoor nieuwbouw plegen. De 'sociale kanker' verplaatst zich dan naar de nieuwe wijken, een gevaar dat op St. Maarten zeker telt voor het Belvédère project.
Conclusie
Samenvattend kan ik stellen dat de overheid van St. Maarten in de realisatie van woningbouw een belangrijke rol kan of eigenlijk zou moeten spelen (Potter & Conway, 1997: 2). Op de verschillende eilanden hebben de overheden, naar gelang de lokale mogelijkheden en historische achtergronden, geprobeerd op hún wijze de woningbouw te bevorderen. Wat de overheid van St. Maarten uit al de verschillende toepassingen van woningbouwsystemen kan leren is ten eerste, dat er een politieke wil aanwezig moet zijn om de problemen op te lossen, en ten tweede, dat de eilandbewoners een integraal deel zouden moeten uitmaken van de realisatie. Vooral voor de groep bewoners in de krottenwijken, de laagst betaalden, telt dat niet vóór de mensen moet worden gebouwd maar vanuit de mensen.
Literatuur
Central Bureau of Statistics - CBS, Third Population
and Housing Census Netherlands Antilles 1992. Willemstad: Centraal
Bureau of Statistics, 1993.
Eilandsraad St. Maarten, Social & Community Priorities.
Philipsburg: Workgroup Social & Community Priorities, 1995.
Nas, Peter J.M., De stad in de derde wereld: Een inleiding
tot de urbane antropologie en sociologie. Muiderberg: Dick Coutinho,
1990.
Potter, Robert B. & Dennis Conway (eds.), Self-Help
Housing, the Poor and the State in the Caribbean. Knoxville: The University
Tennessee Press, 1997.
St. Maarten Housing Development Foundation (SMHDF), Begroting
1998 (op kasbasis) en Financiële Meerjarenbegroting 1998-2002 (op
kasbasis). Philipsburg: St. Maarten Housing Development Foundation,
1998.
Turner, Alan, Comprehensive development Plan for St.
Maarten. Task 3: Public Housing Programmes: An Approach to New Policies.
London, England: Alan Turner and Associates, Planning and Development Consultants,
1981.