Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Huisvesting voor de laagst betaalden op
St. Maarten, Nederlandse Antillen

Bertholdus Sibum

Elke keer als ik mij van het logeeradres naar de wijk begaf, waar ik mijn afstudeeronderzoek deed, werd ik geconfronteerd met de twee uiterste woonvormen op St. Maarten. Het logeeradres was een fantastische villa met zwembad en uitzicht over de baai met in de verte de naastgelegen eilanden, 'a million dollars view', een foto uit een modern life-style tijdschrift. Het onderzoeksgebied was een krottenwijk in Cay Bay of shanty-towns zoals deze wijken op St. Maarten worden genoemd, met onverharde wegen en uitzicht op de fabriek van de energiemaatschappij waar 24 uur per dag met veel lawaai de generatoren draaien. In de krottenwijk wonen migranten en illegalen van verschillende nationaliteiten om op St. Maarten te werken. Mijn onderzoek was gericht op de levensomstandigheden van de Haïtianen die in deze wijk wonen. Van de zaken die de levensomstandigheden van mensen bepalen, is huisvesting een van de belangrijkste en dikwijls het uitgangspunt voor het verbeteren van de andere levensomstandigheden zoals gezondheid en onderwijs. In deze case wil ik alleen het facet huisvesting bespreken.

Huisvesting in het Caribisch gebied

In het Caribisch gebied heerst een migratiecultuur en mede daarop is de traditionele, verplaatsbare huizenbouw gebaseerd. De oorsprong van het eenvoudige, gemakkelijk te transporteren huis was, dat de mensen het huis mee konden nemen van het ene gebied naar het andere. Ook omdat zij geen recht hadden op het land waarop zij woonden, en zij geen zekerheid hadden op eigendomsrecht (Hudson in Potter & Conway, 1997: 23). Het huis stond op stukken rots of houten palen boven de grond om mogelijk ongedierte en andere schadelijke dieren zover mogelijk weg te houden, voor de ventilatie en op sommige plaatsen als preventie bij overstromingen. De huizen stonden meestal op plaatsen waar de grond niet voor plantagedoeleinden geschikt was. Een typisch onderdeel van een Caribisch huis is de grote of kleine veranda, een gesloten gebied tussen de buitendeuren en het interieur van het huis zelf. Een ander, nog in oudere bouw te herkennen, typisch verschijnsel is (zijn) de op het erf aanwezige buitenruimte(n). De keuken in de tuin speelt een essentiële rol in het sociale en economische leven van de mensen. In de hedendaagse architectuur is daar nog weinig van te vinden. Hedendaagse bouwwerken van betonblokken en met ijzer gewapende balken, betonnen of gegalvaniseerde daken zijn vanuit het oogpunt van hygiëne een aanzienlijke verbetering van de inheemse woningen. De kosten en de duurzaamheid van de moderne gebouwen zijn echter een minpunt. De afhankelijkheid van technologie, vooral westerse, is enorm. Hoe lossen de verschillende overheden in het Caribische gebied het woningprobleem op of welke pogingen zijn in het verleden ondernomen?
   De overheid heeft een leidende rol in de realisatie van woningbouw en volgens Potter & Conway (1997: 2) dient de overheid vier rollen te vervullen: a) als 'voorziener' van publieke of sociale goederen en diensten, b) als 'voorschrift-maker/wetgever en voorziener' van de operatie op de markt, c) als 'sociaal ingenieur' in de zin van het interveniëren in de markt om zijn eigen sociale doelen te halen, d) als 'arbiter' tussen de strijdende groepen of klassen. Omdat de minder bedeelden geen toegang krijgen tot de legale huizenmarkt en/of landaankoop, hebben zij een self-help strategie ontwikkeld. Zij hebben meer toegang tot de groeiende verhuurmarkt en tot het ongecontroleerde bouwen van huizen op slecht te ontwikkelen stukken grond met goedkope inlandse -, of afvalmaterialen. In sommige staten heeft de overheid aanvullende en/of drastische woningbouwvoorzieningen getroffen om het probleem van adequaat onderdak voor de armen uit de rurale en urbane gebieden op te lossen. Het oplossen van de huisvesting is echter een deel van het sociaal probleem. Lost de staat alleen het woningprobleem op, dan zullen in de nieuwe woonwijken in korte tijd dezelfde problemen ontstaan als nu in de krottenwijken aanwezig zijn. Overheden denken zelden aan de potentiële waarde die de inheemse tradities van self-help huizenbouw heeft, in de pogingen om economische oplossingen te vinden voor het huisvestingsprobleem, vooral voor die van de armen in de samenleving, waaronder vele migranten en illegalen.
   De overheden van de verschillende Caribische eilanden hebben op diverse manieren oplossingen voor de huisvesting gevonden. In St. Vincent en de Grenadines, Dominica, St. Lucia en Grenada is een huizensysteem dat gebaseerd is op het uit elkaar nemen en in elkaar zetten van houten huizen. Verder zijn er op de eilanden huizenbureaus waarvan wordt verwacht dat zij zelf-financierend zijn. Zij werken op basis van het dekken van de kosten door middel van aankoop van land voor de volgende huizen door de opbrengst van de huidige huizen. De meeste huizen worden gebouwd van beton en steen. De huizenbureaus ontvangen geen fondsen van de overheid en zij subsidiëren geen lage inkomensgroepen. Op Barbados mochten vanaf 1840 de arbeiders hun eigen huis ('chattel') bouwen op een aangewezen plaats in ruil voor hun exclusieve werk tegen vastgestelde lonen. Het huis was wel eigendom, maar niet de grond waarop het stond. Dit was een onzekere factor; vandaar dat het huis in het algemeen een uitneembaar huis was om eventueel mee te nemen naar de plaats waar een nieuwe werkgever wachtte (Watson & Potter in Potter & Conway, 1997: 34). Het 'chattel-systeem' is een goed voorbeeld van een aangepast ontwerp voor self-help huizenbouw, met zijn beperkingen wat betreft de latere aanpassingen. Tegenwoordig is de betonnen huizenbouw in Barbados het domein van de private sector voor zowel de grootschalige ontwikkelaars, de gematigde aannemers als wel de kleinschalige individuele bouwers. Voor de lage inkomensgroepen is het nog steeds vooral de overheid die voor woningen zorgt. Op Jamaica vertelden de politici rond 1950 de arme mensen dat de manier om 'hun eigen leven te controleren' was, het bezetten van verlaten en ongebruikte stukken land waar niemand zich zorgen om maakte, om er vervolgens te gaan wonen. Dezelfde politici vertellen nu aan dezelfde mensen in de krottenwijken dat het immoreel, onwettig, anti-sociaal en zelfs crimineel is om land te bezetten om er te gaan wonen. Waar de mensen dan moeten wonen, daar laten politici zich niet over uit. De situatie in Jamaica is zo slecht, dat self-help huizenbouw geen optie meer is, maar een noodzakelijkheid (Eyre in Potter & Conway, 1997: 78). In Cuba bevorderde de regering de oprichting van microbrigades die niet alleen door self-help in combinatie met de staat voorzagen in betaalbare huizen, maar ook voor de gemeenschappelijke voorzieningen als kinderzorgcentra, scholen, poliklinieken, kantoren en ziekenhuizen voor de buurtdokter en zusters. Cuba laat zien dat self-help huizenbouw in beton en steen een grote impact kan hebben in het oplossen van het huizenprobleem, als er een grote politieke prioriteit aan wordt gegeven. In de Franse Caribische eilanden worden vooral betonnen wooneenheden gebouwd als flats of blokken om de druk op de gevraagde wooneenheden te verminderen. Armen kunnen geen huizen kopen of een huis huren; zij hebben geen andere keus dan zelf te bouwen. Er is een algemene relatie tussen slechte behuizing, werkloosheid en lage inkomens.

Woningbouw op St. Maarten

De situatie is op St. Maarten niet verschillend van de andere Caribische eilanden. Volgens de Census 1992 (CBS, 1993: 36) staan er op St. Maarten 12.163 woningen; daarvan is meer dan de helft ongemeubileerd verhuurd en bij 18% is men eigenaar van de grond. Veel verhuurde woningen zijn van privé personen en behoren niet tot de woningvoorraad van de overheid. De overheid heeft zich jarenlang ver buiten alle woningbouwprogramma's gehouden en veel aan het particuliere initiatief overgelaten.
   Het eerste te achterhalen plan van het Eilandsbestuur voor een woningbouwprogramma dateert uit 1981: 'Comprehensive Development plan for St. Maarten, Task 3: Public Housing Programmes' en is opgesteld door Alan Turner and Associates. Het plan bevat een aantal voorwaarden waaraan zal moeten worden voldaan om financiering over een periode van tien jaar mogelijk te maken. Elk jaar zouden dan 280 stukken grond van ongeveer 250 m2 ter beschikking moeten komen, wat neerkomt op een landaankoop van 10 ha per jaar. In 1981 viel 80% van de huishoudens (4800) in de lage en midden inkomensgroep en 20% (1200) in de hoge inkomensgroep. Als 65% van de bevolking als doelgroep wordt gezien en iedereen binnen tien jaar van een huis zou moeten worden voorzien, zouden er volgens Turner 250-350 woningen per jaar moeten worden gerealiseerd. Door gebrek aan een institutioneel framework en de lage capaciteit van de woningindustrie was het niet mogelijk het plan uit te voeren.
   In 1989 is het Ebenezer huizenproject (280 stuks) gerealiseerd, waarbij de koper van het huis een aanzienlijke subsidie ontving. De huizen zijn vooral verkocht aan mensen die de financiële middelen daarvoor hadden. De groep mensen met lage inkomens is in dit project totaal gepasseerd. Uit een proces blijkt dat het project nooit op financiële of technische haalbaarheid is onderzocht en de huizen nooit openbaar zijn aanbesteed om de laagste prijs te krijgen. De overheid van St. Maarten heeft ruim zes miljoen US-dollars moeten toeleggen op de bouw van deze woningen. De orkaan Luis heeft in 1995 het grootste gedeelte van de Ebenezer huizen totaal vernietigd, want de woningen waren constructief niet op orkanen berekend.
   Na de orkaan Luis op 4 en 5 september 1995 hadden bijna alle huizen wel een of andere schade opgelopen en daarvan had ongeveer 46% schade aan het dak. Ongeveer 37% van de huizen op verschillende plaatsen op het eiland was volledig vernietigd. Er was daarbij geen verschil te ontdekken tussen arme en rijke getroffenen (Eilandsraad, 1995: 8). De ramp die het eiland trof, dwong de overheid tot een integrale aanpak van het probleem. Het bleek bijvoorbeeld, dat 76% van de huiseigenaren niet was verzekerd tegen een dergelijke ramp. Er werd snel een aktieplan voor woningen gemaakt, dat de volgende items omvatte: a) oprichting van een St. Maarten Housing Development Foundation (SMHDF) om de publieke woningbouwprojecten te coördineren, b) een start maken met het aankopen van land, c) een prijs- en kwaliteitscontrole op bouwmaterialen en op arbeid, d) verhoging van de bouwinspectiecapaciteit, e) werkgelegenheid verschaffen aan hen die hun baan verloren, en f) het implementeren van een huizenreparatieprogramma, een basis woningprogramma en een bouwprogramma.
   Op het eiland zijn na 1995 op verschillende locaties 200 'emergency homes' gebouwd. Deze huizen bestaan uit twee grote geprefabriceerde betonelementen die tegen elkaar worden gezet en op deze wijze een tweeslaapkamerwoning vormen. De huur van deze huizen is gesteld op NAF 350 per maand. De ongedocumenteerde immigranten (illegalen) die na de orkaan Luis waren ondergebracht in het 'container village' en die de containers moesten verlaten, omdat deze werden terugverscheept naar Europa, kwamen niet in aanmerking voor deze goedkope en betaalbare 'emergency homes'.
   Het grootste woningbouwproject op St. Maarten is nu het Belvédère en bestaat uit de bouw van 474 huurhuizen van verschillende grootte, 36 huizen voor ouderen en 203 koopwoningen. De 474 huizen waarvan 315 tot de sociale woningbouw worden gerekend, hebben een betaalbare rente door een Nederlandse subsidie van NAF 20.000,- per woning en een NAF 15.000 zachte lening tegen 2,5% met een achtjarige uitstelperiode per huis. De huizen worden verhuurd door de St. Maarten Housing Development Foundation (SMHDF), de gemiddelde huuropbrengst per woning per maand is NAF 831,20 en volgens de begroting van 1998 houdt de SMHDF (1998) er rekening mee, dat de huur van veel huizen wordt betaald uit een subsidie van de overheid (huursubsidie). De begroting is voorzien van een Beoordelingsverklaring van Deloitte & Touch, maar er is niet vermeld of inderdaad in de begroting van de overheid de huursubsidie wordt gegarandeerd. Uitgaande van een gezin met twee kinderen en een vastgesteld minimumloon van netto NAF 1100, wordt door de banken als betaalbare huurprijs uitgegaan van 30% van NAF 1100, zijnde NAF 330. Laagst betaalden kunnen op basis van dit uitgangspunt de woningen met een gemiddelde huurprijs van NAF 831,20 niet betalen. De eerste woningen van de 474 zijn in november 1998 opgeleverd.

Illegale bouw

De illegale bouw van woningen op St. Maarten gebeurt op stukken grond van voornamelijk lokale (autochtone) grondeigenaren. De overheid heeft de plicht de grondeigenaren op de illegale bouw aan te spreken. De grondeigenaren zorgen niet voor infrastructurele voorzieningen zoals een ordelijke indeling, verharde wegen, voorzieningen voor water, electriciteit en riolering en huizen die aan de minimum eisen voldoen. Er is nu een plan gelanceerd om 150 woningen te vervangen in de krottenwijken met een gemiddelde huuropbrengst per woning per maand van NAF 385 (SMHDF, 1998: 9). Deze huur per maand komt dichter in de buurt van de eerder besproken NAF 330, zijnde 30% van het netto minimum vastgesteld loon van NAF 1100 per maand. Landeigenaren die geen voldoende financiële mogelijkheid hebben om hun eigendom te ontwikkelen, worden nu door de overheid benaderd hun land voor een periode van 25 tot 30 jaar aan de overheid te leasen. Komt het tot een overeenkomst, dan zal de overheid de infrastructuur aanleggen en huizen voor de lage inkomens bouwen. Als de lease periode is beëindigd, wordt het land weer teruggegeven aan de eigenaar samen met de huizen en infrastructuur. De opbrengst van de huur wordt weer aangewend om nieuwe huizen te bouwen.
   In Cay Bay bijvoorbeeld, het onderzoeksgebied, is de gemiddelde huur die de 50 Haïtiaanse ondervraagden per maand betalen US$ 1197,4 (NAF 355). Bijna driekwart woont in een eenkamer-ruimte, ongeacht de grootte van het huishouden. De bedden in de kamer zijn meestal door middel van een gordijn afgesloten van de rest van de ruimte en staan op verhogingen. Op deze wijze wordt de ruimte onder de bedden intensiever gebruikt. De scheidingswanden tussen de verhuurde kamers zijn erg dun en niet geïsoleerd. Met brandscheidingswanden en andere veiligheidsmaatregelen is door de verhuurder totaal geen rekening gehouden. De meeste huurders vinden de huurprijzen voor het geleverde te hoog.

Wijzigen overheidsbeleid

Het Belvédère project is een uitstekend voorbeeld van de Westerse manier van hoe stedenbouw wordt toegepast, welke volgens Nas (1990: 157) leidt tot 'centra van geestdodende uniformiteit'. De architecten en stedenbouwers bepalen voor een belangrijk deel de ontwerpen, die zijn gebaseerd op hun eigen maatschappijopvattingen. De concentratie van bepaalde 'woningklassen' krijgt de vorm van raciale segregatie, wat op zich natuurlijk niet gewenst is. De huizen in het Belvédère project zijn geen Antilliaanse huizen en, gezien de gesprekken met en opmerkingen van verschillende bewoners van het eiland en de reeds opgedane ervaringen met het Ebenezer project, vragen velen zich af hoe het over vijf jaar in de wijk zal zijn. Over 1 jaar staan daar ruim 474 woningen en over 2 jaar 677 woningen met gemiddeld twee kinderen per huis. In het stedenbouwkundige plan is een school gepland, maar er is nog geen uitzicht op realisatie. Veel kinderen moeten thuis gehaald en gebracht worden. Er is geen winkelcentrum in de buurt en met de verkeersbelasting van de smalle toegangsweg over de berg is in de plannen van de overheid geen enkele rekening gehouden. Een totale planning en afstemming ontbreekt en een vastgestelde langere-termijnvisie is bij navraag bij verschillende overheidsdiensten onbekend. De overheid is al jaren bezig de gehele structuur van het eiland te ontwerpen, maar heeft deze nog niet goedgekeurd en vastgesteld. Structuurplannen worden nu per te ontwikkelen gebied ontworpen en door de Eilandsraad goedgekeurd en vastgesteld. Dit in tegenstelling tot St. Martin, waar de resultaten nu zichtbaar zijn; de Franse kant is namelijk veel meer gestructureerd en komt geordend over. Het verbeteren van de huisvesting is niet alleen het neerhalen van de krottenwijken en daarvoor nieuwbouw plegen. De 'sociale kanker' verplaatst zich dan naar de nieuwe wijken, een gevaar dat op St. Maarten zeker telt voor het Belvédère project.

Conclusie

Samenvattend kan ik stellen dat de overheid van St. Maarten in de realisatie van woningbouw een belangrijke rol kan of eigenlijk zou moeten spelen (Potter & Conway, 1997: 2). Op de verschillende eilanden hebben de overheden, naar gelang de lokale mogelijkheden en historische achtergronden, geprobeerd op hún wijze de woningbouw te bevorderen. Wat de overheid van St. Maarten uit al de verschillende toepassingen van woningbouwsystemen kan leren is ten eerste, dat er een politieke wil aanwezig moet zijn om de problemen op te lossen, en ten tweede, dat de eilandbewoners een integraal deel zouden moeten uitmaken van de realisatie. Vooral voor de groep bewoners in de krottenwijken, de laagst betaalden, telt dat niet vóór de mensen moet worden gebouwd maar vanuit de mensen.

Literatuur

Central Bureau of Statistics - CBS, Third Population and Housing Census Netherlands Antilles 1992. Willemstad: Centraal Bureau of Statistics, 1993.
Eilandsraad St. Maarten, Social & Community Priorities. Philipsburg: Workgroup Social & Community Priorities, 1995.
Nas, Peter J.M., De stad in de derde wereld: Een inleiding tot de urbane antropologie en sociologie. Muiderberg: Dick Coutinho, 1990.
Potter, Robert B. & Dennis Conway (eds.), Self-Help Housing, the Poor and the State in the Caribbean. Knoxville: The University Tennessee Press, 1997.
St. Maarten Housing Development Foundation (SMHDF), Begroting 1998 (op kasbasis) en Financiële Meerjarenbegroting 1998-2002 (op kasbasis). Philipsburg: St. Maarten Housing Development Foundation, 1998.
Turner, Alan, Comprehensive development Plan for St. Maarten. Task 3: Public Housing Programmes: An Approach to New Policies. London, England: Alan Turner and Associates, Planning and Development Consultants, 1981.

vorige naar index volgende