Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Al dat mij dierbaar is

Natasha Silva

Introductie

Het is vroeg in de ochtend. Ik lig lekker warm onder mijn dekbed te doezelen. Het zonnetje komt langzaam op en plotseling hoor ik het geroep van gibbons. Ik haast me mijn bed uit, want het is al acht uur en tijd om met de 'werkdag' te beginnen. Ik weet dat de apen die ik hoor roepen withandgibbons zijn. Ik heb ze wel vaker gezien, slingerend door de bomen, al roepend hun territorium bevestigend en de band met hun partner versterkend. Hun melancholisch geroep klinkt kilometers ver.
   Dan wordt mijn aandacht plots verbroken door een diep en luidkeels gebrul van een leeuw, hoogst waarschijnlijk een mannelijk exemplaar, die wel heel dichtbij moet zijn. Ik sta verstijft. Het geluid is indrukwekkend. Ik kan de grond bijna voelen meetrillen met elke opeenvolgende brul die soms wat dichterbij klinkt en dan weer verder weg. Ik spits mijn oren en beweeg mij in de richting van al dat dierengeluid. Ik hoor ineens veel meer: het klepperend geluid van een paartje ooievaars, het geschreeuw van papegaaien, het gebalk van zebra's en het ge-'noeeeee' van witstaartgnoes. Ik hoor ook andere soorten apen. Wat een rijkdom aan geluid! Paradijselijk, zou men haast kunnen zeggen!
   Voor de oplettende lezer zal het nu wel duidelijk zijn geworden, dat er iets bijzonders aan de hand is. Namelijk, de voorgenoemde dieren komen uit verschillende landen en continenten. Eigenlijk had ik er ook bij kunnen vermelden: het gekwaak van eenden of het waarschuwende ge-'piew' van het meerkoettenpaar dat tegenover ons appartement aan de gracht op een nest zit te broeden. En het gezang van een merel, een blaffende hond, het gekrijs van vechtende katten in de achtertuin, het gezoem van auto's op de nabije hoofdwegen en af en toe een ambulance alsmede ook de opgewonden kindergeluiden van de basisschool om de hoek.

De meesten onder u zullen Artis wel kennen - de oudste dierentuin van Nederland. Velen van u zullen ook wel eens een bezoekje aan een dierentuin hebben gebracht, waarschijnlijk in de kindertijd. Velen van u zullen nog eens terugkeren, vaak met eigen of andermans jong spul.
   De eerste 7 maanden van 1999 was ik nagenoeg iedere dag in de Amsterdamse dierentuin te bespeuren. Het onderzoeksonderwerp voor mijn scriptie betrof namelijk het fenomeen dierentuin. "Hoe komt een antropologe-in-spe in hemelsnaam op het idee om zo'n onconventioneel onderwerp te onderzoeken?" Deze vraag werd mij herhaaldelijk gesteld.
   Het antwoord ligt deels in mijn andere grote liefde: de biologie. Ik ben dan ook bevoegd docente biologie (tweedegraads). De keuze 'dierentuin' is nu misschien wat minder raadselachtig. "Maar waarom heb je dan gekozen om antropologie te studeren?", is vaak de volgende gestelde vraag. "Het zijn toch twee totaal verschillende disciplines?" Ja en nee. Er zijn vele raakvlakken en eigenlijk kan de een niet zonder de ander. De twee vullen elkaar aan. En ik combineer ze dan ook graag. Ook op een breder vlak geniet de combinatie biologie-antropologie steeds meer aandacht, ook in de opleiding culturele antropologie aan de Universiteit Utrecht.
   Deze case gaat dan ook over een raakvlak tussen biologie en antropologie: mens-natuur/dier relaties. Dierentuinen positioneren zichzelf hierbinnen, maar het is maar een van de vele materialisaties van de relatie tussen mens en natuur/dier. Eerder dan sec een samenvatting van mijn onderzoeksverslag te geven werd mij gevraagd om te omschrijven hoe ik zelf tot een combinatie van antropologie en biologie ben gekomen. Dit levert een verslag op dat zowel objectief als subjectief van aard is. Ik zal beginnen bij mijn jeugd.

Groene leguanen en ratelslangen

Ik werd geboren in een huis vol dieren. Mijn moeder noemde zichzelf dan ook dierenvriend. In de beginjaren waren er met name honden, katten, schildpadden en vissen. Op den duur mocht ik een eigen huisdier 'uitzoeken'. Ik koos voor een kip.
   Mijn jeugdervaringen in het Caraïbisch gebied hebben bij mij een onuitwisbare indruk achtergelaten. De natuur was er altijd onderdeel van het dagelijks leven, ook al woonden wij in de "stad". Ik vond dieren- en plantenleven fascinerend. Ik kijk nog vol passie terug op de dag dat ik mijn eerste (levende) inktvis "ving" (die mij vervolgens onder inkt spoot) alsook op het signaleren van mijn eerste wilde ratelslang. Prachtige herinneringen heb ik aan het urenlang kunnen aanschouwen van een walviskoe met kalf voor de kust van 'mijn' eiland, het zwemmen met haaien en dolfijnen, het rijden op ezels en op paarden, het met een baddoek "vangen" van vleermuizen in de avondschemering, het kijken naar kleurrijke tropische vissen, vogels en vlinders, en niet te vergeten, het dagelijkse prachtspel van de smaragdgroene leguanenfamilie die op het dak van ons huis woonde.
   Toen ik anderhalf jaar oud was, maakte ik met mijn moeder onze eerste grote reis samen. Wij gingen naar Nederland. Hoewel ik mij dit zelf niet specifiek herinner, heeft mijn moeder mij verteld dat ik zo verschrikkelijk geobsedeerd was door bonte koeien dat de familie "niet goed van me werd". Nog steeds heb ik een zwakte voor koeien, en ook voor kippen. Mijn huidige boekenkast telt dan ook vele koeien- en kippenboeken, en ruim 300 andere boeken over schepsels der natuur.

Natuurbehoud en de mens

In mijn tienerjaren verhuisde mijn familie naar Europa. Hoewel ik in mijn pubertijd in Engeland belandde, waar mijn aandacht zich steeds meer ging richten op menselijke wezens, bleven dieren en de natuur een centrale plek in mijn leven innemen. Door de tijd heen ben ik me verder bewust geworden van de grote culturele verschillen die er bestaan met betrekking tot opvattingen ten aanzien van de natuur en van dieren. Deze 'verschillen' zouden mij pas weer in mijn latere jaren gaan bezighouden. Ondertussen was ik (ditmaal alleen, zonder familie), in Nederland begonnen aan mijn toekomst als lerares biologie. Mijn missie: iedereen overtuigen van de schoonheid van de natuur en omvormen tot ware natuurbeschermer.
   Tijdens mijn studie aan de lerarenopleiding biologie verdiepte ik mij in de omvangrijke leer der levensverschijnselen. Mijn grote voorbeelden waren mensen als David Attenborough en Jane Goodall (antropologe van oorsprong!). Ik leerde verder over de geschiedenis van de biologie en over belangrijke huidige disciplinaire ontwikkelingen en ik liep veel stage (lesgeven op scholen). Dit laatste vond ik erg boeiend, want ik ben dol op kinderen. Bovendien slaagde ik al aardig in mijn missie.
   Ondertussen begon ik mij redelijk vakbekwaam te voelen. Ethologie (diergedrag) en ecologie genoten bij mij de meeste aandacht en tegen het einde van mijn studie ging ik mij met name richten op natuurbehoud. Hoe meer ik mij hierin verdiepte, hoe meer ik stuitte op het grootste probleem: de mens. Het werd mij duidelijk, dat het beschermen van dieren en planten niet los gezien kan worden van het beschermen van de gebieden waar de soorten voorkomen. Daarbij werd duidelijk dat natuurbescherming veel succesvoller is, indien de lokale bevolking daarin wordt betrokken. Dit was een heel andere opvatting dan in de voorgaande decennia, waarbij natuurbescherming vooral betekende: een gebied afbakenen, een groot hek eromheen plaatsen en niemand toelaten. 'Samenwerken' is meer dan ooit een sleutelwoord tot natuurbehoud geworden. Maar samenwerken blijkt in de praktijk makkelijker gezegd dan gedaan, want er bestaan ... cultuurverschillen.

Biologie en antropologie

De stukjes pasten nu bij elkaar. De antropologie deed bij mij zijn intrede en de puzzel kreeg vorm. Aan de universiteit volgde ik de vakken Indiaanse Samenleving, Ecologie, Cultuur en Ontwikkeling, en de specialisatie cursus Duurzaamheid, Ecologie en Ontwikkeling. Mijn leeronderzoek had ik inmiddels al gedaan - in Spanje, waar ik mens-dier relaties bestudeerde. In de hiervoor geraadpleegde literatuur kwam ik tot de 'ontdekking' dat dieren een essentieel onderdeel vormen van het menselijk bestaan. Niet alleen als voedsel, lastdier, voertuig of andere direct economisch nuttige aanwendingen. Dieren zijn ook belangrijk in religie en rituelen, en dienen verder als symbolen voor culturele normen en waarden die hun neerslag vinden in de vorm van mythen, metaforen, kunst en literatuur. Dieren worden gehouden voor gezelschap, fungeren als statussymbool en worden aangewend in uitingen van klasse en macht. Daarnaast vervullen dieren recreatieve, educatieve en socialiserende rollen. Dit blijkt in vele culturen te gelden. Daarnaast blijkt uit Westers onderzoek dat dieren een positieve invloed hebben op het psychisch welzijn van mensen alsook op het menselijke genezingsproces.
   Kortom, mens-dier relaties zijn zeer divers en complex. Daarnaast veranderen mens-dier (en ook mens-natuur) relaties in historisch perspectief en liggen er bovenal culturele verschillen aan ten grondslag. Cultuur blijkt net zo divers te zijn als natuur en in beide vormen mensen en dieren een belangrijk onderdeel. Dieren maken een essentieel onderdeel uit van het menselijk bestaan en de maatschappelijke ontwikkeling. Waarschijnlijk zullen dieren ook in de toekomst een centrale rol in het menselijk leven blijven innemen. Toch heeft slechts een kleine minderheid van wetenschappers zich met dit onderwerp bezig gehouden, hoewel hun aantal de laatste twee decennia gestaag is gegroeid.

Dierentuinen/cultuurtuinen

In de industriële samenlevingen vervullen dieren(soorten) zeer gespecialiseerde functies als bijvoorbeeld voedselproducent, gezelschapsdier, en komen ze tegemoet aan esthetische en recreatieve genoegens/behoeftes. Dierentuinen zijn instituties die mensen vooral in de laatstgenoemde behoeftes voorzien.
   Dierentuinen hebben mij lang geboeid. Ik herinner me nog mijn eerste bezoek aan een dierentuin. Dat was op Curaçao en ik was 6 jaar oud. Ik vond het prachtig om zoveel verschillende dieren uit diverse landen en continenten, die ik tot dan toe alleen op afbeeldingen had kunnen zien, in levende lijve te aanschouwen, horen, ruiken en soms ook stiekem voelen! Al die wilde dieren bijeen - en zo dichtbij. Ik deed toen een belofte aan mijzelf dat ik ooit als volwassene 'iets met dierentuinen' zou gaan doen. Tijdens mijn studie biologie ben ik dan ook rondleidingen gaan geven in Artis. Het was een verademing om op een andere manier met het vak bezig te zijn dan nagenoeg alleen op cellulair niveau. Inmiddels geef ik al acht jaar rondleidingen. Dit 'werk' blijft boeiend, want de dierentuin is iedere dag anders en ik weet van tevoren amper hoe de interactie met de groep zal verlopen.
   Toch is het idee om 'de dierentuin' tot mijn afstudeeronderwerp te maken slechts kort geleden in mij opgekomen - in het voorjaar van 1998. Ik volgde toen het vak 'Culturele Antropologie en Museumkunde' van Mary Bouquet. Tijdens deze cursus leerde ik, dat bepaalde soorten van culturele instituties onder de definitie 'museum' vielen en dat ook dierentuinen hiertoe behoorden. Ik kreeg een nieuwe kijk op het fenomeen dierentuin en musea in het algemeen. Zo blijken dierentuinen, net als andere musea, niet neutraal te zijn bij het tentoonstellen van hun objecten (dieren). Musea beargumenteren juist een theorie, een bewering, een houding of een standpunt. Zij zijn dan ook een uitingsvorm van culturele waarden. Dierentuinen, hoewel hun collectie vorm heeft gekregen rond natuurlijke objecten, zijn hierop geen uitzondering. De functies die dierentuinen vervullen, vertellen iets over de cultuur die zij dienen, zoals blijkt uit mijn literatuuronderzoek, en deze cultuur verandert door de tijd. Hoewel dierentuinen als musea zijn gedefinieerd, worden zij nagenoeg overgeslagen in museologische (alsook antropologische) studies. Binnen de museumwereld heerst een tweedeling naar cultuur en natuur. Natuur-historische studies bestrijken nagenoeg alleen de levenloze collecties. Dierentuinen blijken in dit opzicht een onontgonnen gebied.

Van menagerie tot dierentuin

Het houden van exotische diercollecties is iets wat zich voordeed in velerlei culturen, al sinds de Oudheid. Een van de eerste dierentuinen, voor zover bekend, is die van Saqqara (Egypte) rond 2500 v.Chr. In de begintijd waren dierentuinen vooral uitingen van de macht en roem van belangrijke personen en hun territoria. Tijdens de Griekse overheersing begonnen dierentuinen ook een wetenschappelijke functie te vervullen, een functie die tijdens de Verlichting zou terugkeren. In de lange tussenliggende periode dienden dierentuinen, naast het tonen van status, vooral voor vermaak en vertier. Deze uiteenlopende rollen die dierentuinen in de loop der eeuwen hebben vervuld, zijn nog steeds in min of meerdere mate terug te vinden in hedendaagse dierentuinen. Tijdens de laatste decennia is hieraan nog een nieuwe rol toegevoegd: die van natuurbehoud.
   Gedurende de periode van de 16e tot en met de 19e eeuw zijn er veel ontdekkingsreizen ondernomen (waaruit het kolonialisme zou voortvloeien), en kwam de wetenschap tot bloei. Menagerieën floreerden. Halverwege de 19e eeuw werden door rijke burgers stedelijke dierentuinen opgericht. De eerste dierentuinen, zoals ook de menagerieën werden vormgegeven, hadden het karakter van trofeeëngalerijen en rariteitenkabinetten: exotische geschenken, vorstelijke collecties en souvenirs uit verre landen werden bijeengeplaatst in bonte tentoonstellingen. Zo onstond er in de 18e eeuw, onder stadhouder Willem V, een beroemde dierencollectie op de paleisgronden van het Paleis het Loo. Toen in 1795 de Fransen naderden onder leiding van generaal Pichegru, vluchtte Willem V naar Engeland. De dierencollectie kwam onder het beheer van de Franse commandeur. Onder zijn gezag zouden de dieren sterk in aantal afnemen, want de commandeur beschouwde hen als delicatessen. Net op tijd en onder een democratisch besluit werden de laatste dieren overgeplaatst naar de 'Menagerie du Jardin des Plantes' in Parijs.
   De opkomst van de wetenschap resulteerde in wat bekend staat als de zogenaamde taxonomische 'postzegelverzameling': van vele soorten één exemplaar. Hoe meer soorten des te beter. Het idee van de '(taxonomische) encyclopedie van het leven' overheerste - men kon zich vergapen aan het wonderbaarlijke van de natuur en diens rijkdom. Uit deze tijd stamt ook de zogenaamde 'taartpuntenverdeling', als methode om zoveel mogelijk dieren binnen een beperkte ruimte aan het publiek te laten zien. De hokken waren meestal kaal en klein. De sterfte was groot, maar aanvulling was in die tijd nog geen probleem. Het element 'cultuur' begon in deze tijd een steeds belangrijkere plaats in te nemen. Zo werden vele dierenverblijven in exotische stijl gebouwd om het 'bijzondere' te benadrukken. Vaak refereerden deze verblijven aan het land waar een dier vandaan kwam. Soms werden er zelfs verschillende 'primitieven' en 'wilden' in traditionele kledij naast de dieren uit hun land tentoongesteld. Dergelijke tentoonstellingen trokken ongekende hoeveelheden toeschouwers. De industriële revolutie bracht een omslag teweeg in dierentuinen. Steden raakten steeds meer vervuild en het leven van vele arbeidersgezinnen was somber en hard. In kunst en cultuur nam de algemene behoefte aan natuur en romantiek toe.


Minangkabause huisje (1916),
een romantisch, etnologisch taartpunten-verblijf (Artis)


De Duitse dierenhandelaar Carl Hagenbeck heeft rond de eeuwwisseling een onmisbare en verstrekkende (zowel in de ruimte als in de tijd) invloed gehad op de architectuur van dierentuinen. Zijn Tierpark Stellingen (Hamburg), dat in 1907 werd opgericht, werd toonaangevend over de hele wereld. Hagenbeck ontwikkelde verblijven die geen visuele barrière kenden tussen mens en dier, de zogenaamde tralieloze 'freianlagen'. Daarnaast moest het decor zoveel mogelijk natuurgetrouw zijn en een zo'n compleet mogelijk beeld van de natuurlijke habitat weergeven. Hij creëerde de illusie van vrijheid en van 'natuur'. Onder het publiek nam de belangstelling voor het natuurlijke verblijven en -gedrag van dieren inmiddels toe. Hieraan werd in dierentuinen tegemoetgekomen door middel van een soortspecifieke inrichting van verblijven en het houden van (groeps)dieren in groepen in plaats van solitair. Ook een combinatie van verschillende soorten dieren in een verblijf werd in toenemende mate populair. Daarnaast werd dierentuinarchitectuur functioneler en een steeds minder aanwezig onderdeel van de gehele tentoonstelling.
   Onder meer door de opkomst van de ecologie en de ethologie ontstond er in de 70er en 80er jaren van de twintigste eeuw een nieuwe stroming in het tentoonstellen van dieren. In Nederland zijn koplopers van deze nieuwste natuurbewustheid onder meer Burgers Dierenpark, Apenheul en het Noorder Dierenpark. De 'natuurillusie' is hier dan ook het grootst, met misschien wel de bekendste Nederlandse vertegenwoordigers en wereldprimeurs: Burgers Bush en Burgers Desert. Hieraan kunnen worden toegevoegd: Taman Indah (Diergaarde Blijdorp), waarbinnen het tropisch regenwoud uit zuidoost Azië in zijn geheel wordt weergegeven, alsook het momenteel (augustus '99) nog in aanbouw zijnde Burger's Ocean. Men zou kunnen zeggen dat er hier sprake is van het streven naar de perfecte natuurillusie of misschien zelfs van 'hyperreality', waarin het gecreëerde een geperfectioneerde vorm van zichzelf is geworden.
   Sleutelwoorden die de huidige tentoonstelling van dieren typeren, zijn: natuurbehoud, educatie, de samenhang van de natuur, de invloed van de mens, de biotoop, de natuurlijke omgeving en gedrag. Bovendien zijn dierentuinen steeds verder gegaan bij de invulling van hun collecties en educatieve thema's, en is er vaak sprake van specialisatie. Ook is er een 'trend' te bespeuren in het houden van bedreigde diersoorten. Daarnaast blijken huidige dierentuinen deel te nemen aan een 'rat-race'. Zij ondervinden, meer dan ooit tevoren, de gevolgen van de toenemende keuze in vrijetijdsbesteding. De mens blijkt nu over meer geld te beschikken en kritischer te zijn geworden, wat het moeilijker maakt voor dierentuinen om zich te positioneren als een verantwoorde, geloofwaardige en plezierige plaats voor vrijetijdsbesteding.
   In de loop der eeuwen blijkt er een continue wisselwerking plaats te vinden tussen dierencollecties, hun publiek en de maatschappij waarin zij zich bevinden. Culturele waarden zijn daarbij vormgevend en toonzettend. Bovendien blijken dierentuinen nog steeds zeer populair. Vandaag de dag bestaan er rond de duizend erkende dierentuinen over de hele wereld. De meeste hiervan bevinden zich in stedelijke gebieden. Voor veel bezoekers is de dierentuin de enige plek om in aanraking te komen met wilde (en exotische) dieren. Nederland kent een hoge dierentuindichtheid. De 11 dierentuinen, aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD), die Nederland rijk is, trekken gezamenlijk zo'n 8 miljoen bezoekers per jaar. Dat is meer dan welk ander soort museum dan ook. Mensen voelen zich door de dierentuin aangetrokken om diens levende haven te aanschouwen en deel te nemen in de velerlei ervaringen die een bezoek met zich mee brengt.
   Natura Artis Magistra (1838) neemt hierbinnen een bijzondere plaats in. Het is een typisch 19e eeuwse dierentuin en behoort tot de oudste dierentuinen van de wereld. Sinds de oprichting heeft Artis vooral een wetenschappelijke en educatieve functie nagestreefd (het doel van nagenoeg elk museum). Het verzamelen ten behoeve van de collectie, alsmede het conserveren, beheren en instandhouden van de collectie, spelen hierbij een centrale rol. Het hoofddoel blijft het presenteren van de collectie. In de laatste jaren is Artis een commerciëler beleid gaan voeren. Het voorzien in de recreatieve behoeftes van bezoekers neemt in belangrijke mate toe.
   In het hedendaagse Artis zijn de verschillende 'fasen' van ontwikkeling nog terug te vinden in materiële vorm. Daarnaast bezit Artis een zeer gevarieerde collectie van levende (dieren, planten) en levenloze (paleontologische, zoölogische, geologische, kunst-) objecten, en ontwikkelt Artis zich steeds meer richting 'Museum van het Leven: van Oerknal tot Olifant'. Dit alles maakt Artis tot een uiterst interessant en complex onderzoeksgebied. Hoewel Artis veel te bieden heeft (er bevinden zich diverse musea in Artis, waaronder een Planetarium, en een aantal gebouwen staan op de monumentenlijst), blijkt uit mijn onderzoek dat bezoekers (1,2 miljoen per jaar) zich vooral aangetrokken voelen tot de dierencollectie. Deze collectie kent een hoge diversiteit: ongeveer 750 diersoorten en ruim 8000 individuen. Een belangrijk onderdeel van de Artis-ervaring is, dat de dieren van heel dichtbij kunnen worden benaderd in een mooie, ontspannende, parkachtige omgeving.

Tot besluit

Ik hoop met het bovenstaande een korte indruk te hebben gegeven van het fenomeen dierentuin. Dierentuinen zijn geen natuurverschijnselen. Ze zijn een door de mens gecreëerd iets, instituties die de bron zijn van twee typen van informatie: culturele en wetenschappelijke. Dierentuinen blijken bovenal meer te zijn dan de som der delen of de fysieke vorm. Dierentuinen communiceren culturele waarden en spiegelen tegelijkertijd de waarden die het publiek met zich meebrengt tijdens het bezoek. De dierentuin fungeert als theater, sociale arena, rituele 'site', en is een kathedraal vol iconische (dieren-) beelden en symboliek. De dierentuin is uitgekiend voor een speciaal soort toerisme. De dierentuin is een plaats waar realiteit wordt getransformeerd en tegelijkertijd een plaats waar nieuwe realiteiten worden gecreëerd. (Re)presentaties in de dierentuin zijn zowel exotiserend en assimilerend. Ambiguïteit doordrenkt de dierentuinervaring. Bezoekers voelen zich aangetrokken en afgestoten; bezoekers (en het personeel) voelen zowel positieve als negatieve emoties. Het leven van 'de ander' wordt publiekelijk tentoongesteld en de kijker heeft daarbij ook zichzelf als onderwerp. In de dierentuin zijn objecten verheven tot (natuurlijke) kunstwerken. 'Natuur' en 'cultuur' worden binnen de dierentuin omstreden. Betekenisgeving en -verlening vervullen hierin een centrale rol. Hoe al deze aspecten in de huidige context worden geconstrueerd door verschillende 'populaties', vormde de centrale vraag in mijn onderzoek. Indien u geprikkeld bent door dit stukje om hier meer over te weten te komen, verwijs ik u naar mijn afstudeerscriptie: Signifying Zoos and the Zoo Experience.
   Ik hoop dat ik hierbij een afdoend antwoord heb gegeven op de vraag hoe ik tot mijn afstudeeronderwerp ben gekomen en welke betekenis het onderwerp heeft voor culturele antropologie. Het mag duidelijk zijn dat de combinatie biologie en antropologie zo vreemd nog niet is. Deze twee fantastische disciplines, alsook museumkunde, zullen mij ongetwijfeld blijven boeien. Ik denk dan ook de rest van mijn leven bezig te blijven met al dat mij dierbaar is.

vorige naar index volgende