![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Al dat mij dierbaar is
Natasha Silva
Introductie
Het is vroeg in de ochtend. Ik lig lekker warm onder mijn dekbed te doezelen. Het zonnetje komt langzaam op en plotseling hoor ik het geroep van gibbons. Ik haast me mijn bed uit, want het is al acht uur en tijd om met de 'werkdag' te beginnen. Ik weet dat de apen die ik hoor roepen withandgibbons zijn. Ik heb ze wel vaker gezien, slingerend door de bomen, al roepend hun territorium bevestigend en de band met hun partner versterkend. Hun melancholisch geroep klinkt kilometers ver.
Dan wordt mijn aandacht plots verbroken door een diep en luidkeels gebrul van een leeuw, hoogst waarschijnlijk een mannelijk exemplaar, die wel heel dichtbij moet zijn. Ik sta verstijft. Het geluid is indrukwekkend. Ik kan de grond bijna voelen meetrillen met elke opeenvolgende brul die soms wat dichterbij klinkt en dan weer verder weg. Ik spits mijn oren en beweeg mij in de richting van al dat dierengeluid. Ik hoor ineens veel meer: het klepperend geluid van een paartje ooievaars, het geschreeuw van papegaaien, het gebalk van zebra's en het ge-'noeeeee' van witstaartgnoes. Ik hoor ook andere soorten apen. Wat een rijkdom aan geluid! Paradijselijk, zou men haast kunnen zeggen!
Voor de oplettende lezer zal het nu wel duidelijk zijn geworden, dat er iets bijzonders aan de hand is. Namelijk, de voorgenoemde dieren komen uit verschillende landen en continenten. Eigenlijk had ik er ook bij kunnen vermelden: het gekwaak van eenden of het waarschuwende ge-'piew' van het meerkoettenpaar dat tegenover ons appartement aan de gracht op een nest zit te broeden. En het gezang van een merel, een blaffende hond, het gekrijs van vechtende katten in de achtertuin, het gezoem van auto's op de nabije hoofdwegen en af en toe een ambulance alsmede ook de opgewonden kindergeluiden van de basisschool om de hoek.
De meesten onder u zullen Artis wel kennen - de oudste dierentuin van Nederland.
Velen van u zullen ook wel eens een bezoekje aan een dierentuin hebben
gebracht, waarschijnlijk in de kindertijd. Velen van u zullen nog eens
terugkeren, vaak met eigen of andermans jong spul.
De eerste 7 maanden van 1999 was ik nagenoeg iedere dag
in de Amsterdamse dierentuin te bespeuren. Het onderzoeksonderwerp voor
mijn scriptie betrof namelijk het fenomeen dierentuin. "Hoe komt een antropologe-in-spe
in hemelsnaam op het idee om zo'n onconventioneel onderwerp te onderzoeken?"
Deze vraag werd mij herhaaldelijk gesteld.
Het antwoord ligt deels in mijn andere grote liefde: de
biologie. Ik ben dan ook bevoegd docente biologie (tweedegraads). De keuze
'dierentuin' is nu misschien wat minder raadselachtig. "Maar waarom heb
je dan gekozen om antropologie te studeren?", is vaak de volgende gestelde
vraag. "Het zijn toch twee totaal verschillende disciplines?" Ja en nee.
Er zijn vele raakvlakken en eigenlijk kan de een niet zonder de ander.
De twee vullen elkaar aan. En ik combineer ze dan ook graag. Ook op een
breder vlak geniet de combinatie biologie-antropologie steeds meer aandacht,
ook in de opleiding culturele antropologie aan de Universiteit Utrecht.
Deze case gaat dan ook over een raakvlak tussen biologie
en antropologie: mens-natuur/dier relaties. Dierentuinen positioneren zichzelf
hierbinnen, maar het is maar een van de vele materialisaties van de relatie
tussen mens en natuur/dier. Eerder dan sec een samenvatting van mijn onderzoeksverslag
te geven werd mij gevraagd om te omschrijven hoe ik zelf tot een combinatie
van antropologie en biologie ben gekomen. Dit levert een verslag op dat
zowel objectief als subjectief van aard is. Ik zal beginnen bij mijn jeugd.
Groene leguanen en ratelslangen
Ik werd geboren in een huis vol dieren. Mijn moeder noemde zichzelf
dan ook dierenvriend. In de beginjaren waren er met name honden, katten,
schildpadden en vissen. Op den duur mocht ik een eigen huisdier 'uitzoeken'.
Ik koos voor een kip.
Mijn jeugdervaringen in het Caraïbisch gebied hebben
bij mij een onuitwisbare indruk achtergelaten. De natuur was er altijd
onderdeel van het dagelijks leven, ook al woonden wij in de "stad". Ik
vond dieren- en plantenleven fascinerend. Ik kijk nog vol passie terug
op de dag dat ik mijn eerste (levende) inktvis "ving" (die mij vervolgens
onder inkt spoot) alsook op het signaleren van mijn eerste wilde ratelslang.
Prachtige herinneringen heb ik aan het urenlang kunnen aanschouwen van
een walviskoe met kalf voor de kust van 'mijn' eiland, het zwemmen met
haaien en dolfijnen, het rijden op ezels en op paarden, het met een baddoek
"vangen" van vleermuizen in de avondschemering, het kijken naar kleurrijke
tropische vissen, vogels en vlinders, en niet te vergeten, het dagelijkse
prachtspel van de smaragdgroene leguanenfamilie die op het dak van ons
huis woonde.
Toen ik anderhalf jaar oud was, maakte ik met mijn moeder
onze eerste grote reis samen. Wij gingen naar Nederland. Hoewel ik mij
dit zelf niet specifiek herinner, heeft mijn moeder mij verteld dat ik
zo verschrikkelijk geobsedeerd was door bonte koeien dat de familie "niet
goed van me werd". Nog steeds heb ik een zwakte voor koeien, en ook voor
kippen. Mijn huidige boekenkast telt dan ook vele koeien- en kippenboeken,
en ruim 300 andere boeken over schepsels der natuur.
Natuurbehoud en de mens
In mijn tienerjaren verhuisde mijn familie naar Europa. Hoewel ik in
mijn pubertijd in Engeland belandde, waar mijn aandacht zich steeds meer
ging richten op menselijke wezens, bleven dieren en de natuur een centrale
plek in mijn leven innemen. Door de tijd heen ben ik me verder bewust geworden
van de grote culturele verschillen die er bestaan met betrekking tot opvattingen
ten aanzien van de natuur en van dieren. Deze 'verschillen' zouden mij
pas weer in mijn latere jaren gaan bezighouden. Ondertussen was ik (ditmaal
alleen, zonder familie), in Nederland begonnen aan mijn toekomst als lerares
biologie. Mijn missie: iedereen overtuigen van de schoonheid van de natuur
en omvormen tot ware natuurbeschermer.
Tijdens mijn studie aan de lerarenopleiding biologie verdiepte
ik mij in de omvangrijke leer der levensverschijnselen. Mijn grote voorbeelden
waren mensen als David Attenborough en Jane Goodall (antropologe van oorsprong!).
Ik leerde verder over de geschiedenis van de biologie en over belangrijke
huidige disciplinaire ontwikkelingen en ik liep veel stage (lesgeven op
scholen). Dit laatste vond ik erg boeiend, want ik ben dol op kinderen.
Bovendien slaagde ik al aardig in mijn missie.
Ondertussen begon ik mij redelijk vakbekwaam te voelen.
Ethologie (diergedrag) en ecologie genoten bij mij de meeste aandacht en
tegen het einde van mijn studie ging ik mij met name richten op natuurbehoud.
Hoe meer ik mij hierin verdiepte, hoe meer ik stuitte op het grootste probleem:
de mens. Het werd mij duidelijk, dat het beschermen van dieren en planten
niet los gezien kan worden van het beschermen van de gebieden waar de soorten
voorkomen. Daarbij werd duidelijk dat natuurbescherming veel succesvoller
is, indien de lokale bevolking daarin wordt betrokken. Dit was een heel
andere opvatting dan in de voorgaande decennia, waarbij natuurbescherming
vooral betekende: een gebied afbakenen, een groot hek eromheen plaatsen
en niemand toelaten. 'Samenwerken' is meer dan ooit een sleutelwoord tot
natuurbehoud geworden. Maar samenwerken blijkt in de praktijk makkelijker
gezegd dan gedaan, want er bestaan ... cultuurverschillen.
Biologie en antropologie
De stukjes pasten nu bij elkaar. De antropologie deed bij mij zijn intrede
en de puzzel kreeg vorm. Aan de universiteit volgde ik de vakken Indiaanse
Samenleving, Ecologie, Cultuur en Ontwikkeling, en de specialisatie cursus
Duurzaamheid, Ecologie en Ontwikkeling. Mijn leeronderzoek had ik inmiddels
al gedaan - in Spanje, waar ik mens-dier relaties bestudeerde. In de hiervoor
geraadpleegde literatuur kwam ik tot de 'ontdekking' dat dieren een essentieel
onderdeel vormen van het menselijk bestaan. Niet alleen als voedsel, lastdier,
voertuig of andere direct economisch nuttige aanwendingen. Dieren zijn
ook belangrijk in religie en rituelen, en dienen verder als symbolen voor
culturele normen en waarden die hun neerslag vinden in de vorm van mythen,
metaforen, kunst en literatuur. Dieren worden gehouden voor gezelschap,
fungeren als statussymbool en worden aangewend in uitingen van klasse en
macht. Daarnaast vervullen dieren recreatieve, educatieve en socialiserende
rollen. Dit blijkt in vele culturen te gelden. Daarnaast blijkt uit Westers
onderzoek dat dieren een positieve invloed hebben op het psychisch welzijn
van mensen alsook op het menselijke genezingsproces.
Kortom, mens-dier relaties zijn zeer divers en complex.
Daarnaast veranderen mens-dier (en ook mens-natuur) relaties in historisch
perspectief en liggen er bovenal culturele verschillen aan ten grondslag.
Cultuur blijkt net zo divers te zijn als natuur en in beide vormen mensen
en dieren een belangrijk onderdeel. Dieren maken een essentieel onderdeel
uit van het menselijk bestaan en de maatschappelijke ontwikkeling. Waarschijnlijk
zullen dieren ook in de toekomst een centrale rol in het menselijk leven
blijven innemen. Toch heeft slechts een kleine minderheid van wetenschappers
zich met dit onderwerp bezig gehouden, hoewel hun aantal de laatste twee
decennia gestaag is gegroeid.
Dierentuinen/cultuurtuinen
In de industriële samenlevingen vervullen dieren(soorten) zeer
gespecialiseerde functies als bijvoorbeeld voedselproducent, gezelschapsdier,
en komen ze tegemoet aan esthetische en recreatieve genoegens/behoeftes.
Dierentuinen zijn instituties die mensen vooral in de laatstgenoemde behoeftes
voorzien.
Dierentuinen hebben mij lang geboeid. Ik herinner me nog
mijn eerste bezoek aan een dierentuin. Dat was op Curaçao en ik
was 6 jaar oud. Ik vond het prachtig om zoveel verschillende dieren uit
diverse landen en continenten, die ik tot dan toe alleen op afbeeldingen
had kunnen zien, in levende lijve te aanschouwen, horen, ruiken en soms
ook stiekem voelen! Al die wilde dieren bijeen - en zo dichtbij. Ik deed
toen een belofte aan mijzelf dat ik ooit als volwassene 'iets met dierentuinen'
zou gaan doen. Tijdens mijn studie biologie ben ik dan ook rondleidingen
gaan geven in Artis. Het was een verademing om op een andere manier met
het vak bezig te zijn dan nagenoeg alleen op cellulair niveau. Inmiddels
geef ik al acht jaar rondleidingen. Dit 'werk' blijft boeiend, want de
dierentuin is iedere dag anders en ik weet van tevoren amper hoe de interactie
met de groep zal verlopen.
Toch is het idee om 'de dierentuin' tot mijn afstudeeronderwerp
te maken slechts kort geleden in mij opgekomen - in het voorjaar van 1998.
Ik volgde toen het vak 'Culturele Antropologie en Museumkunde' van Mary
Bouquet. Tijdens deze cursus leerde ik, dat bepaalde soorten van culturele
instituties onder de definitie 'museum' vielen en dat ook dierentuinen
hiertoe behoorden. Ik kreeg een nieuwe kijk op het fenomeen dierentuin
en musea in het algemeen. Zo blijken dierentuinen, net als andere musea,
niet neutraal te zijn bij het tentoonstellen van hun objecten (dieren).
Musea beargumenteren juist een theorie, een bewering, een houding of een
standpunt. Zij zijn dan ook een uitingsvorm van culturele waarden. Dierentuinen,
hoewel hun collectie vorm heeft gekregen rond natuurlijke objecten, zijn
hierop geen uitzondering. De functies die dierentuinen vervullen, vertellen
iets over de cultuur die zij dienen, zoals blijkt uit mijn literatuuronderzoek,
en deze cultuur verandert door de tijd. Hoewel dierentuinen als musea zijn
gedefinieerd, worden zij nagenoeg overgeslagen in museologische (alsook
antropologische) studies. Binnen de museumwereld heerst een tweedeling
naar cultuur en natuur. Natuur-historische studies bestrijken nagenoeg
alleen de levenloze collecties. Dierentuinen blijken in dit opzicht een
onontgonnen gebied.
Van menagerie tot dierentuin
Het houden van exotische diercollecties is iets wat zich voordeed in
velerlei culturen, al sinds de Oudheid. Een van de eerste dierentuinen,
voor zover bekend, is die van Saqqara (Egypte) rond 2500 v.Chr. In de begintijd
waren dierentuinen vooral uitingen van de macht en roem van belangrijke
personen en hun territoria. Tijdens de Griekse overheersing begonnen dierentuinen
ook een wetenschappelijke functie te vervullen, een functie die tijdens
de Verlichting zou terugkeren. In de lange tussenliggende periode dienden
dierentuinen, naast het tonen van status, vooral voor vermaak en vertier.
Deze uiteenlopende rollen die dierentuinen in de loop der eeuwen hebben
vervuld, zijn nog steeds in min of meerdere mate terug te vinden in hedendaagse
dierentuinen. Tijdens de laatste decennia is hieraan nog een nieuwe rol
toegevoegd: die van natuurbehoud.
Gedurende de periode van de 16e tot en met de 19e eeuw
zijn er veel ontdekkingsreizen ondernomen (waaruit het kolonialisme zou
voortvloeien), en kwam de wetenschap tot bloei. Menagerieën floreerden.
Halverwege de 19e eeuw werden door rijke burgers stedelijke dierentuinen
opgericht. De eerste dierentuinen, zoals ook de menagerieën werden
vormgegeven, hadden het karakter van trofeeëngalerijen en rariteitenkabinetten:
exotische geschenken, vorstelijke collecties en souvenirs uit verre landen
werden bijeengeplaatst in bonte tentoonstellingen. Zo onstond er in de
18e eeuw, onder stadhouder Willem V, een beroemde dierencollectie op de
paleisgronden van het Paleis het Loo. Toen in 1795 de Fransen naderden
onder leiding van generaal Pichegru, vluchtte Willem V naar Engeland. De
dierencollectie kwam onder het beheer van de Franse commandeur. Onder zijn
gezag zouden de dieren sterk in aantal afnemen, want de commandeur beschouwde
hen als delicatessen. Net op tijd en onder een democratisch besluit werden
de laatste dieren overgeplaatst naar de 'Menagerie du Jardin des Plantes'
in Parijs.
De opkomst van de wetenschap resulteerde in wat bekend
staat als de zogenaamde taxonomische 'postzegelverzameling': van vele soorten
één exemplaar. Hoe meer soorten des te beter. Het idee van
de '(taxonomische) encyclopedie van het leven' overheerste - men kon zich
vergapen aan het wonderbaarlijke van de natuur en diens rijkdom. Uit deze
tijd stamt ook de zogenaamde 'taartpuntenverdeling', als methode om zoveel
mogelijk dieren binnen een beperkte ruimte aan het publiek te laten zien.
De hokken waren meestal kaal en klein. De sterfte was groot, maar aanvulling
was in die tijd nog geen probleem. Het element 'cultuur' begon in deze
tijd een steeds belangrijkere plaats in te nemen. Zo werden vele dierenverblijven
in exotische stijl gebouwd om het 'bijzondere' te benadrukken. Vaak refereerden
deze verblijven aan het land waar een dier vandaan kwam. Soms werden er
zelfs verschillende 'primitieven' en 'wilden' in traditionele kledij naast
de dieren uit hun land tentoongesteld. Dergelijke tentoonstellingen trokken
ongekende hoeveelheden toeschouwers. De industriële revolutie bracht
een omslag teweeg in dierentuinen. Steden raakten steeds meer vervuild
en het leven van vele arbeidersgezinnen was somber en hard. In kunst en
cultuur nam de algemene behoefte aan natuur en romantiek toe.

Minangkabause huisje (1916),
een romantisch, etnologisch taartpunten-verblijf (Artis)
De Duitse dierenhandelaar Carl Hagenbeck heeft rond de eeuwwisseling
een onmisbare en verstrekkende (zowel in de ruimte als in de tijd) invloed
gehad op de architectuur van dierentuinen. Zijn Tierpark Stellingen (Hamburg),
dat in 1907 werd opgericht, werd toonaangevend over de hele wereld. Hagenbeck
ontwikkelde verblijven die geen visuele barrière kenden tussen mens
en dier, de zogenaamde tralieloze 'freianlagen'. Daarnaast moest het decor
zoveel mogelijk natuurgetrouw zijn en een zo'n compleet mogelijk beeld
van de natuurlijke habitat weergeven. Hij creëerde de illusie van
vrijheid en van 'natuur'. Onder het publiek nam de belangstelling voor
het natuurlijke verblijven en -gedrag van dieren inmiddels toe. Hieraan
werd in dierentuinen tegemoetgekomen door middel van een soortspecifieke
inrichting van verblijven en het houden van (groeps)dieren in groepen in
plaats van solitair. Ook een combinatie van verschillende soorten dieren
in een verblijf werd in toenemende mate populair. Daarnaast werd dierentuinarchitectuur
functioneler en een steeds minder aanwezig onderdeel van de gehele tentoonstelling.
Onder meer door de opkomst van de ecologie en de ethologie
ontstond er in de 70er en 80er jaren van de twintigste eeuw een nieuwe
stroming in het tentoonstellen van dieren. In Nederland zijn koplopers
van deze nieuwste natuurbewustheid onder meer Burgers Dierenpark, Apenheul
en het Noorder Dierenpark. De 'natuurillusie' is hier dan ook het grootst,
met misschien wel de bekendste Nederlandse vertegenwoordigers en wereldprimeurs:
Burgers Bush en Burgers Desert. Hieraan kunnen worden toegevoegd: Taman
Indah (Diergaarde Blijdorp), waarbinnen het tropisch regenwoud uit zuidoost
Azië in zijn geheel wordt weergegeven, alsook het momenteel (augustus
'99) nog in aanbouw zijnde Burger's Ocean. Men zou kunnen zeggen dat er
hier sprake is van het streven naar de perfecte natuurillusie of misschien
zelfs van 'hyperreality', waarin het gecreëerde een geperfectioneerde
vorm van zichzelf is geworden.
Sleutelwoorden die de huidige tentoonstelling van dieren
typeren, zijn: natuurbehoud, educatie, de samenhang van de natuur, de invloed
van de mens, de biotoop, de natuurlijke omgeving en gedrag. Bovendien zijn
dierentuinen steeds verder gegaan bij de invulling van hun collecties en
educatieve thema's, en is er vaak sprake van specialisatie. Ook is er een
'trend' te bespeuren in het houden van bedreigde diersoorten. Daarnaast
blijken huidige dierentuinen deel te nemen aan een 'rat-race'. Zij ondervinden,
meer dan ooit tevoren, de gevolgen van de toenemende keuze in vrijetijdsbesteding.
De mens blijkt nu over meer geld te beschikken en kritischer te zijn geworden,
wat het moeilijker maakt voor dierentuinen om zich te positioneren als
een verantwoorde, geloofwaardige en plezierige plaats voor vrijetijdsbesteding.
In de loop der eeuwen blijkt er een continue wisselwerking
plaats te vinden tussen dierencollecties, hun publiek en de maatschappij
waarin zij zich bevinden. Culturele waarden zijn daarbij vormgevend en
toonzettend. Bovendien blijken dierentuinen nog steeds zeer populair. Vandaag
de dag bestaan er rond de duizend erkende dierentuinen over de hele wereld.
De meeste hiervan bevinden zich in stedelijke gebieden. Voor veel bezoekers
is de dierentuin de enige plek om in aanraking te komen met wilde (en exotische)
dieren. Nederland kent een hoge dierentuindichtheid. De 11 dierentuinen,
aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD), die Nederland
rijk is, trekken gezamenlijk zo'n 8 miljoen bezoekers per jaar. Dat is
meer dan welk ander soort museum dan ook. Mensen voelen zich door de dierentuin
aangetrokken om diens levende haven te aanschouwen en deel te nemen in
de velerlei ervaringen die een bezoek met zich mee brengt.
Natura Artis Magistra (1838) neemt hierbinnen een bijzondere
plaats in. Het is een typisch 19e eeuwse dierentuin en behoort
tot de oudste dierentuinen van de wereld. Sinds de oprichting heeft Artis
vooral een wetenschappelijke en educatieve functie nagestreefd (het doel
van nagenoeg elk museum). Het verzamelen ten behoeve van de collectie,
alsmede het conserveren, beheren en instandhouden van de collectie, spelen
hierbij een centrale rol. Het hoofddoel blijft het presenteren van de collectie.
In de laatste jaren is Artis een commerciëler beleid gaan voeren.
Het voorzien in de recreatieve behoeftes van bezoekers neemt in belangrijke
mate toe.
In het hedendaagse Artis zijn de verschillende 'fasen'
van ontwikkeling nog terug te vinden in materiële vorm. Daarnaast
bezit Artis een zeer gevarieerde collectie van levende (dieren, planten)
en levenloze (paleontologische, zoölogische, geologische, kunst-)
objecten, en ontwikkelt Artis zich steeds meer richting 'Museum van het
Leven: van Oerknal tot Olifant'. Dit alles maakt Artis tot een uiterst
interessant en complex onderzoeksgebied. Hoewel Artis veel te bieden heeft
(er bevinden zich diverse musea in Artis, waaronder een Planetarium, en
een aantal gebouwen staan op de monumentenlijst), blijkt uit mijn onderzoek
dat bezoekers (1,2 miljoen per jaar) zich vooral aangetrokken voelen tot
de dierencollectie. Deze collectie kent een hoge diversiteit: ongeveer
750 diersoorten en ruim 8000 individuen. Een belangrijk onderdeel van de
Artis-ervaring is, dat de dieren van heel dichtbij kunnen worden benaderd
in een mooie, ontspannende, parkachtige omgeving.
Tot besluit
Ik hoop met het bovenstaande een korte indruk te hebben gegeven van
het fenomeen dierentuin. Dierentuinen zijn geen natuurverschijnselen. Ze
zijn een door de mens gecreëerd iets, instituties die de bron zijn
van twee typen van informatie: culturele en wetenschappelijke. Dierentuinen
blijken bovenal meer te zijn dan de som der delen of de fysieke vorm. Dierentuinen
communiceren culturele waarden en spiegelen tegelijkertijd de waarden die
het publiek met zich meebrengt tijdens het bezoek. De dierentuin fungeert
als theater, sociale arena, rituele 'site', en is een kathedraal vol iconische
(dieren-) beelden en symboliek. De dierentuin is uitgekiend voor een speciaal
soort toerisme. De dierentuin is een plaats waar realiteit wordt getransformeerd
en tegelijkertijd een plaats waar nieuwe realiteiten worden gecreëerd.
(Re)presentaties in de dierentuin zijn zowel exotiserend en assimilerend.
Ambiguïteit doordrenkt de dierentuinervaring. Bezoekers voelen zich
aangetrokken en afgestoten; bezoekers (en het personeel) voelen zowel positieve
als negatieve emoties. Het leven van 'de ander' wordt publiekelijk tentoongesteld
en de kijker heeft daarbij ook zichzelf als onderwerp. In de dierentuin
zijn objecten verheven tot (natuurlijke) kunstwerken. 'Natuur' en 'cultuur'
worden binnen de dierentuin omstreden. Betekenisgeving en -verlening vervullen
hierin een centrale rol. Hoe al deze aspecten in de huidige context worden
geconstrueerd door verschillende 'populaties', vormde de centrale vraag
in mijn onderzoek. Indien u geprikkeld bent door dit stukje om hier meer
over te weten te komen, verwijs ik u naar mijn afstudeerscriptie: Signifying
Zoos and the Zoo Experience.
Ik hoop dat ik hierbij een afdoend antwoord heb gegeven
op de vraag hoe ik tot mijn afstudeeronderwerp ben gekomen en welke betekenis
het onderwerp heeft voor culturele antropologie. Het mag duidelijk zijn
dat de combinatie biologie en antropologie zo vreemd nog niet is. Deze
twee fantastische disciplines, alsook museumkunde, zullen mij ongetwijfeld
blijven boeien. Ik denk dan ook de rest van mijn leven bezig te blijven
met al dat mij dierbaar is.