![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Tragedie in een veranderend Rehoboth
Bram Haanen
'Ons het die land nie van ons voorouers geërf nie, ons leen
dit van ons kinders'
Martha Gille, Rehoboth Museum
Inleiding
De plaats Rehoboth, waar dit onderzoek plaatsvond, ligt in Centraal-Namibië,
zo'n 90 kilometer ten zuiden van de hoofdstad Windhoek. Tot 1990 was het
een autonoom bestuurd gebied in wat toen nog de vijfde provincie van Zuid-Afrika
was. De belangrijkste bewoners zijn de Rehoboth Basters. Hun zeer recente
geschiedenis is vol conflicten en bizarre gebeurtenissen en de toekomst
dreigt er ook zo uit te gaan zien.
Het doel van mijn onderzoek was een groep mensen en hun
gebruik van een deel van de communale grond, het Acacia Park, in het gebied
te bestuderen. Er bleek echter geen gemeenschap in het gebied te zijn en
gaandeweg bleken zo ongeveer de hele gemeenschap en een deel van de regering
met het gebied bezig te zijn. Het onderzoek verschoof dan ook meer naar
de processen en de partijen die met het Acacia Park bezig waren. Hierbij
kwamen een aantal zaken aan het licht, die in de literatuur aangehaald
worden in de discussie over Hardins'
Tragedy of the commons.
Achtergrond van de tragedie van de commons
Hardin (1968) ging uit van een situatie waarbij geen enkele restrictie
aan het gebruik van communale grond, zogenaamde commons, gesteld wordt.
Dit 'open access' idee leidde er volgens hem toe, dat een gemeenschappelijke
weidegrond door het individu misbruikt wordt, omdat de kosten van overbegrazing
niet door hem alleen gedragen worden, maar de opbrengsten wel voor hem
alleen zijn. Het individu zal daarom zoveel dieren toevoegen, dat zijn
privé kosten gelijk zijn aan de opbrengsten. Door het verschil in
privé en sociale kosten worden er in het geval van de commons meer
dieren op hetzelfde terrein gezet dan het geval zou zijn, wanneer het land
prive terrein zou zijn, aldus Hardin (1968). Deze maniervan redeneren leidt
ertoe, dat de herder steeds meer dieren toe zal voegen aan zijn kudde,
iets dat waar is voor alle gebruikers van de commons.
Vroeger kon de natuur een balans bewaren tussen menselijke
en dierlijke populaties en de beschikbare hulpbronnen door oorlog, stropen,
ziekte, droogte en een ongelimiteerd aanbod van land door de (zeer) lage
bevolkingsdruk. In afwezigheid van de eerste drie factoren neemt de bevolkingsdruk
toe op het land, wat weer tot destructie van de hulpbronnen leidt (Hardin,
1968). Er bestaat consensus in de literatuur dat goederen beter beschermd
worden als zij iemands eigendom zijn. Zolang de kosten voor het beschermen
van dit eigendom niet hoger zijn dan de opbrengsten, zal het beschermd
worden tegen indringers (De Groot et al., 1995). Communaal bezit is, het
woord zegt het al, bezit van de gemeenschap. Er is dus geen enkele reden
te veronderstellen dat dit bezit niet verdedigd zal worden tegen misbruik
door leden of gebruik door niet-leden. Ook zijn er regels waar de gebruikers
zich aan dienen te houden. Er zijn legio voorbeelden die bewijzen dat er
wel degelijk een systeem met regels is in een groot aantal commons.
Het ingrijpen door een externe onafhankelijke macht, zoals
Hardin (1968) voorstond, heeft veelal een averechts effect. Het is wat
te makkelijk om dit als bewijs aan te dragen, dat Hardin fout zat met zijn
redenering. Wat Hardin hier wel verweten kan worden, is etnocentrisme.
Hij ging er namelijk vanuit dat de staat en het overheidsapparaat goed
functioneren. In veel ontwikkelingslanden is dit door gebrek aan middelen,
gebrek aan ervaring en door malversaties niet het geval (Migdal, 1988).
De veelal zwakke staten in ontwikkelingslanden maken het onmogelijk opgestelde
regels in de praktijk te controleren op naleving. Hierdoor zal een regime
dat het gemeenschappelijk beheerd bezit zal vervangen, per definitie een
res nullius zijn, zelfs als het officieel res publica is.
Waar dit het geval is, zal Hardins principe van de free rider het
overnemen (De Groot et al., 1995).
Namibië & Rehoboth
Hier kom ik terug bij Rehoboth zoals ik het ervaren heb. De gemeenschap
is sinds de onafhankelijkheid van Namibië haar onafhankelijkheid kwijt
en heeft moeite met de nieuwe situatie. De Rehoboth Basters wonen sinds
1870 in Rehoboth. Hun geschiedenis wordt gekenmerkt door conflicten en
om deze te ontlopen vluchtte men uit de Kaapprovincie van Zuid-Afrika naar
het huidige Namibië. Daar kochten zij van de Swartbooi Nama de grond
waar zij nu nog wonen. Ze beschouwen het dan ook als hun eigendom, ondanks
het feit dat zij met de onafhankelijkheid van Namibië nu een onderdeel
van de Hardap-regio zijn. Het ging zelfs zover, dat een deel van de Basters
de staat voor het gerecht heeft gesleept om het conflict over de grondenrechten
op te lossen. De staat won het proces en de andere elf bevolkingsgroepen
zagen het proces als verraad tegen Namibië. In de praktijk is het
nu voor veel bewoners niet meer duidelijk, wat de status van de communale
grond is. De staat is eigenaar, maar de gemeente moet het beheren. Zo schuift
men ook de verantwoordelijkheid voor het handhaven van de orde in het gebied
op elkaar af.
Er is een ambivalente houding vanuit de Bastergemeenschap
ten opzichte van de staat. Enerzijds heeft men de staat nodig, veel Basters
werken ook in Windhoek, anderzijds wil men de problemen zelf oplossen en
ervaart men het verlies van de zeggenschap over de grond als nederlaag.
De staat zelf heeft moeite om na de recente onafhankelijkheid aan de verwachtingen
van de bewoners te voldoen en worstelt met de verschillende lokale machtscentra
zoals die in Namibië nog bestaan.
De gemeenschap worstelt met de nieuwe situatie. Het is
nu voor niet-Basters ook mogelijk grond in het gebied te bemachtigen en
er is een zeer snel groeiende bevolking. Er vindt op grote schaal migratie
plaats en het zogenaamde Blikkiesdorp in Blok E, het voormalige
township
van Rehoboth, krijgt dagelijks nieuwe inwoners. Deze nieuwe bewoners zijn
vrijwel zonder uitzondering landlozen uit het noorden van Namibië,
die op zoek zijn naar een beter bestaan. Ze bouwen van golfplaten en andere
materialen hun onderkomen en zijn voor brandhout aangewezen op de communale
gronden. De meeste grond in Rehoboth is echter privé grond. Hierdoor
komt er een onevenredige druk op de commons in de buurt, waaronder het
genoemde Acacia Park. Zoals hierboven beschreven is er onduidelijkheid
over de status van het Acacia Park: er vindt nu bewoning van het gebied
plaats zonder toestemming van de gemeente en er wordt op grote schaal hout
gekapt. Dit gebeurt met name door de bewoners van Blok E, die voor hun
levensonderhoud zijn aangewezen op dit gebied. Hoewel sommigen weten dat
het kappen van bomen verboden is, hebben zij geen keuze. Hun armoede en
het feit dat de Basters zwarten (nog steeds) als minder beschouwen, maken
dat zij geen alternatieven hebben.
Om het gebied te beschermen heeft het Museum van Rehoboth
geprobeerd via de gemeente het gebied te proclameren als natuurpark. In
het gebied zijn een aantal belangrijke archeologische vindplaatsen en de
begroeiing is uniek voor Zuidelijk Afrika. De gemeente zit echter in haar
maag met de bevolking en heeft geen alternatieven. Het feit dat er pas
sinds vijf jaar een gemeente is, maakt dat ze in de praktijk nog zoekende
is naar de rol die ze dient te spelen. Dit zorgt voor extreem langzame
besluitvorming en men probeert de problemen zoals die er zijn, over de
regeerperiode heen te tillen. Er is een hoge werkloosheid, drank- en drugsgebruik
zijn een probleem, evenals geweld, en het aantal misdrijven stijgt explosief.
Dit zijn voor de gemeente problemen die belangrijker zijn dan het Park.
De staat heeft ook plannen met het gebied. Zo wil men het gebruiken voor
de opslag van water en wil ook de staat het beschermen. Doel van de staat
is van iedere soort vegetatie-type in Namibië een deel te beschermen.
Het Acacia park valt onder de soorten die nog niet beschermd worden. Er
zijn nog een aantal particulieren die het gebied willen gebruiken, en er
vindt houtkap plaats vanuitWindhoek. Al deze mensen gebruiken dit gebied
en in de praktijk heerst dan ook een soort anarchie in het gebied. Met
andere woorden, de theorie van Hardin komt hier toch uit. Hoewel het hier
officieel gaat om communaal beheerde grond met duidelijke toegangs- en
gebruiksregels, blijkt dat door armoede en groeiende bevolkingsaantallen
deze regels in de praktijk met voeten getreden worden.
Tot slot
Door gebrekkig optreden van staat en gemeente en door de afwachtendheid van andere partijen ontstaat een situatie van onzekerheid. De staat is nog zoekende naar haar funktie in de gemeenschap, de gemeente ook, en de nieuwe bewoners moeten op zoek naar een bron van inkomsten. Zelfs als dit gebied officieel beschermd zou gaan worden, zie ik niet in, hoe dit in de praktijk ooit gaat lukken. Zolang de armoedespiraal waarin de bewoners van met name Blok E en het Park zelf zitten, niet doorbroken wordt en er geen investeringen van buiten plaatsvinden, zal dit gebied niet beschermd kunnen worden. De onzekerheid, armoede en toenemende bevolkingsaantallen zorgen voor een groeiend aantal mensen dat weinig meer te verliezen heeft. Deze zullen zich dus niet storen aan eventuele regels, omdat er geen alternatief is. De gemeente kijkt toe en vindt dat de staat in moet grijpen; de staat denkt precies het omgekeerde. De afwachtende houding van de gemeente kan ook toegeschreven worden aan een andere oorzaak. Als men het gebied als natuurreservaat proclameert, moeten de bewoners verhuisd worden en het gebied effectief beschermd. Dit brengt een hoop nieuwe problemen met zich mee in een gemeenschap die al een hoop problemen heeft.
Literatuur
Hardin, G., 'The Tragedy of the Commons.' In: G. Hardin
& J. Baden (eds.) (1977), Managing the Commons. San Francisco:
M.H. Freeman & Co, 1968, pp. 16-30.
Migdal, J.S., Strong Societies and Weak States: State-Society
Relations and State Capabilities in the Third World. New Jersey: Princeton
University Press, 1988.