Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Zij denken dat zij het weten

Utrechtse jongeren over het WijkJongerenPerspectief

Saskia Janssen


Evaluatie van het WijkJongerenPerspectief

Mijn afstudeeronderzoek was een onderdeel van een groter beleidsgericht evaluatieonderzoek. Dat onderzoek werd in opdracht van de Gemeente Utrecht uitgevoerd door onderzoekers van de vakgroep 'Jeugd, Gezin en Levensloop' van de Universiteit Utrecht1 en is inmiddels afgerond. Het ging om evaluatie van het zogenaamde project 'WijkJongerenPerspectief' (WJP). Dit project kan gezien worden als een uitgebreid sociaal plan om de leefsituatie van jongeren in de verschillende wijken in Utrecht te verbeteren met als hoofddoelstelling: 'het voorkomen en bestrijden van marginalisering en achterstand bij (allochtone) jongeren'. Het project WijkJongerenPerspectief werd in 1994 gestart door de Gemeente Utrecht, omdat de problematiek rondom jongeren groter leek te worden. Die problematiek kwam vooral tot uiting in een toenemende schooluitval, werkloosheid, criminaliteit, overlast en verslaving onder jongeren. In het kader van dat WijkJongerenPerspectief zijn een groot aantal projecten gestart om de problemen van jongeren op een nieuwe manier aan te pakken. Die nieuwe aanpak was vooral de wijkgerichte aanpak en de samenwerking tussen de verschillende instellingen die betrokken zijn bij de problematiek van jongeren, zoals het onderwijs, de politie en het jongerenwerk. Er waren vijf speerpunten waar de projecten zich op richtten:

  1. Criminaliteitspreventie. Criminaliteitspreventie wordt binnen het WJP vooral opgevat als een activiteit waarbij men zich direct richt op het potentieel ongewenste gedrag van de jongeren. Door middel van voorlichting op scholen en door middel van diverse soorten van (opbouwende) contacten tussen politie en jongerenwerkers enerzijds en de jongeren anderzijds, wil men dit gedrag voorkomen en afwenden. Criminaliteitspreventie is tegelijkertijd ook steeds een indirect doel van de overige WJP-projecten.
  2. Jeugdhulpverlening. Centraal binnen dit speerpunt staat de vorming van hulpverleningsnetwerken. De vorming van die netwerken heeft vooral als doel de verschillende disciplines die zich met de jongeren bezig houden in overleg met elkaar te brengen en voor een sluitende aanpak te zorgen. Ook binnen de andere speerpunten vinden er activiteiten plaats die onder deze noemer zijn in te delen.
  3. Opvoedingsondersteuning en ouderparticipatie. Binnen dit speerpunt ligt de nadruk op het benaderen van de jongere in zijn of haar gezinssituatie en het bereiken van de ouders. Het gaat hier met name om projecten waarbij allochtone ouders betrokken worden op de leefwereld van hun kinderen: de school en de buurt.
  4. Onderwijs en arbeid. De onderwijs- en arbeidsprojecten van het WJP richten zich op het tegengaan van vroegtijdige schoolverlating door jongeren en het begeleiden van jongeren naar arbeidstrajecten. De ondersteuning van leerlingen in het onderwijs vindt met name plaats door huiswerkgroepen, naschoolse activiteiten die voornamelijk in jongerencentra en buurthuizen plaats vinden en die gericht zijn op het begeleiden van de leerling in het maken van zijn of haar schooltaken.
  5. Vrijetijdsbesteding. Binnen dit speerpunt staan een aantal thema's centraal, namelijk: het creëren van jongerenontmoetingsplekken (JOP), het sportjongerenwerk, de activiteiten binnen de jongerencentra, jongereninformatiepunten (JIP) en jongerencultuurprojecten.
Het gehele evaluatieonderzoek vond plaats in verschillende fases en had betrekking op verschillende niveaus. Zo is er onderzoek gedaan op beleids- en bestuursniveau, op uitvoeringsniveau, op doelgroepniveau, op speerpuntniveau en op wijkniveau. Van het onderzoek op de verschillende niveaus is verslag gedaan in vijf zogenaamde WJP-tussenrapportages. In april 1998 is de eindevaluatie van het Utrechtse Wijkjongerenperspectief verschenen, Vernieuwend Cement genaamd.2 Mijn onderzoek maakte deel uit van het onderzoek op doelgroepniveau en had betrekking op de jongeren die deelnamen aan verschillende WJP-projecten. Omdat er bij de aanvang van het WJP nog geen overeenstemming bestond over wat nu precies de doelgroep van het WJP zou moeten zijn, was deze in feite zeer breed gedefinieerd en varieerde van probleemjongeren die overlast veroorzaken, tot meisjes die geen overlast veroorzaken, maar toch problemen hebben. Het betrof zowel autochtone als allochtone jongeren in de leeftijd van elf tot en met twintig jaar, maar over het algemeen had het onderzoek geen betrekking op de meest gemarginaliseerde jongeren.
   De doelstelling van mijn onderzoek was al vastgesteld door de evaluatiewerkgroep, waar ik het onderzoek voor heb gedaan. Die algemene doelstelling was om inzicht te krijgen in de mening van jongeren over zes projecten van het WijkJongerenPerspectief en in hoeverre de jongeren tevreden waren over deze projecten. De achterliggende gedachte hierbij was om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de plaats die een project inneemt in de leefwereld van deze jongeren om te kijken of die WJP-projecten er ook bij aansluiten. Zelf heb ik die vraagstelling uitgebreid door de ervaringen van de jongeren met de WJP-projecten meer te koppelen aan de rol die deze projecten werkelijk kunnen spelen bij het tegengaan van marginalisering van jongeren. Het ging om de volgende projecten. Het gaat te ver om per project de resultaten te bespreken. Daarom zal ik eerst kort de belangrijkste bevindingen op basis van de gesprekken met de jongeren over een aantal projecten noemen en wat uitspraken van de jongeren citeren, omdat deze vaak kernachtig aangeven waar het om gaat.
   Veel jongeren gaven tijdens het onderzoek te kennen, dat zij het belangrijk vinden om serieus genomen te worden, dat er naar hen geluisterd wordt, dat ze betrokken worden bij beslissingen die betrekking hebben op hun eigen directe leefomgeving en dat er aandacht is voor hun problemen. Binnen de meeste WJP-projecten hebben de jongeren dan ook de betrokkenheid van de projectuitvoerders, zoals jongerenwerkers of hulpverleners, bij hun problematiek ervaren. Met name de jongeren die overlast veroorzaakten in bepaalde buurten en daardoor in conflict kwamen met overige buurtbewoners, gaven aan dat de WJP-projecten ertoe geleid hebben, dat ze een beter contact hebben gekregen met die buurtbewoners. De meeste jongens vonden het namelijk vervelend, dat ze door de buurt alleen maar als 'criminelen' werden gezien en in hun ogen alleen maar op een negatieve manier benaderd werden. Vooral de Marokkaanse jongens hadden veel te maken met vooroordelen. Een van de Marokkaanse jongens uit de, in het kader van het WJP opgerichte jongerencommissie zei bijvoorbeeld het volgende over de problemen met buurtbewoners.
"Zij denken dat wij er juist staan om hun lastig te vallen of dat dachten ze, dat we het daarom deden, maar dat is niet zo. Wij wilden gewoon een plek hebben waar we rustig konden kletsen en een balletje trappen. Zij dachten ... stelletje criminelen en dat we geen respect hebben voor ouderen, maar dat is helemaal niet zo ... ze kennen ons helemaal niet ... ze bekijken ons alleen maar op hun manier ... maar wij hebben ook ons leven ... je ken moeilijk verwachten dat jongens van 15 of zo thuis gaan zitten ... ze gaven ons overal de schuld van ... vandalisme ... dat soort dingen. Ik geef toe dat we wel eens luidruchtig waren, maar we kwamen daar eigenlijk alleen maar om een beetje te kletsen. Ik begrijp dat, als je daar in die flat woont, dat je er last van hebt, maar ze begonnen meteen te schelden en dan denk je: waarom zou ik weggaan? Ik woon hier toch ook ... ze kunnen het toch ook op een gewone manier zeggen. Een heleboel mensen denken te weten wat er allemaal gebeurt, maar ze kennen ons helemaal niet. Maar wij maken het allemaal mee ... dus wij weten het ... want wij wonen hier al veel langer."
Tot aan het begin van de oprichting van de jongerencommissie was er nooit sprake van enige communicatie tussen de Marokkaanse jongens in de wijk en de overige buurtbewoners. Dat wil zeggen, geen positieve. In negatieve zin wel, namelijk in de vorm van ruzies en scheldpartijen. Dit kwam voornamelijk door het negatieve beeld dat beide groepen van elkaar hadden. De buurtbewoners zagen de jongens alleen maar als brutale jongens, zonder respect voor ouderen, waar niet mee te praten valt. De jongeren zagen, op hun beurt, de buurtbewoners als onredelijke mensen, die geen begrip voor hun situatie konden opbrengen. Verder hadden de jongeren een houding van: 'dit is onze plek en wij wonen er het langst, dus we laten ons niet wegjagen'. Die wederzijdse negatieve beeldvorming en deze houding van de jongeren stonden een normale communicatie in de weg.
   Door het oprichten van de jongerencommissie is er een positieve communicatie mogelijk geworden met de buurtbewonerscommissie. Tijdens de eerste bijeenkomsten kregen beide groepen de mogelijkheid om hun mening te geven over de bestaande situatie en hun klachten op tafel te leggen. Hierbij kwam eveneens aan de orde, hoe beide groepen over elkaar dachten. Misverstanden werden uit de weg geruimd en er werd een open sfeer gecreëerd voor verder overleg over de aanpak van de problemen, aldus de jongeren en de migrantenopbouwwerker. De jongens gaven aan, dat de negatieve wederzijdse beeldvorming plaats heeft gemaakt voor wederzijdse erkenning en begrip. Volgens hen is er veel bereikt.
"We hebben veel bereikt ... we hebben wat we willen ... erkenning en respect. Na de eerste keer praten met de Buurtbewonerscommissie waren er in een keer weer bewoners die 'dag' zeiden en zo ... en dat motiveert natuurlijk ook; dan denk je, nou daar gaan we mee door. Als ze je de volgende dag nog niet aankijken, dan denk je ook, waarom zou ik wat doen? Nu hebben ze (de buurtbewoners), zeker weten, een beter beeld van ons. Na de eerste bijeenkomst met de Bewonerscommissie zei die vrouw al ... ik heb een heel andere kijk op jullie gekregen ... terwijl zij juist altijd degene was die zo liep te schelden ..."
De meeste jongens gaven aan, dat verveling een van de belangrijkste oorzaken is van de overlast die ze veroorzaken. Met name voor de jongens leek te gelden, dat ze behoefte hebben aan een eigen plek in de wijk, waar ze elkaar kunnen ontmoeten; ze hebben dringend behoefte aan eigen ruimte. Het zijn dan ook niet alleen de probleemjongeren die op straat hangen. Maar de jongens gaven wel aan dat, als er weinig te doen is voor hen, de verveling al snel toeslaat, wat tot gevolg heeft dat ze kattekwaad of erger uithalen. Jongens in Utrecht-Oost waren bijvoorbeeld voortdurend bezig met het uitdagen van buurtbewoners. De jongeren zeggen het volgende over de situatie, voor- en nadat er een jongerenontmoetingsplek voor en door hen is gerealiseerd, in het project 'Jongerenopbouwwerk' in Utrecht-Oost.
"Wat slopen en zo ... dat werd door een paar gedaan ... Ja, ik niet hoor, maar een paar anderen. Brievenbussen opblazen ... lantaarnpalen hingen half uit de grond ... deurbellen opblazen met strijkers ... De politie is daarvoor vaak opgetreden. Vroeger hingen we ook in de hallen ... mensen lastig vallen. Boven en beneden in de hal zat een deur en die deden we allebei dicht; dus die mensen konden er niet meer uit. Op het laatst kregen we een bekeuring ... toen stonden we bij die man voor de deur ... die werd het te veel onder zijn afdak. Ik zei al, we gaan, de politie komt zo. De mensen klaagden, en zo. Toen kregen we een boete. Toen kreeg ik op m'n flikker van mijn moeder ... 70 piek is niet niks, natuurlijk. We hebben toen ook gevochten met de buurt ... want als wij iets deden, gingen ze meteen naar de politie ... Als er wat is, moeten ze dat gewoon tegen ons zeggen ... als het tenminste normaal gebeurt."
   "Maar nu hebben we tenminste iets; we maken ons nu niet druk met anderen; nu kan iedereen goed met de buurtbewoners omgaan ... Je komt nu minder in aanraking met de politie ... Het was wel spannend ... maar we zijn nu blij met onze nieuwe plek ... We gaan niet meer voor het ruzie zoeken ... Toen was het uitdagen ... nu denken we: laat ze maar ... Dat komt ook door die plek ... je mag nu tenminste ergens staan ... voor die tijd mochten we nergens staan; daarom is het dat we niet meer ruzie opzoeken."
Zowel het project 'jongerencommissie' als het 'opbouwwerk in Utrecht-Oost' hebben goede resultaten geboekt op het gebied van jongerenparticipatie en hebben er in ieder geval voor gezorgd, dat jongeren betrokken raakten bij hun directe leefomgeving. In beide gevallen heeft dit concreet ertoe geleid, dat de overlast die de jongens veroorzaakten, is afgenomen en dat de jongeren een eigen plek in de wijk hebben gekregen. Een minder zichtbaar resultaat van deze projecten is, dat de jongeren positief benaderd worden en ondersteund worden in het kenbaar maken van hun eigen wensen.
   Het hele WJP-project heeft uiteindelijk vooral een preventieve functie gehad. Het ging erom jongeren en soms ook de ouders op een positieve manier te betrekken bij hun leefomgeving om op die manier te voorkomen, dat ze het 'verkeerde pad opgaan'. De echte harde kern van jongeren die veel overlast veroorzaken en zich al in het criminele circuit bevinden, zijn nauwelijks bereikt met de projecten. Het blijkt een erg moeilijk bereikbare groep te zijn. Voor deze harde kern van probleemjongeren is inmiddels een nieuw project gestart, gericht op een hardere aanpak van crimineel gedrag.

Beperkingen van evaluatieonderzoek

De evaluatiewerkgroep die verantwoordelijk was voor de uitvoering van het onderzoek, had met de evaluatie op doelgroepniveau vooral voor ogen, dat de jongeren zelf ook eens betrokken zouden worden bij dit soort beleidsgericht evaluatieonderzoek, omdat dit vaak niet gebeurt. Het leuke was, dat mijn onderzoeksresultaten daarom ook zijn opgenomen in een van de verschillende evaluatierapportages. Een nadeel van het uitvoeren van een onderzoeksopdracht als deze was in mijn ogen, dat je slechts beperkte tijd krijgt. Als onderzoeker heb je te maken met een planning die van te voren vaststaat. Binnen drie maanden moest er een evaluatierapport op tafel liggen. Het onderzoek naar de meeste projecten heeft dus binnen een kort tijdsbestek plaats gevonden. De meningen van de jongeren hebben daarom vooral betrekking op, hoe op dat moment het WJP-project voor hen van betekenis is. Wat dit betreft, moet er kritisch gekeken worden naar de resultaten. In de gevallen waar het onderzoek wel langere tijd bestreek, zoals bij 'Huiswerkklas Sterrenwijk'3, is bijvoorbeeld gebleken dat het soms moeilijk is om jongeren voor langere tijd te binden aan een WJP-project. Om de betekenis van de WJP-projecten voor jongeren op langere termijn te evalueren zou het zinvoller zijn om deze jongeren voor een langere tijd 'te volgen'.
   Vanwege deze beperking heb ik uiteindelijk besloten om na het verschijnen van de evaluatierapportage het onderzoek verder uit te breiden. Tijdens het onderzoek naar het project 'Marokkaanse jongens en meiden op het Prismacollege' raakte ik zeer geïnteresseerd in de problematiek van met name de Marokkaanse meisjes, omdat deze in vergelijking met die van de Marokkaanse jongens relatief onzichtbaar is. Bij probleemjongeren wordt namelijk vaak als eerste gedacht aan jongens en de overlast die ze veroorzaken. De meisjes binnen de WJP-projecten veroorzaken in het algemeen dan wel minder overlast, maar ook voor hen kunnen de WJP-projecten van grote betekenis zijn.

Marokkaanse meisjes in een WJP-project

Het doel van het project 'Marokkaanse jongens en meisjes op het Prismacollege' was het voorkomen en tegengaan van schoolverzuim en -uitval onder Marokkaanse leerlingen. Om dit te bereiken zijn er op deze school twee Marokkaanse consulenten aangesteld, een voor de jongens en een voor de meisjes. In dit project worden voornamelijk Marokkaanse meisjes bereikt, die op laag niveau onderwijs volgen en die het risico lopen om voortijdig van school af te gaan. Bij deze meisjes bleek dat probleemgedrag en spijbelen op school slechts signalen zijn voor een diepere, achterliggende en minder zichtbare problematiek.
   Bij deze Marokkaanse meisjes speelt een complex van factoren een rol, wat hen kwetsbaar maakt voor voortijdige schooluitval. Volgens de Marokkaanse consulente voor de meisjes is dat onder andere het gevolg van het ontbreken van een bepaalde structuur in de opvoeding; ze krijgen van thuis uit weinig begeleiding en tegelijkertijd ontbreekt op school vaak het inzicht in de culturele achtergrond van de problematiek van deze meisjes en is er weinig begrip voor hun situatie. De consulente was van mening, dat vooral Marokkaanse meisjes kwetsbaar zijn, omdat ze vaak moeite hebben om 'het Marokkaanse' met 'het Nederlandse' te combineren, waardoor ze vaak onder grote druk staan. Dit heeft nogal eens gevolgen voor hun schoolprestatie of motivatie.
   Je zou kunnen spreken van culturele verwarring of het leven in twee werelden bij veel Marokkaanse meisjes. Deze verwarring speelt eigenlijk op elk terrein in het leven van Marokkaanse meisjes een rol en betekent, dat zij zich vaak in allerlei bochten moeten wringen om overeenstemming te bereiken tussen hun eigen wensen, die van de ouders, de school en hun leeftijdsgenoten. Dit is met name het geval, als de meisjes van thuis uit te strak gehouden worden aan de grenzen van de allochtone cultuur. Het gevaar bestaat, dat de meisjes geïsoleerd raken en te weinig kunnen participeren in de leefwereld van de jongeren. Het kan ook het geval zijn, dat Marokkaanse meisjes juist te vrij worden gelaten in het omgaan met 'de Nederlandse cultuur'. Dit kan tot gevolg hebben, dat ze vaak moeite hebben om de grenzen van hun eigen gedrag te bepalen, waardoor ze met zichzelf of hun omgeving in conflict komen. Dit brengt voor veel meisjes nogal wat psychische spanningen met zich mee. De Marokkaanse consulente zei hierover het volgende.

"Het belangrijkste is dat, denk ik, die meisjes hun eigen identiteit kwijt raken of niet meer weten wat wel en wat niet kan ... van wat wel en niet hoort in de Marokkaanse cultuur ... dat ze al die dingen zo verwarren, dat ze het eigenlijk niet meer zien zitten ... Heel vaak heb je dus meisjes die gestressed zijn en bepaalde lessen verwaarlozen. Alleen, ik vind bepaald gedrag bij meisjes ... die kennen ook weer geen grenzen ... ja ... die zijn helemaal doorgeslagen; die denken nergens anders aan dan aan hun uiterlijk en de jongens op straat versieren ... Op zich komen ze vaak uit traditionele gezinnen. De meeste lopen er zo vaak stiekem bij qua kleding en make-up ... dat merk je ook ... het gaat om het bloot, hè ... hoe bloter, hoe beter. Het heeft ook te maken met onzekerheid ... als je minder vrijheid van thuis hebt, heb je meer de neiging om te gaan experimenteren en waar kan het? Alleen op school ... want ze kunnen nergens anders heen of ze moeten gaan spijbelen. Het is hun keuze dan, hè ... even laten zien dat ik anders ben ... effe ontkennen dat ze die tradities hebben thuis en willen laten zien van: 'ik ben heel modern ... ik mag alles van mijn ouders', terwijl dat helemaal niet zo is ... ze moeten vaak de schijn ophouden. Het levert ook psychische problemen op ... want in het begin beginnen ze met die make-up ... verzorging, en dat is allemaal mooi ... totdat ze een jaar of 15, 16 zijn; dan lopen ze tegen een muur aan van: wij zitten hier nog steeds op school ... zoveel eruitgestuurd, zoveel ruzies op school, zoveel ruzies thuis ... zo'n perspectief ... dat ze het dan niet meer zien zitten van: eh wat nu? ... van we hebben niks ... het is zo'n zonde ... en hun ouders vinden hen vaak ook slecht ... vaak worden ze uitgescholden voor hoer ... van ja, je stelt niks voor ... je bent een slecht meisje ... dat is heel triest is dat ... dan krijgt ze dus een minderwaardigheidscomplex. Door al die leugens die ze zelf vertellen, lopen ze in dat kringetje maar rond ... fantaseren ... een soort onwerkelijkheid, fantasie ... sommige meisjes hebben zoveel fantasie ... dat je denkt van: hé dat klopt ... meisjes die moeten thuis iets verzinnen ... ze moeten tegen de vriendinnen iets verzinnen ... ze moeten tegen de docenten iets verzinnen ... en tegen de vriendjes ... doordat je steeds die leugens vertelt ... kom je jezelf wel tegen ... je gaat je steeds meer inleven; je gaat steeds meer leugens vertellen ... ze gaat zelf erin geloven ... en die ogen van zo'n meisje ... die leven niet meer ... het gezicht zie je ook ... dan denk je van: goh, doe normaal, maar dat kan ze niet meer ... ze kan niet vertellen hoe het werkelijk met haar gaat ... ze is helemaal vervreemd van zichzelf ... dat is zo extreem."
Hoewel de taak van de Marokkaanse consulente in eerste instantie was om het schoolverzuim bij Marokkaanse meisjes tegen te gaan, is tijdens het onderzoek gebleken dat haar activiteiten voor de meisjes een veel grotere reikwijdte hebben gehad dan alleen het voorkomen van schoolverzuim. De begeleidingscontacten van de consulente met de Marokkaanse meisjes droegen ook het karakter van bewustwording over hun eigen leven en hun cultuur en waren erop gericht om de meisjes te helpen bij het maken van keuzes die betrekking hebben op die gebieden van hun leven, waarin hun Marokkaanse achtergrond in conflict komt met hun eigen wensen of de verwachtingen van de Nederlandse samenleving.
   De Marokkaanse meisjes in dit WJP-project zelf hebben aangegeven, dat de aanwezigheid van een Marokkaanse consulente op school, die hun taal spreekt en bekend is met hun culturele achtergrond, voor hen vooral tot gevolg heeft gehad, dat hun problematiek bespreekbaar is geworden. Tijdens gesprekken met Marokkaanse meisjes over de activiteiten van de consulente bleek, dat zij erg positief waren over het feit dat ze eindelijk met iemand konden praten. Zij benadrukten, dat vooral de vertrouwensband met de consulente erg belangrijk voor hen was, omdat zij niet snel naar buiten komen met hun problemen. Een van de Marokkaanse meisjes die intensief begeleid is door de consulente, zegt daarover het volgende.
"Ik kropte ook alles op voor mezelf; ik vertelde nooit iets, ook niet aan mijn vader en moeder. Ik had problemen met een jongen en mij; ik was bij mijn ouders weg ... ik was bij mijn broer ... ik had zelf problemen gemaakt. Ik ging te ver ... ik wist niet meer wat ik aan het doen was; ik snapte het ook niet en daar zat ik de hele tijd aan te denken ... ik kreeg steeds meer hoofdpijn ... mijn ouders zeiden wel: 'zand erover', maar dan ging ik weer naar school en dan ging ik maar weer naar huis, want dan moest ik er weer de hele tijd aan denken en vooral 's avonds. En ik had geen zelfvertrouwen; ik wist niet meer wat ik aan het doen was. Het was dat ik zelf heel veel na moest denken ... het was een probleem dat ik zelf gemaakt had, daardoor ... vooral 's avonds, dan ging het slecht ... dan moest ik steeds terug denken wat er was gebeurd ... allemaal stress, weet je ... daardoor kreeg ik het allemaal ... dat ik alles op school saai vond ... ja ... en dat ik opeens niemand op school meer mag ... ik vond het allemaal niet meer leuk ... ook in de klas ... geen interesse ... als we met zijn allen gingen praten en als de anderen allemaal iets leuks gingen doen ... ik had nergens zin meer in ... ik bleef thuis en ik dacht dat ik misschien maar beter van school af kon gaan ... ik wilde alleen rust aan mijn hoofd ..."
   "Sinds dat ik bij haar kwam, luchtte dat heel erg op ... ze maakt iemand ... dat je er niet meer de hele tijd aan hoeft te denken ... het lucht wat op. Ik had veel vertrouwen in haar ... je kan haar gewoon vertrouwen ... ze houdt alles voor zich, want ze weet ook veel van andere meisjes, maar dat vertelt ze niet ... ook omdat zij Marokkaanse is, weet ze meer dingen van ons ... omdat zij Marokkaanse is, denk ik, dat de meeste meisjes haar meer vertrouwen ... de meeste Marokkaanse meisjes durven niet te praten met Nederlanders ... die zijn bang en ze weet meer over de Marokkaanse cultuur ... we begrijpen elkaar ook sneller."
Het 'onzichtbare' van de problematiek van Marokkaanse meisjes lijkt niet alleen het gevolg te zijn van het feit, dat zij niet snel laten merken dat ze problemen hebben, maar zit hem ook in het feit, dat er bij meisjes minder sprake is van gedrag dat negatieve gevolgen heeft voor anderen. Het zijn namelijk vooral de jongens die op straat hangen, die agressief zijn of drugs gebruiken. Jongens zijn vaker een last voor hun omgeving en meisjes niet. Daardoor worden problemen en moeilijkheden waar Marokkaanse meisjes mee te maken hebben, misschien eerder over het hoofd gezien. In een WJP-project als dit wordt dit voorkomen.

Noten

1 Tegelijkertijd met het begin van de uitvoering van het project 'Wijkjongerenperspectieven' (WJP) is er voor de evaluatie van dit project een Werkgroep Evaluatie WJP in het leven geroepen. Onderzoekers van de Vakgroep 'Jeugd, Gezin en Levensloop' van Universiteit Utrecht waren als leden van deze werkgroep verantwoordelijk voor de uitvoering van het evaluatieonderzoek.
2 Voor de exacte gegevens over deze verschillende rapportages van de Werkgroep Evaluatie WJP verwijs ik naar de literatuurlijst van dit artikel.
3 Ik ben een jaar als vrijwilliger werkzaam geweest in de huiswerkklas in Sterrenwijk, waardoor ik het project langdurig kon volgen.

Literatuur

Anker, A. e., Moeilijke jeugd: naar een samenhangend aanbod van zorg en welzijn voor jongeren met meervoudige problemen. Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Utrecht: SWP, 1994.
Ankoné, E.C.M. & N. Verkoren-Hemelaar, Turkse en Marokkaanse meisjes en wat het sociaal-cultureel werk voor hen kan betekenen. Afdeling onderzoek gemeente Utrecht, 1987.
Berge ten, E., Meisjes in de knel: vraag en aanbod in het agogisch werken met maatschappelijk geïsoleerde meisjes. Amsterdam: UVA, 1995.
Brouwer, L., Meiden met lef: Marokkaanse en Turkse wegloopsters. Amsterdam: VU uitgeverij, 1997.
Hoek, J. van der & M. Kret, 'Marokkaanse tienermeisjes in het gezin'. In: A. v/d Keulen & A. Hol/projectbureau Mutant (red.), De toekomst ligt op straat? Allochtone jongeren tussen thuis, buurt en school. Utrecht: SWP, 1993.
Vries, M. de, Ogen in je rug: Turkse meisjes en jonge vrouwen in Nederland. Alphen a/d Rijn/Brussel: Samsom, 1987.
Werdmölder, H., Een generatie op drift: de geschiedenis van een Marokkaanse randgroep. Arnhem: Gouda Quint, 1990.
Winter, M. de & I. van Lieshout, Tussenrapportage 1: WJP-evaluatie op beleids- en bestuursniveau. Gemeente Utrecht, 1996.
Winter, M. de & I. van Lieshout, Tussenrapportage 2: WJP-evaluatie op uitvoeringsniveau. Gemeente Utrecht, 1996.
Winter, M. de & I. van Lieshout, Tussenrapportage 3: WJP-evaluatie op doelgroepniveau. Gemeente Utrecht, 1997.
Winter, M. de & I. van Lieshout, Vernieuwend cement: eindevaluatie van het Utrechtse Wijkjongerenperspectief. Gemeente Utrecht, 1998.

vorige naar index volgende