![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Mother and Child Health Workers in Nepal
Een onderzoek naar het functioneren van MCHW's in Dolakha en Ramechhap
Gerda Woltjer
In juli 1998 vertrok ik naar Nepal om mijn veldwerk te doen. Na een
eindeloze hoeveelheid brieven naar de meest uiteenlopende organisaties
kon ik plotseling terecht bij een Zwitserse ontwikkelingsorganisatie, de
"Swiss agency for Development and Cooperation" (SDC). Eén
e-mailtje had ik ontvangen op mijn brief aan SDC, dat ze erg geïnteresseerd
waren in mijn onderzoeksvoorstel en daarna ... niets.
Niet wetende of ik nog wel werd verwacht, liep ik naar
het hoofdkantoor van SDC in Kathmandu. Vanaf dat moment ging alles in een
sneltreinvaart. SDC wist van mijn komst en mijn Nepalese begeleider had
zijn team al voorbereid. Mijn onderzoeksopzet werd in een razend tempo
besproken: wat wilde ik, wat is mogelijk, hoe wil ik het onderzoek uitvoeren
en ... wat is eigenlijk antropologie? In deze case zal ik in het
kort uitleggen wat ik heb onderzocht, waarbij de nadruk zal liggen op de
ervaringen die ik tijdens het onderzoek heb opgedaan.
Aanleiding en relevantie van het onderzoek
Een van de belangrijkste speerpunten van het Nepalese gezondheidszorgbeleid
is de verbetering van de gezondheid van vrouwen en kinderen. De lage status
van vrouwen in de Nepalese samenleving heeft tot gevolg, dat veel vrouwen
nauwelijks toegang hebben tot onderwijs en gezondheidszorg. Ondanks de
pogingen van de overheid om de toegang tot en de kwaliteit van gezondheidszorg
voor vrouwen te verbeteren worden rurale gezondheidszorgfaciliteiten weinig
benut door vrouwen.
Een van de gevolgen van de lage consumptie van gezondheidszorg
is een extreem hoge zuigeling- en kindersterfte: ongeveer 118 van de 1000
levend geboren zuigelingen worden niet ouder dan 5 jaar (NFHS, 1996). Daarnaast
sterven jaarlijks meer dan 530 vrouwen per 1000 levend geboren zuigelingen
tijdens of net na de bevalling (DoHS annual report, 1996/97). Opvallend
is echter, dat veel van deze sterfgevallen voorkomen hadden kunnen worden,
wanneer de juiste medische zorg aanwezig was geweest.
Om medische zorg te garanderen voor de afgelegen gebieden
benadrukt het Nepalese gezondheidszorgsysteem de zorg op dorpsniveau, vanwaar
patiënten doorverwezen kunnen worden naar hogere niveaus van gezondheidszorg.
Binnen dit systeem ligt de nadruk op preventie en niet op behandelen, met
als achterliggende gedachte: "voorkomen is beter (en goedkoper!) dan genezen".
In ieder deeldistrict staat één sub-health
post, die de omliggende dorpen van basisgezondheidszorg moet voorzien,
zoals vaccinaties, moeder- en kindzorg, anti-conceptie, behandeling van
veel voorkomende ziektes en wondbehandeling. Daarnaast geven gezondheidswerkers
voorlichting over gezonde voeding, persoonlijke hygiëne en de preventie
van infectieziektes en seksueel overdraagbare ziekten. Een van de belangrijkste
taken van gezondheidswerkers in de sub-health post is het signaleren
van problemen en het doorverwijzen van patiënten naar de juiste instanties.
De gemiddelde loopafstand tot een sub-health post is ongeveer 1,5
tot 2 uur, maar dit kan uitlopen tot 5 uur.
Op dorpsniveau zijn twee locale gezondheidswerkers actief:
de village health worker
(VHW) en de mother and child health
worker (MCHW). Hun leidinggevende is de auxilairy health worker,
de manager van de sub-health post. De MCHW is pas vanaf 1992 geïntroduceerd
als vrouwelijke compagnon van de, veelal mannelijke, village health
workers, die al geruime tijd functioneren binnen het rurale gezondheidszorgsysteem.
Gezien het feit dat er nog nauwelijks onderzoek is gedaan naar het functioneren
van deze nieuwe gezondheidswerkers en het beleid omtrent MCHW's momenteel
volop in ontwikkeling is, wilde ik onderzoeken hoe 'mother and child health
workers' functioneren en welke factoren hun functioneren belemmeren.
De tolken
Een van de belangrijkste voorwaarden voor het slagen van mijn onderzoek
was het vinden van een goede tolk. Bovenaan de lijst van belangrijke eigenschappen
van de tolk stond, dat het een vrouw moest zijn, die goed Engels sprak
en in staat zou zijn interviews af te nemen. Door SDC werd daar nog één
eigenschap aan toegevoegd: de tolk zou uit het onderzoeksgebied moeten
komen, omdat verschillende dorpen in Dolakha en Ramechhap zouden worden
bezocht. Het vinden van een lokale, vrouwelijke tolk was een onmogelijke
zaak. Een van de medewerkers van SDC ging voor mij op zoek en selecteerde
drie jongens. Hij had drie jongens gekozen, omdat het bijna onmogelijk
was om een vrouw te vinden, die toestemming zou krijgen van haar familie
om met mij door de twee districten te reizen. Daarnaast vond hij het veiliger
voor mij om samen met een man te reizen dan met een vrouw.
De keuze viel op een twintigjarige 'journalist' voor een
lokale krant. Hij sprak goed Engels en was erg gemotiveerd om te tolken.
Helaas, deze tolk blesseerde zijn heup tijdens het lopen en moest na twee
sub-health posts bezocht te hebben naar huis. Deze jongen had echter
nog een kennis die wel wilde vertalen. De nieuwe tolk was wel erg jong,
verlegen, van het mannelijk geslacht, durfde nauwelijks met vrouwen te
praten en bleek geen zin te hebben om lange afstanden te maken. Nadat een
medewerkster van SDC aanbood om tijdens het bezoek aan de laatste, ver
afgelegen sub-health post in Dolakha voor mij te tolken, besloot
ik om voor het veldwerk in Ramechhap een nieuwe tolk te zoeken.
Dit werd een moeizame kwestie. Een zeer goed Engels sprekende,
lokale politicus bood zichzelf aan en er was geen twijfel mogelijk: dit
was de beste tolk die ik tot nu toe had gehad. Tot het moment dat de voorzitter
van het deeldistrict voorstelde om zijn zoontje als tolk aan te nemen:
20 jaar, gebrekkig Engels, verlegen. Bang voor zijn politieke carrière
trok de eerste tolk zich terug en moest ik met het zoontje van de voorzitter
mijn veldwerk voortzetten.
De relatie met mijn laatste tolk was erg geladen. Naarmate
mijn veldwerk vorderde, werd ik steeds kritischer en veeleisender ten opzichte
van mijn tolk, terwijl de kwaliteit van de tolken steeds verder afnam.
Zijn vele excuses dat hij toch niet zo goed Engels sprak als ik gehoopt
had, maar dat hij toch ontzettend veel had geleerd, vielen bij mij niet
altijd in goede aarde, wat leidde tot uren van zwijgzaam lopen door de
bush. Dat de wisseling in tolken en hun kwaliteit invloed hebben gehad
op mijn veldwerkdata moge duidelijk zijn.
Selectie van de onderzoeksgroep
Om het functioneren van MCHW's te onderzoeken wilde ik in eerste instantie
slechts twee
sub-health posts onderzoeken, waar alle participanten
geïnterviewd en geobserveerd zouden worden, zoals village health
workers, auxiliary health workers en vrijwilligers, met natuurlijk
de nadruk op MCHW's. Op deze manier zou ik een kwalitatief onderzoek kunnen
doen. Echter, mijn begeleider van SDC was van mening, dat hoe groter de
onderzoekspopulatie, des te beter mijn data zouden zijn. Hoe anders zou
ik uit mijn onderzoeksgegevens percentages kunnen abstraheren. Zijn voorstel
was dertig sub-health posts te onderzoeken, verdeeld over twee districten,
Dolakha en Ramechhap. Alle sub-health posts in deze gebieden zijn
alleen te voet bereikbaar en gezien de beperkte tijd leek dit een onmogelijke
opgave. Daarnaast zou kwalitatief onderzoek onmogelijk worden. Uiteindelijk
werd een compromis gesloten: tien
sub-health posts, verdeeld over
de twee districten, wat achteraf gezien nog steeds erg veel was.
Daarna moest bepaald worden, welke sub-health posts
ik zou gaan bezoeken. Al snel werd duidelijk, dat deze selectie niet alleen
afhankelijk was van de bereikbaarheid van deze posten, maar ook de veiligheid.
In de afgelopen jaren is een maoïstische beweging sterk gegroeid,
waarbij zich soms geweldadige confrontaties voordoen tussen de politie
en deze beweging. Ook in de districten waar SDC werkzaam was, werd er een
sterke groei van deze maoïstische beweging geconstateerd, waarbij
een soort no-go area's voor SDC medewerkers waren ingesteld, voornamelijk
in Ramechhap. Deze ontwikkeling was nieuw voor mij. Ondanks een gedegen
voorbereiding in Nederland was op het moment van vertrek nauwelijks iets
bekend over deze beweging.
Verwachtingen versus realiteit
Naast open interviews wilde ik participerende observatie gebruiken als
een belangrijk antropologisch onderzoeksinstrument. Mijn doel was iedere
activiteit van de MCHW's te observeren gedurende mijn verblijf in de
sub-health post om de informatie die MCHW's tijdens interviews gaven,
te verifiëren en een compleet beeld te krijgen van alle werkzaamheden
van MCHW's.
Tijdens het schrijven van mijn onderzoeksvoorstel veronderstelde
ik, dat het concept van een vrouwelijke gezondheidswerker succesvol zou
zijn om het simpele feit, dat vrouwen worden ingezet om andere vrouwen
te bereiken. Het bleek echter een misvatting, dat iedere vrouw ook gemotiveerd
zou zijn om andere vrouwen in haar omgeving te helpen en daarom solliciteerde
naar de positie van MCHW. Sommige vrouwen werden geselecteerd voor de functie
als MCHW ten gevolge van hun status en positie in het dorp en niet omdat
zij het best gekwalificeerd waren. Daarnaast is het selecteren van vrouwen
alleen niet genoeg voor een goede zorgverlening; andere condities zoals
een goede opleiding, supervisie en voldoende medicijnen en andere middelen
zijn belangrijk voor het functioneren van MCHW's.
Een andere verwachting was, dat er veel vrouwen naar de
spreekuren van MCHW's zouden komen en op de hoogte waren van het feit,
dat er een vrouwelijke gezondheidswerker aanwezig was. Gemiddeld kwamen
er 2 tot 5 patiënten per dag, waarvan slechts een enkele vrouw. In
de rapportages was te zien, dat maar weinig vrouwen naar de sub-health
post kwamen voor zwangerschapscontrole. De meeste vrouwen kwamen voor
anti-conceptie en dan voornamelijk de prikpil. Met andere woorden: participerende
observatie leverde weinig extra informatie op, maar ontkrachtte wel de
vooronderstelling dat de MCHW's goed zouden functioneren.
Om het perspectief van lokale vrouwen te integreren in
het veldwerk wilde ik focus group
discussies doen met ongeveer tien
vrouwen. Op het moment van mijn veldwerk was SDC zelf ook met een onderzoek
bezig en een van de medewerksters nodigde mij uit om met haar mee te gaan
om wat focus group discussies te observeren. Naast het observeren
van deze discussies werd het ook een cursus: hoe gedraag ik mij als vrouw
in een Nepalees dorp. Handige trucjes werden mij geleerd met betrekking
tot wassen, toiletteren en menstrueren.
Om zelf echter focus group discussies te leiden
bleek problematisch. Ten eerste was het erg moeilijk voor een mannelijke
tolk om met zoveel vrouwen tegelijk te moeten praten en wilden vrouwen
eigenlijk ook niet graag met een man praten over hun problemen als vrouw.
Daarnaast brachten de meeste vrouwen hun kinderen mee, waardoor discussies
vaak gestoord werden en chaotisch verliepen. Daarom ben ik al snel overgegaan
op individuele en informele gesprekken met vrouwen. Echter, het man-vrouw
probleem bleef. De tweede tolk weigerde zelfs een aantal keren bepaalde
vragen aan vrouwen te stellen, omdat hij niet durfde.
Resultaten en conclusies
Een van de conclusies van dit onderzoek is, dat selecteren van vrouwen
voor de functie van MCHW op zich nog geen garantie is voor een verbetering
van moeder- en kindzorg, wanneer aan andere voorwaarden voor een goede
zorgverlening niet is voldaan, zoals opleiding, supervisie en een goed
beleid. Bovendien werden vrouwelijke gezondheidswerkers vaak gezien als
vertegenwoordigers van de gehele vrouwelijke gemeenschap in een bepaald
dorp. Als vertegenwoordigers van alle vrouwen zou het daarom ook mogelijk
moeten zijn om alle vrouwen te bereiken. Echter, dit bleek onmogelijk te
zijn, omdat niet alle vrouwen gelijk zijn. Verschil werd gecreëerd
door sociaal-economische positie en kaste.
Vooral kaste leek van grote invloed te zijn op het bereik
van de zorgverlening van MCHW's. Het kastesysteem is nog steeds sterk aanwezig,
waardoor er binnen een gemeenschap bepaalde omgangsregels zijn, die het
contact tussen hoge en lage kasten duidelijk omschrijven. Ondanks het feit
dat ik dit onderwerp niet in detail heb bestudeerd, merkte ik dat de kaste
van de MCHW en die van de patiënt invloed hadden op de zorgverlening
en het gebruik van de zorgverlening. Een MCHW vertelde dat mensen van een
lage kaste de sub-health post vaak niet in durven, omdat ze bang
zijn de omgeving te "verontreinigen" door hun aanwezigheid. Omgekeerd is
het niet mogelijk voor MCHW's iets te eten bij een lagere kaste, waardoor
het werk in afgelegen dorpen, waar voornamelijk mensen van een lage kaste
wonen, erg moeilijk wordt.
Een andere conclusie is, dat het uitgebreide takenpakket
van MCHW's veel overeenkomsten vertoont met dat van haar collega's, de
village health workers. Hierdoor ontstonden er af en toe misverstanden
over wie verantwoordelijk was voor bepaalde taken, wat tot gevolg had dat
uiteindelijk niemand deze taken uitvoerde. De dienstverlening in de dorpen
zelf bleek ook een van de twistpunten tussen village health workers
en MCHW's. Beiden gingen nauwelijks naar de dorpen toe om daar bijvoorbeeld
outreach clinics te organiseren. Een veel gehoord excuus van beide
partijen was, dat wanneer de een niet aanwezig was, de ander ook niet wilde
gaan. Opvallend was wel, dat de MCHW's altijd aanwezig waren in iedere
bezochte sub-health post, in tegenstelling tot village health
workers, die in veel gevallen niet aan het werk waren.
Alle MCHW's vonden de opleiding van drie maanden te kort
om alle kennis en vaardigheden te leren. Vooral de onderwerpen met betrekking
tot zwangerschap en bevallen verdienden volgens de MCHW's meer aandacht.
Veel MCHW's constateerden dat ze een normale bevalling goed konden begeleiden,
maar bij complicaties weinig konden doen. Volgens de taakomschrijving van
MCHW's zouden zij deze vrouwen moeten doorverwijzen naar het ziekenhuis.
De afstand van het dorp tot het ziekenhuis is echter vaak zo ver, dat veel
vrouwen onderweg overlijden. Om vroegtijdige diagnose van complicaties
mogelijk te maken zou een protocollenboek geschikt zijn. Veel MCHW's merkten
namelijk, dat zij na verloop van tijd een aantal aspecten van prenatale
zorg waren vergeten. Daarnaast zouden er meer plaatsen beschikbaar moeten
zijn in de herhalingscursussen voor MCHW's.
De laatste conclusie die ik in deze case wil noemen,
is dat de supervisie van MCHW's sterke onderlinge verschillen vertoont.
Zowel de frequentie als kwaliteit van de supervisoren liepen uiteen. Veel
MCHW's hadden het gevoel dat supervisie gelijk stond aan het controleren
van hun functioneren, terwijl ze juist behoefte hadden aan begeleiding
en feedback. De frequentie van supervisie leek erg afhankelijk van de bereikbaarheid
van een sub-health post. MCHW's, werkzaam in afgelegen gebieden,
klaagden over het feit dat veel supervisoren hen bijna nooit bezochten,
omdat de afstand simpelweg te groot was.
Dit zijn slechts de belangrijkste conclusies van het veldwerk.
De eindconclusie is, dat de MCHW's op dit moment nog niet optimaal functioneren,
maar dit neemt niet weg dat het concept van vrouwelijke gezondheidswerkers
in deze setting wel de potentie heeft om een positieve bijdrage te leveren
aan de verbetering van de moeder- en kindzorg. Helaas is er momenteel nog
te weinig aandacht voor de praktische implementatie van de taken van deze
nieuwe gezondheidswerkers in het bestaande kader van de gezondheidszorg,
omdat de overheid de afgelopen jaren veel nadruk heeft gelegd op het opleiden
van zoveel mogelijk MCHW's in een korte periode. Hierdoor heeft de prioriteit
vooral gelegen bij de kwantiteit en niet bij de kwaliteit en was het onmogelijk
om MCHW's voldoende te begeleiden.