Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Cultuuroverdracht in het licht van migratie

Verschuiving van waarden bij Turkse moeders en dochters

Wimke van 't Spijker


 
'Een verschijnsel blijft onverklaarbaar zolang het gezichtsveld niet breed genoeg is om de context in te sluiten waarin het optreedt.' Paul Watzlawick
Het geïnteresseerd zijn in mensen én in cultuur kwam voor mij samen in de studie culturele antropologie. Het onderwerp van mijn afstudeeronderzoek heb ik gezocht in het verlengde van wat ik als vormingsleidster in het vormingswerk en als docente agogiek in het MBO ben tegengekomen. Een studie kan zo enorm stimulerend werken in de dagelijkse bezigheden. Gelukkig is het mogelijk een afstudeeronderzoek op te zetten met beschikbaar onderzoeksmateriaal. Vooraf heb ik gedacht de levendigheid die ik veronderstel aanwezig te zijn bij een veldonderzoek, te moeten missen. Toch heeft het mij aan levendigheid niet ontbroken. Zelfs met bestaand materiaal en in de eigen omgeving blijkt het mogelijk de spanning tot grote hoogte te brengen, naast uren van stug doorgaan. Ook worden momenten van desillusie en plezier om een gevonden denklijn met elkaar afgewisseld.

Onderzoeksopzet

Het materiaal voor het onderzoek
Onder leiding van Lesthaeghe (1997) is in België een sociografisch onderzoek gehouden, waarin sociale verandering onder etnische minderheden in kaart is gebracht. Hier zijn door middel van demografisch en sociografisch onderzoek, surveys, volkstellingen en diepte-interviews, databestanden aangelegd. Eén van deze onderzoeken is een dubbelenquête die onder Turkse en Marokkaanse vrouwen in België gehouden is van 1991 tot 1993. Door middel van deze enquête, Gezinsvorming en Waardenpatronen, wilde men onder andere inzicht krijgen in de generationele waardenpatronen bij Turkse en Marokkaanse migrantenvrouwen in Vlaanderen en Brussel. De eerste enquête van deze dubbelenquête werd in 1991 uitgevoerd bij de Turkse vrouwelijke bevolkingsgroep in Vlaanderen en Brussel. In deze enquête is een bestand gemaakt van Turkse 'moeder-dochter' paren. Dit unieke bestand leende zich voor verder onderzoek naar intergenerationaliteit van waarden. De Turkse enquête werd gevolgd door eenzelfde enquête onder Marokkaanse vrouwen in Vlaanderen en Brussel. Voor mijn onderzoek heb ik gebruik gemaakt van een gedeelte van dit bestaande onderzoeksmateriaal, verzameld onder leiding van Lesthaeghe.

Wat is de onderzoeksvraag?
Ten behoeve van dit onderzoek heb ik de volgende onderzoeksvragen geformuleerd. Hoe loopt cultuuroverdracht binnen de migratiecontext in de relatie van moeders en dochters? Is deze cultuuroverdracht in kaart te brengen? Wat is de inhoud van deze cultuuroverdracht?

Hoe ziet de onderzoekspopulatie eruit?
De gehele onderzoekspopulatie van Lesthaeghe, bestaande uit 846 vrouwelijke respondenten, heeft een gemiddelde leeftijd van 29 jaar. Bij migratie zijn de vrouwen gemiddeld 15 jaar. Ze zijn gemiddeld 18 jaar bij het huwelijk en hebben gemiddeld 2 kinderen. Ze spreken goed Turks en redelijk Nederlands. Ze lezen en schrijven een beetje Nederlands en spreken een beetje Frans. Ze begrijpen het TV-journaal met enige tot veel moeite.
   Binnen deze steekproef zijn 112 'moeders en dochters' geselecteerd. Voor mijn onderzoek is alleen gebruik gemaakt van de 112 Turkse moeder-dochter paren die deelgenomen hebben aan de enquête van Lesthaeghe. Ik beperk mij nu tot een korte beschrijving van deze moeder-dochter paren. De gemiddelde leeftijd van de moeders is 47 jaar; die van de dochters 23 jaar. De moeders zijn bij migratie gemiddeld 26 jaar; de dochters gemiddeld 6 jaar. Moeders hebben gemiddeld 5 kinderen; dochters hebben, indien ze kinderen hebben, gemiddeld 1 kind. Moeders en dochters spreken beide goed Turks. De dochters spreken, lezen en schrijven goed Nederlands; de moeders niet of een beetje. De dochters volgen het TV-journaal zonder of met enige moeite; de moeders begrijpen het TV-journaal alleen met veel moeite. Voor deze moeder-dochter paren geldt, met andere woorden, dat de dochters beter zijn opgeleid en meer sociaal geïntegreerd zijn in het gastland dan de moeders.

Schaalconstructie
De bestaande variabelen uit het onderzoek van Lesthaeghe hebben verschillende meetniveau's. Deze zijn op nominaal niveau, ordinaal niveau en intervalniveau. Bij een meetniveau op nominaal niveau moet de respondent één antwoord kiezen uit een lijst met meerdere mogelijkheden. Bijvoorbeeld, op de vraag hoe respondent de echtgenoot leerde kennen, kan respondent een antwoord kiezen uit mogelijkheden als: de ouders beslisten; ouders of familie beslisten over m'n huwelijk, nadat ze mijn mening hadden gevraagd; we beslisten voor onszelf en kregen toestemming van de familie; we beslisten zelf en ouders waren het niet met onze keuze eens. Bij een meetniveau op ordinaal niveau is gemeten aan de hand van een 'pick and order format'. De respondent moet eerst de belangrijkste en vervolgens de tweede, derde enzovoorts belangrijkste keuze aangeven. Bijvoorbeeld, bij opvoedingsdoelen kunnen respondenten het eerste, tweede en vervolgens derde belangrijkste kenmerk aangeven voor een jongen. Een keuze kan dan gemaakt worden uit: een kind moet goede manieren hebben; een kind moet voor zichzelf kunnen denken; een kind moet gehoorzaam zijn aan de ouders en een kind moet geïnteresseerd zijn in het hoe en waarom van de dingen. Bij het meetniveau op intervalniveau moet de respondent bijvoorbeeld aangeven of zij het met een stelling eens of oneens is, op een meerpuntenschaal. 1 Staat dan voor 'helemaal mee eens' tot 6 dat staat voor 'helemaal mee oneens'. Een voorbeeld van een stelling waarbij de respondent aan moet geven het er helemaal mee eens te zijn of juist helemaal niet, is: Een vrouw moet die dingen doen, die haar man haar oplegt.
   Voor een aantal thema's zijn schalen geconstrueerd aan de hand van factoranalyse (Principale Componenten Analyse, PCA, met varimax rotatie). Voor de verschillende schalen zijn somscores berekend. De betrouwbaarheid van deze schalen is gemeten met Cronbachs Alpha.

Attitudes
In mijn onderzoek wordt de aandacht gericht op overeenkomsten en verschillen van moeders en dochters op een achttal attitudeaspecten van cultuur. Om overeenkomsten en/of verschillen te kunnen aanwijzen zijn een aantal variabelen met betrekking tot attituden op verschillende levensdomeinen in het onderzoek van Lesthaeghe onderscheiden, die opvattingen van mensen weergeven. Hieruit zijn acht attitudedomeinen gekozen, die de overdracht van cultuur tussen moeders en dochters kunnen aantonen. Deze relevante variabelen zijn gegroepeerd rondom centrale thema's in de acht attitudedomeinen. De acht attitudeaspecten van cultuur waarop het onderzoek zich richt, zijn achtereenvolgens:

  1. Opvoedingsdoelen. Opvoedingsdoelen werpen licht op dat wat ouders belangrijk vinden om door middel van opvoeding na te streven en/of te bereiken.
  2. De waarde van kinderen. Het hebben van kinderen kan worden ervaren als een economisch belang: kinderen moeten later in de oude dag kunnen voorzien, of een affectief belang: het hebben van kinderen voorziet in een psychologische behoefte van warmte en waardering.
  3. Positie van de vrouw. Onderscheid kan worden gemaakt in een positie waarbij de vrouw het gezag van haar man accepteert en navolgt, en een positie waarbij de vrouw een eigen onafhankelijke positie inneemt met eigen beslissingsbevoegdheid.
  4. Politieke opvattingen. Hoe denkt men over de rol van de overheid: moet deze persoonlijke belangen van de burger waarborgen of moet zij opkomen voor handhaving van het algemeen belang?
  5. Regeling van het huwelijk. Moet een huwelijk worden geregeld door familie of is de regeling van het huwelijk een privé aangelegenheid?
  6. Religieuze opvattingen. Welke rol vervult religie in de vorm van overtuiging en gebed in het leven van betrokkene?
  7. Religieuze praktijken. Moskeebezoek kan van invloed zijn op de beleving van mensen. In welke mate wordt de moskee bezocht?
  8. Toekomstverwachtingen. Welk belang wordt gehecht aan schoolgang en schoolprestaties van de kinderen?
Vertaling van de onderzoeksvraag in deelvragen
Na het construeren van nieuwe schalen om de verschillende attitudes van moeders en dochters op de verschillende levensterreinen te kunnen meten zijn de volgende deelvragen geformuleerd.
  1. Wat zijn attitudes van moeders op deze acht deelterreinen?
  2. Is er samenhang te constateren tussen deze attitudes?
  3. Is er verschil te zien in attitudes van moeders met betrekking tot zonen en dochters?
  4. Wat zijn attitudes van dochters op deze acht deelterreinen?
  5. Is er samenhang te constateren tussen deze attitudes?
  6. Is er verschil te zien in attitudes van dochters met betrekking tot zonen en dochters?
  7. Welke intergenerationele samenhangen of verschuivingen zijn er te constateren tussen de attitudes van moeders en dochters?
Uitvoering: metingen
Om de vraag naar attitudes van moeders en dochters op de acht deelterreinen te kunnen beantwoorden is voor zowel moeders als dochters gekeken naar frequentieverdelingen en/of gemiddelden van de bewerkte variabelen die berekend zijn. Om te kunnen constateren dat moeders en/of dochters consistent zijn in hun opvattingen is gekeken naar de correlaties tussen de acht attitudedomeinen; dit zijn zogenoemde intra-generationele correlaties. Deelvraag 7, die vraagt naar intergenerationele samenhangen of verschuivingen, kan vervolgens beantwoord worden door per attitudeterrein te zoeken naar correlaties tussen de moeders en de dochters; dit zijn de zogenoemde intergenerationele correlaties. De gemiddelde scores van moeders en dochters zijn vergeleken door middel van gepaarde t-toetsen. Samenhang in dit opzicht duidt op intergenerationele overdracht; verschuiving in dit opzicht duidt op waardenverschuiving tussen moeders en dochters. Zoekend naar eventueel verschil in attitudes ten aanzien van jongens of meisjes, worden verschillen in attitudes op het vlak van opvoedingsdoelen vergeleken met behulp van t-toetsen van het verschil in gemiddelden.

Resultaten

Wat zijn de attitudes van moeders?
Moeders willen hun kinderen conformistisch opvoeden. Zij zijn voor een conformistische regeling van het huwelijk. Ze hebben kinderen, omdat deze een affectieve functie vervullen. Moeders staan positief tegenover religie en zien zichzelf als moslim. Ze nemen deel aan de ramadan en sturen de kinderen naar de koranschool. In hun politieke opvattingen zijn moeders niet uitgesproken behoudend of progressief. En over de toekomst denken ze in non-conformistische termen.

Hoe consistent zijn moeders?
Moeders zijn in hun attitudes niet echt consistent. Wanneer moeders hun jongens conformistisch willen opvoeden, betekent dat niet automatisch dat ze dat ook voor hun meisjes willen. Ook betekent conformistisch opvoeden niet vanzelfsprekend ook een conformistische attitude op de andere levensterreinen. Wel is het zo, dat wanneer moeders conformistisch denken over de positie van de vrouw, ze dan een individualistische opvoeding minder belangrijk vinden.

Wat zijn de attitudes van dochters?
Dochters willen met name hun dochters, hun kinderen conformistisch opvoeden. Ze hebben kinderen vanwege affectieve belangen. Ze zien de positie van de vrouw niet conformistisch, denken gematigd traditioneel over de regeling van het huwelijk, denken positief over de functie van religie, beschouwen zich Moslim, nemen deel aan de ramadan en sturen hun kinderen naar de koranschool. In hun politieke opvattingen zijn dochters meer progressief dan behoudend en over de toekomst denken ze in non-conformistische termen.

Hoe consistent zijn dochters?
Dochters zijn in hun attitudes meer consistent dan moeders. Wanneer ze kiezen voor een conformistische of individualistische opvoeding, dan willen ze dat voor jongens én meisjes. Bovendien betekent een conformistische attitude op dit terrein ook, dat ze op de andere levensdomeinen een conformistische attitude hebben. Hetzelfde geldt, wanneer dochters individualistische opvoedingsdoelen hebben; ze hebben dan ook non-conformistische attitudes op de andere terreinen.

Is er sprake van intergenerationele overdracht?
Op slechts drie vlakken is (licht) sprake van intergenerationele overdracht. Het conformistisch denken over de positie van de vrouw is iets dat wordt overgedragen van moeder op dochter. Daarnaast is er sprake van overdracht op het gebied van moskeebezoek. Moskeebezoek wordt overgedragen, maar dan wel in omgekeerde richting, lijkt het. Moeders gaan naar de moskee, dochters bijna niet. Bovendien is er sprake van overdracht op het vlak van toekomstverwachtingen. Moeders met non-conformistische denkbeelden dragen conformistische toekomstverwachtingen over op hun dochters.

Zijn er verschuivingen te zien van moeders naar dochters of andersom?
Over alle terreinen blijkt, dat dochters minder conformistisch zijn, denken en doen dan moeders. Wat betreft het opvoeden van kinderen, voeden dochters hun kinderen minder conformistisch en meer individualistisch op. Wat betreft de waarde van het hebben van kinderen, zien dochters het hebben van kinderen op het vlak van affectie. Inzake de positie van vrouwen vinden dochters, dat vrouwen zich minder conformistisch behoeven te gedragen. Wat betreft politieke opvattingen, denken dochters minder traditioneel en meer progressief. Ook vinden dochters dat het huwelijk minder traditioneel geregeld hoeft te worden. Over de waarde of betekenis van religie denken dochters iets minder positief. Ze gaan minder naar de moskee, maar sturen hun zoons wel meer naar de koranschool. Wanneer het gaat over het denken over de toekomst, is er een verschuiving te zien van moeders naar dochters, waarbij dochters iets minder conformistisch over de toekomst denken én iets minder non-conformistisch.

Besluit

Het meest verrassende resultaat van dit onderzoek is het feit, dat dochters meer consistent blijken te zijn in hun attitudes, terwijl moeders op de verschillende attitudeterreinen minder eensluidend zijn. Hoe omgegaan wordt met situaties, zoals na migratie, is voor moeders en dochters verschillend. In de literatuur ten aanzien van interculturele overdracht, ten behoeve van de literatuurscriptie, is dit vergeleken met een samengesteld model. Hierin zijn het uiteindelijke, bewuste of onbewuste doel van acculturatie (de acculturatiestrategieën van Berry) en de fase waarin men zich kan bevinden, geplaatst tegen de wisselwerking van de individuele leden van de dominante en minderheidsgroepen en de omgeving. Het blijkt, in de literatuur, belangrijk te zijn een biculturele competentie te ontwikkelen. In deze studie wordt dit gegeven onderschreven. Vrouwen blijken in staat te zijn deze spanningsvolle situaties productief en creatief te benutten.
   Een duidelijke verschuiving tussen moeders en dochters is zichtbaar in de richting van non-conformistische attitudes. Ook is gevonden dat affectieve waarden bij zowel moeders als dochters belangrijk zijn. Gezien de aard van de gebruikte vragen voor deze studie is het misschien te simplistisch te onderschrijven wat Kagitcibasi (1990) zegt. Namelijk, dat de waarde van kinderen niet onder invloed van veranderende economische factoren verschuift in de richting van individualiteit en autonomie. Dat de verschuivingen niet in hetzelfde tempo en op alle levensdomeinen tegelijk plaatsvinden, is iets dat met behulp van het samengestelde model herkend kan worden. Immers wat voorkomen dient te worden, zijn grote veralgemeniseringen. In de literatuur zijn deze veralgemeniseringen erg aanwezig, kijkend naar grote algemene tegenstellingen als westers - niet westers, en traditioneel tegenover modern. De praktijk laat zien, dat de werkelijkheid zich via andere patronen afspeelt, waarbij rekening wordt gehouden met de dagelijkse realiteit.
   De wederkerigheid die er bestaat in de uitwisseling van gedachten en invloeden van kinderen en ouders, heeft ook haar neerslag op het ontvangende land. In het ontvangende land dienen dan ook mensen, scholen, instellingen en beleid zich bewust te zijn van deze wederkerigheid en rekening te houden met dit wederkerige proces. De actie in de richting van een gezonde multiculturele samenleving ligt dus bij de mensen uit het ontvangende land en bij migranten beide.
   Dat dochters zich meer consistent opstellen in een ofwel conformistische ofwel individualistische opvoeding, kan beïnvloed zijn doordat dochters meer opleiding hebben genoten en daardoor een meer bewuste houding aan kunnen of willen nemen. Het kan ook te maken hebben met het feit, dat dochters wat betreft hun identiteitsontwikkeling meer gericht zijn op een versteviging van identiteit in plaats van hun identiteit samen te stellen uit verschillend gevormde deelidentiteiten, verkregen op verschillende levensdomeinen.
   Een beperking van het onderzoek is het werken met bestaand onderzoeksmateriaal. Het onderzoek met bestaand materiaal dicteert namelijk een bepaalde richting. Je kunt niet om de bestaande vragen en variabelen heen, en kunt geen informatie krijgen over onderwerpen en of nuances die een ander licht kunnen werpen op de vraagstelling.

Literatuur

Lesthaeghe, R., Diversiteit in sociale verandering: Turkse en Marokkaanse vrouwen in België. Brussel: VUB, 1997.
Kagitcibasi, C., 'Family and socialization in cross-cultural perspective: A model of Change. In: J. Berman (ed.), Nebraska Symposion on Motivation 1989, Lincoln: University of Nebraska Press, 1990, pp 135-197.

vorige naar index volgende