Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


1999
 

Het afstudeeronderzoek: resultaat van keuzes

Myra van Veenendaal

Wie aan het begin van zijn of haar studie staat, heeft meestal nog geen idee welke vorm een en ander aan het eind van de studie zal aannemen. Als je aan een studie begint, is het ten eerste al moeilijk te voorspellen of je deze af zult maken of dat je onderweg zult afhaken. Ten tweede hebben diegenen die hun studie wel afronden, hier soms een richting aan gegeven, die ze van te voren nooit hadden kunnen bedenken. Dit laatste is ook op mij van toepassing. Aan het begin van mijn studie had ik nooit gedacht, dat ik zou afstuderen op het onderwerp waar ik uiteindelijk voor heb gekozen.
   Ik heb zelf vaak de indruk gehad, dat de studie culturele antropologie zo breed is, dat bijna alles lijkt te mogen en te kunnen. Dit maakt het soms extra lastig om voor één bepaald onderwerp te kiezen. Bovendien denk ik, dat de keuze voor het afstudeeronderwerp samenhangt met eerdere keuzes die je in je studietijd hebt gemaakt. Nu dat ik, ter afronding van mijn studie, een stukje moet schrijven dat 'iets met de afstudeerscriptie te maken heeft', vind ik het leuk om te schrijven over het proces dat uiteindelijk tot de keuze van mijn afstudeeronderwerp heeft geleid en hoe ik dit onderwerp vorm heb gegeven.

Keuze voor de studie culturele antropologie

Ik weet nog goed, hoe ik eind '93 in een klaslokaal zat van de Hogeschool Holland in Diemen, alwaar ik de opleiding Nederlands Tekstschrijven volgde. Het was een college 'Journalistiek schrijven' en we bespraken een artikel dat handelde over de gruwelijkheden die Hutu's en Tutsi's elkaar aandeden in Rwanda. In dit artikel stonden de meest vreselijke dingen beschreven en, terwijl de docente en mijn medestudenten zich bezig hielden met de opbouw van de tekst, vroeg ik me af hoe het in godsnaam zover kon komen, dat mensen in het hetzelfde land elkaar dit konden aandoen.
   Vanaf dat moment wist ik, dat ik niet op deze manier met teksten om kon gaan. Als ik zelf ergens over zou schrijven, zou ik mezelf er zodanig in hebben willen verdiepen, dat mijn teksten niet beperkt zouden blijven tot verslaggeving van gebeurtenissen. Ik zou er het fijne van willen weten en dit over willen brengen op de lezer.
   Omdat ik mij altijd heb geïnteresseerd in andere culturen, heb ik mij, terwijl ik hard studeerde om mijn HBO-propaedeuse te halen, ingeschreven voor de studie culturele antropologie. September '94 begonnen de eerste colleges en na niet al te lange tijd wist ik, dat ik mijn plek had gevonden.

Ervaringen buiten de studie

Naast mijn studie heb ik steeds bijbaantjes gehad: achter de kassa bij Mac Donalds, taartenbakkend in het restaurant van V&D enzovoorts, enzovoorts. In dit werk heb ik veel contact gehad met mensen, zowel allochtone als autochtone Nederlanders. Ik vond het interessant om te zien, hoe deze mensen met elkaar omgingen op de werkplek. Zo heb ik mijzelf dikwijls een 'participerende observant' in het veld gevoeld. Verschillende situaties deden zich voor, die bij mij vragen opriepen omtrent de integratie en acceptatie van en de beeldvorming over allochtonen in Nederland. Zo herinner ik mij de hoog oplopende discussies in de keuken van de Mac Donalds ten tijde van de verkiezingen. Hoe kon een (autochtone) collega die dagelijks (zowel tijdens als buiten werkuren) de grootste lol had met een van oorsprong Marokkaanse collega, stemmen op de Centrum Democraten?

"Dus je wil me weg hebben!?", riep de Marokkaanse jongen verontwaardigd uit.
- "Nee, natuurlijk niet."
"Maar je bent toch tegen buitenlanders?"
- "Ja, maar jij bent geen buitenlander."
"En ik dan?", schreeuwde een vrouwelijke Surinaamse collega. "Moet ik wel weg!?"
- "Nee, jij ook niet, natuurlijk."
Ik herinner me ook de keer dat een Ma Flodder-achtige verschijning het restaurant binnen kwam gestormd en in gehaast, plat Utrechts een bestelling aan me doorgaf, die ze vervolgens drie keer wijzigde. Mijn (autochtone) collega had bij de eerste bestelling de hamburgers en aanverwante artikelen al op het dienblad geplaatst. Bij de eerste wijziging dreigde het al de mist in te gaan, maar toen mevrouw zich nog twee keer bedacht, was het eindresultaat al helemaal niet wat ze had bedoeld. Dit leidde tot grote woede. Een blik op mijn buitenlands uitziende hoofd werpend (ik ben Surinaams/Nederlands), stelde de ontevreden klant met zekerheid vast: "Het leg d'r gewoon oan da je gewoon geen Hollaands ken verstoan".
   Enige tijd later werkte ik een korte periode bij een Van der Valk motel als kamermeisje. De situatie die ik hier aantrof, vond ik ook erg bijzonder. Er werkten evenveel autochtone als allochtone medewerkers in de huishoudelijke dienst. In de pauze zaten alle allochtone vrouwen aan de ene kant van de kantine en alle autochtone vrouwen aan de andere kant.

Keuze voor het te volgen tracé

Naar aanleiding van dergelijke situaties kwamen er verschillende vragen bij me op, die me intrigeerden. "Wat is integratie?" "Leidt integratie vanzelfsprekend tot acceptatie?" "Hoe ontstaan vooroordelen, racisme en discriminatie?" "Welke beeldvorming bestaat er rond allochtonen, hoe komt deze tot stand en welke invloed heeft dit in het dagelijks leven?"
   Toen ik aan het eind van het tweede jaar van mijn studie moest kiezen, welk tracé ik wilde volgen, was de keuze snel gemaakt. Hoewel vreemde culturen in verre landen lonkten, ben ik van mening dat Nederland voldoende onderwerpen biedt, die voor een antropoloog interessant zijn om te onderzoeken. Daarom heb ik er toen voor gekozen het tracé 'Studies van Culturen en Minderheden' te volgen. Binnen dit tracé wordt veel aandacht besteed aan de integratie van migranten in de samenleving. Naar mijn mening wordt dit onderwerp vaak op een negatieve manier benaderd. Hiermee bedoel ik, dat wanneer er wordt gesproken over de integratie van migranten, de nadruk vaak wordt gelegd op de problemen die zich hierbij voordoen. Ik zal niet ontkennen dat de integratie van migranten problemen met zich mee kan brengen, maar ik denk tegelijkertijd dat er ook andere manieren zijn om te schrijven over de integratie van migranten.

Keuze voor het onderwerp van afstuderen

In mijn afstudeeronderzoek wilde ik mij bezighouden met het onderwerp van integratie van migranten in Nederland, maar ik wilde dit op een positieve manier benaderen. Ik wilde niet over migranten schrijven als zijnde mensen die per definitie buitengesloten zijn van de samenleving en die volledig afhankelijk zijn van de kansen die de samenleving hen al dan niet biedt. Ik wilde schrijven over de actieve rol die migranten kunnen spelen in het integratieproces. Mensen die hun eigen kansen creëren, in plaats van af te wachten.
   Wat mij verder opviel aan de leerstof binnen het tracé was, dat de positie van vrouwelijke migranten relatief weinig of vaak zelfs geheel niet wordt belicht, wanneer er over de integratie van migranten wordt gesproken. Ik vond dit opmerkelijk, want migranten zijn natuurlijk niet alleen maar mannen. En gaat hetgeen voor mannen geldt, vanzelfsprekend ook op voor vrouwen? Omdat ik bovendien het idee heb, dat er nog altijd veel vooroordelen bestaan over vrouwelijke migranten, wilde ik met mijn afstudeerverslag iets bijdragen aan de beeldvorming omtrent deze vrouwen. Maar vanuit welke invalshoek pak je zoiets aan? Uiteindelijk ben ik toen gekomen op het zelfstandig ondernemerschap van vrouwelijke migranten.

Het ondernemerschap

Ik zie het zelfstandig ondernemerschap van migranten als een inventieve manier van migranten zèlf om deel te nemen aan de economie. Zij creëren door het ondernemerschap werkgelegenheid voor zichzelf en eventueel voor anderen (uit de eigen etnische groep). Hierdoor creëren zij mogelijkheden om geld te verdienen, ondanks dat zij op de arbeidsmarkt vaak worden uitgesloten.
   Voor migranten is het vaak moeilijker dan voor autochtonen om een bedrijf te beginnen, omdat zij niet bekend zijn met de geldende wet- en regelgeving in het land en omdat er sprake kan zijn van een taalprobleem. Ook voor vrouwen kan het extra moeilijk zijn een eigen bedrijf te starten en te runnen, omdat zij vaak niet serieus worden genomen als vrouwelijke ondernemer (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van een lening bij de bank). Vrouwelijke migranten die ondanks deze belemmeringen toch een eigen bedrijf hebben, moeten over veel moed, wilskracht en doorzettingsvermogen beschikken. Door over deze vrouwen te schrijven hoop ik bij te dragen aan de positieve beeldvorming rond deze groep.

Oriëntatie op het onderwerp: de literatuurscriptie

Het onderwerp van ondernemerschap van vrouwelijke migranten was geheel nieuw voor mij. Om mijzelf op dit onderwerp te oriënteren heb ik eerst literatuur gelezen over het ondernemerschap in het algemeen en over vrouwelijke ondernemers in het bijzonder. Daarna ging ik op zoek naar literatuur over vrouwelijke migrantenondernemers, zodat ik hier mijn literatuurscriptie over kon schrijven. Helaas is er nog zo weinig over dit onderwerp gepubliceerd, dat ik vrijwel geen literatuur hierover kon vinden. Daarom heb ik besloten de literatuurscriptie te gebruiken om een overzicht te krijgen van de theorieën die bestaan op het gebied van het migrantenondernemerschap in het algemeen. Ik heb dit gedaan aan de hand van de volgende vraagstelling: "Wat zijn de bepalende factoren in de verklaring van het succesvol ondernemerschap van migranten?"
   Ik heb twee soorten verklaringen gevonden hiervoor. De ene verklaring legt de nadruk op de markt als bepalende factor voor het succesvol ondernemerschap van migranten. De markt is het geheel van vraag en aanbod. De mate waarin migrantenondernemers in staat zijn te beantwoorden aan de vraag, wordt in deze verklaring gezien als de bepalende factor voor het succes van migrantenondernemers. De andere verklaring legt de nadruk op de sociale netwerken van migrantenondernemers. Een sociaal netwerk is het geheel van sociale relaties waarin migrantenondernemers zijn ingebed. De sociale netwerktheorie gaat er vanuit dat migrantenondernemers zijn ingebed in een sterk sociaal netwerk dat gebaseerd is op gedeelde etniciteit van de leden. Migrantenondernemers kunnen een beroep doen op dit netwerk. Op deze manier kunnen zij via via aan zaken komen, die gunstig zijn voor hun ondernemerschap, zoals informatie over bedrijfspanden, adviezen over personeel, rente-vrije leningen enzovoorts. Het uitgangspunt van deze laatste theorie vond ik erg interessant. Daarom heb ik de sociale netwerktheorie gekozen als theoretisch kader van mijn empirisch onderzoek.

Het empirisch onderzoek

In mijn empirisch onderzoek wilde ik dus vrouwelijke migrantenondernemers in Nederland onderzoeken en dit binnen het kader van de sociale netwerktheorie plaatsen. In eerste instantie was ik van plan mijn respondenten te zoeken binnen één etnische groep en allen werkzaam binnen één en dezelfde branche. De reden hiervoor was, dat ik zo weinig mogelijk variabelen wilde hebben in mijn onderzoekspopulatie. Helaas bleek het niet mogelijk te zijn deze criteria te handhaven, om drie redenen. Ten eerste bleek de groep vrouwelijke migrantenondernemers in Nederland relatief klein te zijn. Op een bepaald punt in mijn onderzoek werd ik door verschillende mensen steeds naar dezelfde onderneemsters verwezen. Ten tweede waren deze vrouwen vrij moeilijk te bereiken. Tenslotte had ik te maken met een grote non-respons die volgens mij te wijten was aan het feit dat ten tijde van mijn onderzoek er nogal veel te doen was over het ondernemerschap van vrouwelijke migranten. Hierdoor waren veel vrouwen al meerdere malen benaderd door verschillende mensen die hen wilden interviewen. Sommigen hadden het gewoon te druk en anderen hadden gewoon geen zin.
   Uiteindelijk heb ik vijftien onderneemsters kunnen interviewen, die ofwel van Chinese, Surinaamse, Turkse of Marokkaanse afkomst zijn en hun bedrijf hebben in verschillende branches. Mijn vraagstelling hierbij was: "In hoeverre mobiliseren vrouwelijke migrantenondernemers hun sociaal netwerk ten gunste van hun eigen bedrijf?" Er is vrijwel niets geschreven over dit onderwerp; daarom zie ik mijn eigen onderzoek als een explorerend onderzoek. Dat de onderzoekspopulatie wat betreft herkomst en branche nogal variabel was, heb ik hierdoor uiteindelijk niet als een minpunt ervaren.
   Om mijn probleemstelling onderzoekbaar te maken heb ik het ondernemerschap uiteengezet in verschillende punten, namelijk het bedrijfspand, startkapitaal, personeel, leveranciers, boekhouder, ondernemerschapsvaardigheden, lidmaatschap van brancheverenigingen en het eigen huishouden. Op ieder van deze punten heb ik geprobeerd te onderzoeken, in hoeverre mijn respondenten hierbij gebruik maakten van hun sociaal netwerk. Ik heb daarbij gebruik gemaakt van open interviews waarbij ik een topiclijst hanteerde. Deze interviews duurden gemiddeld anderhalf uur en vonden meestal plaats in het bedrijf van de vrouw of in een enkel geval bij haar thuis. De interviews zijn alle opgenomen op een cassettebandje, waarna ik ze thuis letterlijk heb uitgewerkt. In het uiteindelijke afstudeerverslag heb ik geprobeerd mijn eigen bevindingen over vrouwelijke migrantenondernemers te koppelen aan de algemene sociale netwerktheorie en te bekijken wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen beide. Het verslag heb ik geïllustreerd met citaten van de verschillende respondenten.

Conclusie

Ik denk niet, dat dit de plaats is om uit te wijden over mijn conclusies. Wat ik echter wel kwijt wil, is dat één van de belangrijkste dingen die ik heb geleerd, is dat bestaande theorieën ook slechts gebaseerd zijn op het onderzoek van anderen. Deze theorieën kunnen zeker als richtlijn dienen, wanneer je zelf onderzoek gaat doen. Wat mij echter wel duidelijk is geworden, is dat wanneer de tijd, plaats en groep waarbinnen onderzoeken plaatsvinden, variëren, theorieën in ieder geval niet klakkeloos over te nemen zijn voor elke andere tijd, plaats en groep.
   Een laatste opmerking die ik kwijt wil, is dat ik besef dat ik het mezelf met de keuze van mijn afstudeeronderwerp vrij moeilijk heb gemaakt door te kiezen voor een zodanig nieuw onderwerp, dat er nog maar weinig over geschreven is. Hierdoor had ik weinig specifieke theoretische informatie tot mijn beschikking om mee te beginnen en mee verder te gaan. Soms stuitte ik hierdoor op onbegrip van de mensen om mij heen. Anderen waren erg enthousiast. Dikwijls heb ik mijzelf afgevraagd: "Waar ben ik aan begonnen?" Maar ik weet, dat dit is wat ik wilde, dat het mijn eigen wel doordachte keuze is geweest. En nu dat mijn afstudeerverslag klaar is, heb ik zeker geen spijt van mijn keuze. Ik kijk naar mijn verslag en besef, dat als ik me aan het begin van mijn studie een afstudeeronderwerp had kunnen wensen, dat dit het zou zijn.

Literatuur

Portes, A., The Economic sociology of immigration: Essays on networks, ethnicity and entrepreneurship. Russel Sage NY, 1995.
Waldinger, R., R. Ward & H. Aldrich, Ethnic entrepreneurs: Immigrant business in industrial societies. Sage Newbury Park, 1990.

vorige naar index volgende