![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
Veertien stellingen tegen
nationaal burgerschap:
opmaat naar een recht op individualiteit
Steven Dijkstra
Nationaal burgerschap en de koppeling van recht en cultuur
Naast de droogheid die het begrip van burgerschap aankleeft, draagt
het ook de magische klank van recht en vrijheid met zich mee. Om zichzelf
burgers te mogen noemen, hebben mensen oorlogen gevoerd, zware verliezen
geleden, maar uiteindelijk was de winst het altijd waard: met burgerschap
verkrijgt een individu het recht de samenleving waarin hij leeft, in vrijheid
mede vorm te geven.
Burgerschap wordt wel het cement van de samenleving genoemd.
De vraag is echter: van welke samenleving? Tenslotte is burgerschap geen
standaard ingevuld begrip. De rechten die ermee gepaard gaan, evenals de
rechtvaardigheid die daaruit voortvloeit, verschillen per tijd en plaats.
De vraag is in het bijzonder relevant, wanneer het gaat om de reactie van
staten op de vestiging van vluchtelingen en migranten op hun grondgebied.
Want kan burgerschap het cement van een samenleving zijn, als niet iedereen
van die samenleving erin deelt?
In onze tijd is één van de meest invloedrijke
invullingen van burgerschap die van het
nationaal burgerschap. Brubaker
(1992: xi) verstaat hieronder: 'that distinctively modern institution
through which every state constitutes and perpetually reconstitutes itself
as an association of citizens, publicly identifies a set of persons as
its members, and residually classifies everyone else in the world as a
noncitizen, an alien'. Deze vereniging van burgers wordt normalerwijze
voorgesteld als een natie, behorende tot een specifiek, begrensd grondgebied.
In de huidige betekenis is burgerschap dus vooral het cement van de nationale
gemeenschap.
Deze invulling van burgerschap heb ik in mijn afstudeerscriptie
ter discussie gesteld (Dijkstra, 1999). Ontstaan in een wereld van gescheiden
natiestaten is het de vraag of nationaal burgerschap nog wel functioneert
in een wereld waarin die staten intussen multiculturele samenlevingen zijn
geworden en de verbindingen tussen mensen dwars door de nationale grenzen
heen snijden. Vooral de koppeling die via nationaal burgerschap wordt gemaakt
tussen het beschikken over een specifieke nationale identiteit en het verkrijgen
van de burgerschapsrechten die binnen het territorium van een bepaalde
natiestaat vergeven worden, kan als onrechtvaardig bekritiseerd worden.
Voor een individu dat rechten wil krijgen, betekent dit, dat het voor alles
tot een groep moet behoren. Want alleen wie lid is van de natie, kan burger
worden; wie dat niet is, moet om burger te worden zijn zoals de natie.
Omdat nationaal burgerschap niet in kan spelen op de ontstane culturele
diversiteit en het de thematiek van verschil koppelt aan groepsmetaforen
als dé natie en dé cultuur, komt het individuele recht om
verschillend te mogen zijn in het geding. Niet het instituut van burgerschap
zelf wordt verworpen, maar de huidige koppeling erin van recht en cultuur.
Echter, zoals nationaal burgerschap de ruimte voor verschil
begrenst, zo is ook de ruimte voor deze CASE beperkt. Daarom volsta ik
met het belichten van twee hoofdthema's uit mijn scriptie. Ten eerste is
dat de stellingname tegen nationaal burgerschap. Via veertien stellingen
die ingaan op de verhouding van nationaal burgerschap tot de thema's van
culturele diversiteit, uitsluiting, vrijheid en democratie, legitimiteit,
meervoudige verbondenheid en de relatie tussen gelijkheid en verschil,
probeer ik aan te tonen dat nationaal burgerschap uit de tijd is. Ten tweede
beschrijf ik een alternatief voor nationaal burgerschap, dat mogelijk wel
aan de huidige tijdgeest voldoet. Dit postnationaal burgerschap vindt zijn
basis in de idee van de universele gelijkheid van alle mensen, ongeacht
hun cultuur, etniciteit of welke identiteit dan ook. Bijzondere aandacht
gaat hierbij uit naar het zogenaamde recht op individualiteit, dat een
nieuwe visie op cultureel verschil in zich herbergt.
Stellingname tegen nationaal burgerschap
Als onderbouwing voor de veertien stellingen gebruik ik het liberale perspectief van Van den Brink (1997: 194): als een bepaalde culturele identificatie voor burgers van belang is in hun streven naar een 'goed leven' en deze de liberale instituties zelf niet in gevaar brengt, moet een staat haar burgers hierin (onder)steunen.
1. De institutie van burgerschap leidt tot mondiale ongelijkheid.
Burgerschap is een van de grootste uitsluitingsmechanismen van onze
tijd. Via de staatsgrenzen worden niet welkome mensen geweerd. Bepaalde
privileges en rechten worden op deze wijze voorbehouden aan een beperkt
aantal mensen, wat leidt tot een ongelijkheid in kansen en daarmee tot
een ongelijkheid in de wereld. Zoals Brubaker (1992: x) stelt: 'In global
perspective, citizenship is a powerful instrument of social closure, shielding
the prosperous states from the migrant poor'.
2. Nationaal burgerschap leidt tot ongelijkheid binnen de staatsgrenzen.
Burgerschap trekt ook grenzen binnen staten en wel tussen burgers en
vreemdelingen. 'Every state claims to be the state of, and for, a particular
bounded citizenry, usually conceived of as a nation' (Brubaker, 1992:
x). Door burgerschapsrechten te koppelen aan een specifieke nationaal-culturele
identiteit leidt nationaal burgerschap ertoe, dat cultureel afwijkende
groepen en individuen niet over volledig burgerschap en de bijbehorende
rechten kunnen beschikken1. Bauböck
noemt dit in een artikel op internet onfatsoenlijk: 'A decent society
must not exclude anyone within its jurisdiction by excluding them from
full membership or citizenship'.
3. Nationaal burgerschap is niet geschikt voor de huidige multiculturele
samenleving, omdat zij niet kan omgaan met concrete culturele diversiteit.
Onder andere door de vestiging van migranten uit gebieden waar men
andere levenswijzen praktiseert en de mogelijkheid, voor zowel culturele
inhouden als de dragers daarvan, om in korte tijd grote afstanden te overbruggen,
heeft er een multiculturalisering van natiestaten plaatsgevonden (Hannerz,
1992). Door de koppeling van rechten aan de nationale identiteit laat nationaal
burgerschap echter geen ruimte vrij voor verschil binnen de staatsgrenzen.
Hierdoor moet iemand die binnen een staat gelijke rechten wil hebben, ook
gelijk zijn of worden aan de natie.
4. Nationaal burgerschap (h)erkent het recht van vluchtelingen en
migranten op een 'goed leven' niet.
Elke overheid zou ervoor moeten zorgen, dat al haar burgers gelijke
middelen hebben om datgene wat zij zien als een 'goed leven' na te kunnen
streven (van den Brink, 1997). Een aantal liberale auteurs wijst in dit
kader op het belang van een eigen culturele identiteit om tot een goed
leven te kunnen komen (o.a. Kymlicka, 1995; Young, 1990) Met name de erkenning
van de eigen culturele identiteit, of die nu meer individueel of meer groepsmatig
ingevuld wordt, is een noodzakelijke voorwaarde (Taylor, 1994). Doordat
nationaal burgerschap geen ruimte geeft aan een eigen culturele identiteit
van vluchtelingen en migranten (zie stelling 3), werkt het ook hun algemene
recht op een 'goed leven' tegen.
5. Nationaal burgerschap vindt zijn legitimiteit in 'de orde van
nationale staten', die zelf legitimiteit ontbeert.
De legitimiteit van nationaal burgerschap is onder andere gegrond in
de redenering dat een mondiaal systeem van nationale staten de beste oplossing
is op de vraag, hoe zoveel mogelijk mensen op deze wereld een goed leven
kunnen leiden (Carens, 1991: 21). Uitsluiting van niet-burgers geschiedt
onder het mom dat deze het beste bij hun eigen staat kunnen aankloppen.
Volgens Carens (1991) laat het vluchten van mensen echter niet alleen een
falen zien van de ontvluchte staat, maar van het hele staten-systeem zelf.
Als steeds minder mensen de kans op een goed leven hebben, komt de legitimiteit
van het systeem dat daarvoor zorgt, onder druk te staan. Hetzelfde geldt
voor de legitimiteit van uitsluiting via nationaal burgerschap, die uit
dit systeem voortkomt.
6. De verlening van rechten via nationaal burgerschap is door de
praktijk achterhaald.
Ondanks de institutie van nationaal burgerschap wordt de groep die
burgerrechten ontvangt, steeds meer uitgebreid met niet-burgers, de zogenaamde
'denizens' (Hammar, 1990). Volgens Soysal (1994) bevindt de natiestaat
zich in een transnationaal krachtenveld, waarin gestreden wordt voor individuele
universele mensenrechten in plaats van rechten die gebaseerd zijn op de
natie. Waar de staat begin deze eeuw alleen moest zorgen voor haar eigen
burgers, wordt zij nu langzaam verantwoordelijk (gemaakt) voor allen die
zich binnen haar grondgebied bevinden.
7. Nationaal burgerschap voor-onderstelt ten onrechte één
nationale identiteit.
De vooronderstelling van nationaal burgerschap, dat elke staat slechts
één nationale identiteit telt, is gebaseerd op een cultuurbeeld
waarin mensen bij één volk en één cultuur horen,
geworteld in één grondgebied (Geuijen, 1997). Volgens Eriksen
(1997) leven er tegenwoordig echter binnen dezelfde staat mensen samen
die hun identiteit in een zo grote mate als van elkaar verschillend ervaren,
dat dit uiteindelijk tot de ondergang van de nationale identiteit zal leiden.
Nationaal burgerschap, de koppeling van recht aan één nationale
identiteit, is steeds moeilijker te verdedigen in een wereld die op elke
kilometer zwanger is van verschil.
8. Nationaal burgerschap vermindert de vrijheid van de culturele
discussie.
Waar verschil is, vinden botsingen plaats. De vragen van verschil kunnen
liggen in bepaalde morele opvattingen en hebben veel met cultuur te maken.
Idealiter wordt deze ethisch-culturele discussie in vrijheid en gelijkwaardigheid
gevoerd. Door de koppeling van rechten en belangen aan cultuur zit er echter
een risico aan het uiten van de cultureel-ethische identiteit, waardoor
ook de morele kant van de discussie niet vrij kan komen. Daarnaast verworden
discussies over cultuur door deze koppeling tot discussies tussen als van
elkaar verschillend waargenomen culturele groepen. Dit leidt ertoe dat
de ethisch-culturele discussie plaatsvindt tussen gebonden groepen in plaats
van door vrije individuen.
9. Nationaal burgerschap her- en verbergt een democratisch tekort.
Nationaal burgerschap is een democratische miskleun. Vanwege de koppeling
met de nationale identiteit heeft niet iedere ingezetene de beschikking
over volledig burgerschap en de daarmee gepaard gaande politieke stemrechten
(Walzer, 1983). Hierdoor nemen ingezetenen die wel mogen stemmen, beslissingen
die ook de toekomst aangaan van legale ingezetenen zonder volledige burgerschapsstatus.
10. Nationaal burgerschap essentialiseert het verschil tussen groepen
en negeert individueel verschil.
Nationaal burgerschap gaat er vanuit dat een individu eerst tot een
groep moet behoren, wil het rechten kunnen krijgen. Omdat iemand er dan
alleen maar bij kan horen, als hij tot een groep behoort, behoort hij dus
tot een andere groep, als hij er niet bij hoort; om specifieker te zijn:
tot een groep vreemdelingen. Deze essentialisering van groepsverschillen
leidt af van de verschillen die er tussen individuen en in de verschillende
groepen bestaan. Iedere vluchteling en migrant wordt nu vooral als onderdeel
van een groep gezien, wat in strijd is met het recht om als individu met
een eigen individualiteit erkend en behandeld te worden.
11. Nationaal burgerschap presenteert groepsdwang als individuele
keuze.
Gelijkheid binnen de groep wordt door de koppeling van recht en cultuur
bereikt door iedereen van een andere groep uit te sluiten. Hierdoor
is er sprake van een koppeling tussen verschil en de groep en tussen gelijkheid
en de groep. Binnen de meeste multiculturele staten wordt dan ook getracht
gelijkheid tussen groepen te creëren. Een dergelijke implementatie
van gelijkheid kan echter alleen maar bewerkstelligd worden door de vergroting,
veralgemenisering en essentialisering van groepsverschil. Hierdoor wordt
de ruimte van een individu om een eigen identiteit te ontwikkelen beperkt
tot die binnen de 'eigen' groep. Er is echter geen reden om datgene wat
we verschil noemen, te lokaliseren als alleen bestaande tussen groepen.
Door verschil in eerste instantie bij het individu en daarmee tussen individuen
neer te leggen en door cultuur daarmee te denken en te behandelen als een
individuele keuze, kan de essentialisering van groepsidentiteiten tegengegaan
worden.
12. Nationaal burgerschap leidt tot geografische fixatie:
óf in óf out of order.
Nationaal burgerschap is mede gebaseerd op het volgende cultuurbeeld:
mensen horen bij een bepaalde cultuur en daarmee bij een bepaalde natie,
geworteld in een bepaald grondgebied (zie stelling 7). In dit beeld wordt
cultuur als een boom gezien, die alleen in specifieke 'thuis'gebieden tot
groei en bloei kan komen. Door globaliseringstendensen is deze grondmetafoor
achterhaald: cultuur en mensen worden steeds meer gedeterritorialiseerd.
Mensen bewegen zich dan ook niet tussen vastliggende, maar tussen veranderende
culturen (Geuijen, 1997). In de belevingswereld van veel mensen heeft het
oude cultuurbeeld echter nog een sterke invloed. Hierdoor worden van elders
afkomstige, maar 'hier' aanwezige mensen met een andere cultuur als 'out
of order' beschouwd. Ze zijn wel hier, maar niet ván hier. Iemand
die niet van hier is, kan dat vanuit dit gezichtspunt ook nooit worden
en maakt geen kans op burgerschapsrechten.
13. Nationaal burgerschap gooit vluchtelingen op 'eigen' hoop.
Volgens het achterhaalde cultuurbeeld (zie stelling 12) kent de wereldkaart
geen overlappingen en zijn grond, volk en cultuur op een natuurlijke wijze
met elkaar verbonden. Hierdoor kunnen mensen slechts tot één
cultuur behoren: de eigen, en wordt verplaatsing als een anomalie gezien.
Vanuit deze zienswijze kiest de Nederlandse overheid voor een beleid dat
is gericht óf op terugkeer van vluchtelingen met een tijdelijke
status óf op volledige integratie in Nederland. Volgens Geuijen
(1997) is dit beleid niet voldoende geproblematiseerd. Zij stelt dat mensen
minder dan voorheen verbonden zijn met bepaalde geografische plaatsen:
identiteiten worden steeds meer gedeterritorialiseerd. Hierdoor is een
poging tot conversie van de eigen of andermans cultuur zinloos2.
Geuijen vindt het zinvoller de perspectieven van vluchtelingen met hun
veranderende culturele identiteiten centraal te stellen. Een meer individuele
benadering van vluchtelingen én van cultureel verschil lijkt hiervoor
nodig.
14. Nationaal burgerschap staat geen meervoudige verbondenheid toe.
In de van elkaar gescheiden en als verschillend onderscheiden multiculturele
natiestaten bevinden zich mensen die zich met elkaar verbonden voelen en
dwars door de grenzen van deze staten heen gemeenschappen vormen en activiteiten
ondernemen. Deze verbindingen kunnen voor vluchtelingen en migranten van
groot belang zijn voor hun culturele identiteit. Bij vertegenwoordigers
van de overheid leeft echter de gedachte dan wel de angst, dat contacten
met mensen en cultuur in andere landen de integratie tegenwerken. Meervoudige
verbondenheid is de makers van het integratiebeleid een gruwel. Volgens
Basch e.a. (1994) ontwikkelen veel migranten echter netwerken, activiteiten
en ideologieën die hun herkomst- en vestigingsland juist bijeenbrengen.
Een betrokkenheid met het ene land hoeft een inbedding in een andere samenleving
niet uit te sluiten. Ook uit recent onderzoek in Rotterdam komt naar voren,
dat vluchtelingen en migranten op meer plaatsen tegelijkertijd gericht
kunnen zijn (Dijkstra & van Eekelen, 1999: 37). Nationaal burgerschap
verlangt een eenzijdige gerichtheid, maar voorbij de grenzen van de multiculturele
samenleving is een multiculturele wereld te winnen.
Postnationaal burgerschap en het recht op individualiteit
De toepassing van nationaal burgerschap leidt tot ongelijkheid in het
recht en tot mogelijke onvrijheid in het beleven van een eigen identiteit.
Een alternatief voor deze malaise is de ontnationalisering van burgerschap.
Burgerschap wordt dan voorgesteld als een lege positie, die door iedere
legale ingezetene van een staat kan worden ingenomen (Donald, 1996). Alle
rechten die tot nog toe verkregen worden door de beschikking over een nationaliteit
of nationale groepsidentiteit, worden dan toegankelijk voor iedere ingezetene,
ongeacht zijn identiteit of achtergrond3.
In essentie houdt postnationaal burgerschap de scheiding in van recht en
cultuur. Binnen de grenzen van een staat die een postnationaal burgerschapsprincipe
hanteert, mag en kan iedereen zichzelf vrijelijk, zonder dwang definiëren.
In een dergelijke staat is in zekere zin iedereen voor iedereen een vreemdeling
(Bauman, 1988). Maar in tegenstelling tot bij nationaal burgerschap zijn
dit vreemdelingen van een niet gedefinieerde soort.
In deze visie wordt ervoor gekozen het individu als uitgangspunt
voor de idee van rechtsgelijkheid te nemen. Dit betekent niet, dat er geen
groepsidentificatie mag bestaan; wel, dat er geen voorgesorteerde groepen
worden gecreëerd. Individuen kunnen uiteraard in vrijheid besluiten
op grond van gedeelde cultuur, etniciteit, idealen of iets anders samen
een groep te vormen en bepaalde (groeps)rechten te claimen. Het gaat er
niet om de confrontatie op het gebied van cultuur, ethiek en identiteit
te vermijden, maar juist om deze niet tot een onoverbrugbare discussie
tussen verschillende groepen te laten verworden (zie stelling 8). De vrije,
multiculturele confrontatie kan alleen vanuit gelijke machtsposities gevoerd
worden.
Maar hoe zit het dan met het recht op verschil? De Ruijter
(1996: 221) stelt, dat het doel van de discussie over burgerschap 'should
not be to realize a unity in society (shared standards and values, common
goals, brotherhood) and to have all citizens focus on this unity, but to
organize plurality and ways of dealing with differences in convictions
and forms of life'. Tot nu toe heeft de waardering van verschil in
het recht via de groepsmetafoor plaatsgevonden: dé natie, dé
Nederlandse cultuur, dé Franse nationaliteit. Het is daardoor onmogelijk
verschil te waarderen zonder andere groepen of individuen van bepaalde
rechten uit te sluiten. Door gelijkheid bij het individu neer te leggen,
door de loskoppeling van recht en (groeps)cultuur, ontstaat echter de mogelijkheid
dat dit verschil, het recht op een eigen identiteit, eveneens bij het individu
kan worden neergelegd. Dit recht zou dan evenals het postnationale burgerschap
in principe een lege huls moeten zijn. Maar een groot verschil ermee is,
dat deze lege huls met een bepaalde identiteit ingevuld mag worden. Een
dergelijk recht op individualiteit kan waarborgen dat iedereen elke keer
weer anders mag zijn. Het is het recht om meerdere identiteiten te mogen
vormen.
Het recht op individualiteit is gebaseerd op de visie
van het ethisch individualisme. Die wordt door o.a. Matthijssen (1998)
en van Loon (1999) zo begrepen, dat ieder individu de mogelijkheid heeft
inzicht omtrent zichzelf en zijn verhouding tot de buitenwereld te verwerven4.
Iedereen draagt daardoor de mogelijkheid in zich om verantwoordelijkheid
voor het eigen doen en laten op zich te nemen. Deze zienswijze houdt in,
dat ieder mens in essentie als gelijkwaardig én als uniek wordt
beschouwd. Hiervoor moeten sociale structuren gecreëerd worden, die
voldoende ruimte voor dit individuele unieke van ieder mens bevorderen.
Instituties als het nationaal burgerschap, die de mens in de weg staan
in het vormgeven van het eigen leven, moeten tegengegaan worden.
Als toch ergens in de wet het verschil gelokaliseerd moet
worden, kan dit beter dan via (etnische) groepsindelingen geschieden via
een recht van het individu om zijn individualiteit elke keer op een andere
wijze inhoud te mogen geven. Zo wordt een dynamische samenleving verkregen,
waarin cultuur, ethiek en identiteit als individuele keuzes kunnen worden
voorgesteld en aangenomen. Voor het geestesoog verschijnt dan een wereld
waarin allerlei individuen en groepen mensen met meer of minder identiteiten,
meer of minder van elkaar verschillend, meer of minder een vaste standplaats
bewonend, meer of minder transnationale contacten uitoefenend, meer of
minder meervoudig verbonden samen proberen samen te leven. Omdat het zwaartepunt,
als het om verschil gaat, in dit geval niet langer bij een groep ligt,
maar bij het individu, lijkt het zorgvuldiger niet te spreken van een multi-etnische
of een multiculturele samenleving. Vrije, postnationale burgers leven in
een multi-individuele samenleving5.
Noten
1. Er wordt niet gedoeld op mensen die zich volgens de
wet illegaal in een bepaalde staat bevinden. Over bepaalde rechten voor
deze zogenaamde, al dan niet witte 'illegalen' wordt door voor- en tegenstanders
hevig gediscussieerd, maar op deze discussie wordt hier niet ingegaan.
Het gaat hier juist om verschillende statussen voor mensen die wel vrijwillig
door een bepaalde staat opgenomen zijn.
2. Dit wil volgens Geuijen (1997) niet zeggen dat er
één grote wereldcultuur aan het ontstaan is. Ook auteurs
als Appadurai (1991) en Hannerz (1992) stellen dat er eerder sprake is
van creolisering, samensmelting en fragmentatie van culturele betekenissen.
3. Het praten over 'achtergrond' komt mij altijd raar
voor. Het woord draagt iets nadrukkelijk bepalends met zich mee. De vraag
is of iemand die voor de voetbalclub Ajax is een Ajax-achtergrond heeft
of dat we beter van een Ajax-voorgrond kunnen spreken. Dit laatste draagt
meer de betekenis van een keuze met zich mee. In het geval van identiteit,
of die nu op basis is van etniciteit, religie of sport, is er bij datgene
wat iemand zich van zichzelf voorstelt en bij de presentatie naar anderen
eigenlijk altijd sprake van een keuze. In die zin is het inzake identiteitskwesties
misschien beter te spreken van voorgrond: 'ik heb een Christelijke voorgrond',
als een uitdrukking van wat iemand is en voorstaat. Het begrip achtergrond
zou dan enkel gebruikt moeten worden als het erom gaat uit welke historische
omstandigheden je bent voortgekomen. Een Christelijke achtergrond betekent
niet hoe dan ook dat iemand zich nog als Christelijk beschouwt. Door in
beide gevallen altijd van achtergrond te spreken worden de situaties van
heden en verleden door elkaar gehaald.
4. Ook Cohen (1994) benadrukt het belang om in sociaal-wetenschappelijk
onderzoek het individu te zien als een zelfbewuste schepper van en participator
in zijn eigen sociale situaties. Individuen zijn volgens hem geen micro-versies
van grotere sociale identiteiten. Deze rehabilitatie van het individuele
zelf in de sociale wetenschappen bedoelt niet het zelf als een alternatief
voor het samenleven te poneren: wel stelt het een gezichtspunt voor van
een samenleving bestaande uit en door zelf-bewuste individuen (1994: 192).
5. Natuurlijk kan gesteld worden dat die multi-individuele
samenleving er nu ook is, zeker naar rechtsposities gemeten. Maar dat is
niet waar het hier over gaat. Door in het beleid te spreken van etnische
groepen wordt het verschil geëssentialiseerd. Dat komt niet overeen
met de hier gebruikte liberale waarden. Het is waar dat een groot aantal
individuen ook tot (etnische) groepen wil behoren. Dat mogen ze: postnationaal
burgerschap is een pleidooi tegen essentialisering van groepsverschillen
waar het individu geen belang bij heeft, maar is een pleidooi voor culturele
diversiteit en groepsvorming, mocht die bestaan in het belang van individuen.
Het belangrijkste is dat er geen sprake kan zijn van dwang ergens bij te
moeten horen.
Literatuur
Appadurai, A. (1991) 'Global Ethnoscapes: Notes and Queries for a Transnational
Anthropology', in: R.G. Fox (ed.), Recapturing Anthropology: Working
in the Present, pp.191-212. Santa Fe: School of American Research Press.
Basch, L., N. Glick Schiller & C. Szanton Blanc (1994) Nations
Unbound: Transnational Projects, Postcolonial Predicaments and Deterritorialized
Nation-states. Amsterdam: Gordon and Breach Publishers.
Bauböck, R., 'International Migration and Liberal Democracies:
The Challenge of Integration'. Paper op internet.
Bauman, Z. (1988) 'Strangers: The Social Construction of Universality
and Particularity', in Telos, 78: 7-42.
Brink, B. van den (1997) The Tragedy of Liberalism. Utrecht:
Departement of Philosophy, Utrecht University.
Brubaker, R. (1992) Citizenship and Nationhood in France and Germany.
Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
Carens, J. (1991) 'States and Refugees: a Normative Analysis', in:
H. Adelman (ed.), Refugee Policy: Canada and the United States,
pp. 18-29. Toronto.
Cohen, A.P. (1994) Self Consciousness: an Alternative Anthropology
of Identity. London: Routledge.
Dijkstra, S & B. van Eekelen (1999) 'Meervoudig verbonden: grensoverschrijdende
activiteiten van migranten- en vluchtelingenzelforganisaties in Rotterdam'.
Rotterdam: COS Rijnmond & Midden Holland.
Dijkstra, S. (1999) 'Van nationaal burgerschap naar een recht op individualiteit:
postnationale gelijkheid in een wereld van verschil'. Utrecht: ongepubliceerde
scriptie, Universiteit Utrecht.
Donald, J. (1996) 'The Citizen and the Man About Town', in: S. Hall
& P. du Gay (eds),
Questions of Cultural Identity, pp. 170-190.
London: Sage Publications.
Eriksen, T. (1997) 'The Nation as a Human Being - a Metaphor in a Mid-life
Crisis? Notes on the Imminent Collapse of Norwegian National Identity',
in: K. Fog Olwig & K. Hastrup (eds),
Siting Culture: the Shifting
Anthropological Object, pp. 103-122. London: Routledge.
Geuijen, C.H.M. (1997) 'Tijdelijke bescherming, integratie en terugkeer
van vluchtelingen: een onmogelijke combinatie?' in: Beleid & Maatschappij,
1997/5: 209-220.
Hammar, T. (1990) Democracy and the Nation-state: Aliens, Denizens
and Citizens in a World of International Migration. Aldershot: Avebury.
Hannerz, U. (1992) Cultural Complexity: Studies in the Social Organization
of Meaning. New York: Columbia University Press.
Kymlicka, W. (1995) Multicultural Citizenship. Oxford: Oxford
University Press.
Loon, E. van (1999) 'Employability: een kwestie van kiezen (o.a. ethisch
individualisme, liberalisme en socialisme)'. Amsterdam: Orifiël Instituut.
Matthijssen, M. (1998) 'Knelpunten in het Nederlands onderwijsbestel
in het algemeen en beleid met betrekking tot minderheden in het bijzonder'.
Amsterdam: Orifiël Instituut.
Ruijter, A. de (1995) 'Cultural Pluralism and Citizenship', in Cultural
Dynamics, 7(2): 215-231, (june 1996). London: Sage Publishers.
Soysal, Y.N. (1994) Limits of Citizenship: Migrants and Postnational
Memberhip in Europe. Chicago: The University of Chicago Press.
Taylor, C. (1994) Multiculturalism: Examining the Politics of Recognition.
New Jersey: Princeton University Press.
Walzer, M. (1983) Spheres of Justice: a Defence of Pluralism.
New York: Basic Books.
Young, I.M. (1990) Justice and the Politics of Difference. New
York: Princeton University Press.