|
De waan die waarheid heet
Hans de Kruijf
'Irrevocable is our goodbye, inevitable is the end of our dream,
only a few rapid eye movements away.
Surreal life never lasts. Never will it be like this again,
Nothing can equal the apparent perfection of the present
when you know the dream is ending ...'
Dagboek, Maandag 3 april 2000
Het is waar, niets kan op tegen de schijnbare perfectie van een heden
dat op het punt staat te verzinken in het moeras van de goede herinneringen.
Het leek perfect en misschien was dat het ook wel, ik weet het niet meer.
Sentimenten kleuren mijn perceptie, ik zie niet meer, maar heb ik ooit
gezien?
Maandag, 3 april 2000, het is vijf dagen voor mijn vertrek naar weg
van hier. Ik zit achter mijn bureau in een huis ergens aan de Guyanese
Essequibo kust. Buiten brandt de zon de laatste dappere wolken uit de lucht.
Binnen blaast mijn trouwe ventilator het verse zweet van mijn eeuwig klamme
huid. De regentijd is voorbij, de last van het lekkende dak geleden, afgelost
door een invasie van minuscuul rood stof dat huis en raad voorziet van
een vaag oranje waas.
Ik schrijf wat en blader door mijn dagboek. 'Pseudo-literaire
bullshit,' denk ik, als ik naar de woorden voor me kijk. Pseudo-literaire
bullshit uit een huilend hart, pennepoep van een sentimentele slappeling
die zich vooralsnog niet los lijkt te kunnen maken van de schijnwereld
waarin hij zich nu al vijf maanden ophoudt. Ik haat mezelf, vervloek mijn
zwakte, lach om het bombastisch taalgebruik waarop ik inmiddels een patent
lijk te hebben. 'Niets doet pennevruchten beter tot wasdom komen dan een
gepijnigde geest,' lees ik op 'donderdag 26 november'. Geeneens een leugen;
pijn is fijn, hartzeer maakt de schrijver in je los.
Honderdzoveelenzestig dagen was ik in Guyana, honderdzoveelenzestig
dagen voor mijn 'rite de passage'. Een reuze vakantie onder het mom van
wetenschappelijk onderzoek. 'A research project as part of a memorandum
of agreement between the Department of Cultural Anthropology and the Amerindian
Research Unit of the University of Guyana,' prijkt er als alibi op mijn
introductiebrief. Of het waar is, weet ik niet; kan me ook niet schelen;
van een 'memorandum of agreement' heb ik in elk geval nooit gehoord. Het
'research project' zelf vind ik stiekem van een welhaast beschamende trivialiteit,
een zelf opgelegde zoektocht naar de sociale werkelijkheid van mensen die
waarschijnlijk wel wat beters te doen hebben dan mij de weg te wijzen.
Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek heet het, vragen waarop de antwoorden
geen enkel aantoonbaar praktisch nut hebben, onderzoek alleen mogelijk
binnen de parallelle dimensie die universiteit heet. Wat ik wilde doen
en heb gedaan, is kijken hoe de Guyanese Indianen zichzelf en hun plaats
in de wereld zien. Wat ik wilde, is de waarheid kennen, de waarheid van
geconstrueerde werkelijkheden, een waarheid die ik doopte 'Amerindianness'.
Vijf maanden had ik hiervoor uitgetrokken, een zee van tijd, verworden
tot een nietig plasje; vijf dagen waren er nog van over en ook die zouden
weldra door het putje zijn verslonden. Het was 3 april, de tweede dag van
omega week. Nog vijf dagen, honderdveertien uur, voor de 'take off to Trinidad'.
Drie dagen zou ik in dat land doorbrengen, drie dagen om me, wekend in
een bubbelbad, te bezinnen op hoe het was en hoe het zou worden.
Het idee alleen al maakt me onpasselijk. De geboekte stop-over
op dat rottige eiland kan me momenteel gestolen worden. Ik heb helemaal
geen zin in Trinidad, geen zin in goudgele stranden en kristalhelder water,
geen zin in de ingeblikte vrolijkheid van steel-bands en de zonneolielucht
van groepen veel te dikke, roodverbrande cruise-Duitsers. Ik ben verliefd
op het minder schone, op de rottende karkassen tussen de rotzooi op het
strand en op het lauwwarme modderwater dat bij hoogtij dreigend opspat
tegen de antieke 'seawall'. Ik ben blind verliefd op de jeukende uitslag
die je krijgt na pootjebaden, de benevelde kustbewoners die je nooit met
rust schijnen te laten, en de stallucht van passerende strand-geiten. Rennen
wil ik, rennen voor de straathonden die gek van loopsheid jagen op alles
wat beweegt, rennen voor het moeten gaan. 'Heerlijk hier en nu,' denk ik,
terwijl ik kijk naar de nog verse littekens die mijn rechter enkel sieren.
Aangevallen, pas gelé, maar de hellehonden zijn weg, de pijn is
vergeten. De gedachten aan dreigend rabiës en het ontbreken van een
vaccin zijn nu niet meer dan anekdotisch potentiële trivia. Liefde
maakt blind, en ik zag al bijna niet. Alle regen lijkt zon door de bril
van het naderend vertrek.
The apparent perfection of the present when you know the dream is
ending...
Ik wilde niet weg, was hier nog niet klaar. Mijn handen leken nog zo
leeg en de schaarse antwoorden die ik had, van een groteske onbenulligheid.
Onzeker was ik niet, maar gek nog minder; geen flauw idee hoe ik hier dadelijk
thuis een verhaal van zou moeten breien. Wat ik schrijf, zal een leugen
zijn, een illusie van weten van de hand van de onwetende. Niet zij zijn,
maar ik ben het onderzoek.
"Het 'subject' is als verf in de handen van een kunstenaar. Het kan
niet meer dan lijdend toezien hoe de meester zijn mes erin zet en het op
gaat brengen. Deels is de schilder een product van zijn tijd, in zijn handelen
beperkt door de grenzen van het materiaal, maar bovenal is hij een autonoom
denker, een meester der creatie. Het is zijn hand die schept, het is mijn
hand die schept... (Dagboek: dinsdag, 28 december 1999)
Ik ben de schepper, hun verhaal is mijn verhaal, en mijn verhaal dat
ben ik niet, niet meer, dat was ik in het veld. Veldwerk dat ben jij en
jij dat is de karikatuur van je 'zelf' die het veld van je maakt. Veldwerk
is een val, een wirwar van vrijwel niet te ontrafelen en te 'wegen' invloeden
in de gedaante van schijnbare eenvoud. In die val lopen, het schilderij
voor waar aannemen, als 'window to the world' zien, is eenvoudig; door
die wirwar de werkelijkheid zien bijna niet te doen. Veldwerk is een val
en een zegen en met beide moet je weten om te gaan.
Zoals George en Jones (1980) al schreven, veldwerk is
bovenal een menselijke onderneming. Onherroepelijk zal er enige correlatie
zijn tussen de 'plein air' verzamelde informatie en de context waarin die
informatie is ingewonnen. In de eerste plaats is de respons van het 'subject'
een respons op jou als 'Fremdkörper'. Daarnaast is je ontheemde zelf
van beslissende invloed op de vragen die je stelt, de strategie die je
kiest, en de selectie en interpretatie van de gegevens. Data zijn de uitkomst
van een lange reeks toevalligheden en keuzes; elke waarheid kent duizend
toegangswegen, elke toegangsweg duizend waarheden. Daarmee wil ik niet
zeggen dat veldonderzoek nutteloos of onbruikbaar is. Iedereen kent de
voordelen (b.v. Hammersley & Atkinson, 1995); het is de enige manier
waarop de sociaal-wetenschapper bij benadering inzicht zou kunnen krijgen
in vraagstukken waarin een veelvoud van variabelen speelt. Waar antropologen
zich veelal mee bezig houden is 'the interconnectedness of all (or various)
aspects of social life', zegt Conrad Kottak (1994: 34). En waarschijnlijk
is veldwerk inderdaad de minst slechte manier om een dergelijke 'interconnectedness'
te bestuderen. Complexiteit is inherent aan sociaal leven en het gevaar
van oversimplificatie is in het geval van een langdurig verblijf in het
veld veel minder dreigend dan bijvoorbeeld bij sociologisch georiënteerd
onderzoek.
Maar de waarheid kennen? Is de waarheid willen leren kennen
niet slechts het najagen van een illusie, iets wat altijd het streven moet
zijn, maar nooit een reële kans van slagen heeft? Misschien kun je
niets anders dan weten de waarheid niet te kennen. Want hoe ontdoe je je
in godsnaam van het filter van 'het zelf', dat onherroepelijk al je data
kleurt. Onvermijdelijk zijn mijn data zwaar vervuild door weinig rationele
overwegingen van mijn 'displaced' zelf. 'Mijn Guyana is niet,' schreef
ik ooit, en dat klopt. In mijn Guyana was ik mezelf niet en in mijn Guyana
was Guyana zichzelf niet. Mijn Guyana is 'an ideal self-image of a flawed
country presented to a passer-by' (Dagboek: dinsdag, 29 februari 2000).
Een afgeschermd stukje wereld, een podium waarop de informanten hun beste
zelf spelen. Troebel zicht, illusionaire aardigheid en sociale wenselijkheid.
Hoe kan ik zien, als iedereen voor mijn ogen speelt? Hoe ontkom ik aan
het spel waarin ik zelf speel? Hoe ontdoe ik me van een rol waarvan ik
houd, de rol van de onterecht gevierde, de rol van statusrijke, exotische
noviteit. Ik weet het niet; ik weet niet eens of ik het wel echt wilde,
of ik het wel hard genoeg heb geprobeerd. Niets is makkelijker dan je te
laten meeslepen in de surrealiteit van je bestaan in het veld, de plek
waar je oneindig interessant en zeer de moeite waard bent. Nog steeds hebben
veel antropologen de neiging naar de centra van de periferie te trekken,
weinig bedorven gebieden waar je ongetwijfeld ergens boven aan de maatschappelijke
ladder geplaatst wordt. Mijn ervaring is, dat je in die 'centra van de
periferie' door het subject, de actor, belangrijk genoeg geacht wordt om
er zijn of haar 'spel' voor aan te passen. Ontsnap hier maar eens aan,
ontdoe je maar eens van jezelf...
Het blijspel en de acteur, geen van beide werkelijkheid, geen van beide
boze opzet, beide onvermijdelijk. De 'Fly on the wall' is een verzinsel,
een bedenksel van een eersteklas irrealist. Je bent een attractie en om
de attracties draait het. De werkelijkheid wordt opgeschort, wanneer jij
langs komt. Participerend observeren is mij in elk geval nooit gelukt.
Participeren in wat, de uitzichtloosheid van het Indiaans bestaan? Hoe
kan ik marginaal zijn met de marginalen, me nestelen in hun positie, het
laagste stratum van de Guyanese samenleving? Participeren is oneindig veel
meer dan lijfelijk aanwezig zijn. Deel hebben aan hun wereld is in ieder
geval hun wereld zien, liefst door hun ogen, en ik weet niet wat ik zag,
maar de wereld door hun ogen was het niet. Ik was daar om een antwoord
op mijn vraag te krijgen; weten hoe de werkelijkheid geconstrueerd wordt,
was mijn streven. Maar hoe kon ik de werkelijkheid weten; hoe weet ik of
ik de waarheid weet?
Keeping up appearances is easy, lifting the curtains of seeming -
to behold the being - hard... (Dagboek: zondag, 30 januari 2000)
Klakkeloos kun je rondgaan en je zakken vullen met valse feiten; niets
is eenvoudiger dan de schone schijn van opgeloste puzzels ophouden. Maar
het gordijn van het lijken oplichten - het zijn zien - is bijna ondoenlijk.
En dan nog, zelfs de waarheid zien is niet de waarheid voelen en de waarste
waarheid is de waarheid die je voelt. Vijf maanden ben ik er geweest en
ik heb geen flauw idee hoe de waarheid voelt. Hoe voelt een uitgemergelde
zoon met AIDS, hoe voelt een agressieve dronken man, negen kinderen en
geen brood op de plank, hoe voelt diabetes wanneer je laatste paar dollars
al zijn opgegaan aan je medicijnen voor vorige week? Ik weet het niet,
kan het niet weten; ik ben roomwit en verzekerd, verzekerd van status en
eersteklas hulp bij ongelukken. Kansrijke onder de kanslozen, ik kan de
waarheid niet kennen.
Honderdtwaalf uur en drie kwartier. Nog steeds zit ik achter mijn bureau,
zwelgend in mijn sentimenten. Achteloos sla ik een mug van mijn arm, dood.
'Shit, een volle,' mompel ik, terwijl ik haar bloed, mijn bloed, van mijn
arm poets. Vage visioenen van dengue komen in me op, maar worden weer verdreven
door de zeurderige pijn van twijfel en gemis. Alles mis ik. Ik mis onder
het afdak de zaterdagse handwas doen, (hoe heerlijk kon je fantaseren,
terwijl je hand de borstel over het wasbord stuurde.) Ik mis de kakkerlakken,
die 's nachts tegen je opkropen, als je even nodig moest. Ik mis de eeuwig
verbaasde ogen van de indianen bij het meer, die ook na vijf maanden nog
geschokt staarden bij het aanzicht van mijn witte, ingezeepte torso. Ik
mis, ik mis, ik mis. Ik ben de grote verliezer in de strijd voor 'no attachment'.
Verkleefd ben ik met mijn 'make-believe' bestaan. Kosmopoliet in de periferie,
sukkel. Geen moment heb ik echt geprobeerd te zijn als zij; geen moment
heb ik West-Europa van me af kunnen werpen. Laptop, stereo, video, boterham
met pindakaas, het neo-koloniaaltje op avontuur. Met volle teugen heb ik
genoten van mijn onverdiende status, maar nu moet Assepoester naar huis,
het is vijf voor twaalf daar zo achter mijn bureau. Honderdtwaalf uur en
drie kwartier, nog even en ik moet naar huis...
Never will it be like this again...
Maandag, 3 juli 2000, lang en breed thuis. 3 April is meer dan negentig
dagen geleden. Ik zit achter mijn bureau in een huis ergens op de Veluwe.
Buiten miezert het; hier in de lage landen kent de regen geen tijd. Essequibo
lijkt lichtjaren hiervandaan, een droom waarvan je je alleen flarden kunt
herinneren, een stem maar geen gezicht, een geur maar niet zijn bron. Ik
mis het, voel me minder thuis thuis, mis het gekend zijn, mis het fijn
rare idee van wereldburgerschap dat mijn exotisch zijn gaf.
Voor me ligt mijn dagboek, open, 't bewijs van mijn 'veldbestaan'.
Pseudo-literaire bullshit in zwarte kraaiepoten op ongelinieerd papier.
Iets mooiers heb ik nooit geschreven. Ik kijk naar het beeldscherm en lees
de laatst getypte regels van mijn artikel. Vrucht van planloos schrijven,
een artikel over gevoelens en illusies, zonder ook maar de geringste structuur.
Het spijt me, want sexy wil ik schrijven. 'A piece sweet as a novel with
the intelligence and authority of a first class scholastic scripture,'
schreef ik als streven ergens in mijn scriptie. Het is me nog nooit gelukt.
Ook voor nu vrees ik het ergste. Meer dan 2000 woorden heb ik reeds verkwist
aan dit verhaal, een schrijfsel over veldwerk, gevoel en waarheid. Een
artikel over de relativiteit van data, de ambigue rol van de veldwerker
en de ongrijpbaarheid van de waarheid. Wellicht meer een verhaaltje dan
een stuk met de illusionaire autoriteit van de ware CAse, een verzameling
gedachten in plaats van feiten.
Waarom? Misschien omdat dit is wat me bezig houdt. Ik
wil af van de waan van authenticiteit die onderzoek tot leugenachtig maakt.
De onderzoeker moet zichzelf niet uit het onderzoek schrijven. Jezelf,
jouw reilen en zeilen moeten worden overwogen in de analyse en presentatie
van je data. Jouw gevoelens en overpeinzingen expliciet noemen in je verhaal
is geen ongewenst narcisme, 'self-indulgence', van een arrogant schrijver,
maar pure noodzaak. Ik weet, het is geen origineel, niet eens echt controversieel
standpunt, maar het is iets wat ik slechts wil benadrukken, iets wat ik
in mijn eigen werk niet mag vergeten. Wat ik wil zeggen is, dat de belangrijkste
ontdekking van het veldwerk de onthulling van jezelf en jouw rol kan zijn.
Natuurlijk kende ik mezelf, natuurlijk kende ik mezelf niet. Natuurlijk
maakte Guyana niet, dat mijn ziel nu een gelezen en begrepen boek is. Guyana
maakte mij alleen duidelijk, dat je als veldwerker een bijna almachtig
onderzoeksinstrument bent. Ik bepaalde de bril die ik droeg; mijn aanwezigheid
vervormde onherroepelijk de 'werkelijkheid'; mijn gevoelens stuurden mijn
handelen en daarmee de interactie met de 'subjecten'. De data zijn de data
van mij in mijn herschapen realiteit. Middels ordening, selectie en interpretatie
van de door mij verzamelde stukjes werkelijkheid schilder ik een impressie
van hoe ik denk dat het was. Ontsnappen kun je er niet aan; je kunt je
slechts bewust zijn van je eigen denken en handelen, je positie en disposities,
je macht en onmacht.
'Weet' je zelf, dat is het minste wat je kunt doen. Want
hoe kun je de wereld kennen, als je jezelf niet kent? Kende ik de wereld,
kende ik mezelf? Ken ik de waarheid van Essequibo; is mijn zoektocht geslaagd;
heb ik de sociale werkelijkheid gevonden? Was de waarheid wel mijn passie
of was de waan waarheid genoeg? Nee, nee, nee, nee, alles wat ik heb is
een flauw vermoeden, een vage indicatie van het wat en hoe van Essequibo
en mij...
Literatuur
Georges, Robert A. & Michael O. Jones, People
Studying People: the Human Element in Fieldwork. Berkeley, University
of California Press, 1980.
Hammersley, Martyn & Paul Atkinson, Ethnography:
Principles in Practice. London, Routledge, 1995.
Kottak, Conrad, P., Cultural Anthropology. New
York, McGraw-Hill, Inc., 1994.
|
|