Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


2000
vorige naar index volgende

Vrouwelijke asielzoekers: Wat houdt ze bezig?

Janneke van der Horst

Na een reis van bijna twee uur stap ik uit het boemeltreintje. Het kleine stationnetje is nagenoeg uitgestorven. En nu maar hopen dat het busje komt. Dat is altijd weer een verrassing; het kan zijn dat hij net is geweest en dat de chauffeur heeft besloten niet op de komende trein te wachten. Dan moet ik twee uur wachten op het volgende busje. Gelukkig komt hij er net aanrijden. Ik prop me tussen de mensen die spreken in een taal die ik niet versta. Na ongeveer twintig minuten rijden, over smalle wegen met alleen hier en daar een boerderij, arriveren we op de plaats van bestemming...
...En die bestemming is geen verre, doch wel een exotische bestemming: het asielzoekerscentrum (AZC) te Aalten in Gelderland. Gelegen te midden van de weilanden en boerderijen, kilometers van Aalten vandaan, zonder openbaar vervoer in de wijde omtrek, is het echt 'the middle of nowhere'. Het centrum heeft een eigen busjesdienst, die een paar keer per dag rijdt, met chauffeurs die af en toe wat eigenzinnig zijn. Ik heb in dit AZC van januari tot mei 1999 onderzoek gedaan naar vrouwenactiviteiten en dagstructurering.
Ik stap uit en haal bij de portier de sleutels van de vrouwenruimte en een portofoon. De bar bij de ingang zit als gewoonlijk vol met koffiedrinkende mannen. Een portofoon is verplicht, omdat het handig is in een AZC met zo'n groot oppervlak als AZC Aalten, maar ook voor als er iets gebeurt. Mensen kunnen agressief worden, ergens op het terrein. Voordat het tijd is om de vrouwenkamer open te doen, ga ik eerst eten bij een 'familie' uit Iraaks Koerdistan. Samen met de twee medewerksters van de vrouwenactiviteiten ben ik door hen uitgenodigd. Zo zit ik tussen de middag Koerdisch te eten bij een man, zijn zus en haar dochtertje die gevlucht zijn uit Irak. Ze spreken slecht Nederlands; communicatie gaat met handen en voeten. Het gesprek gaat voornamelijk over de vrouw en haar dochtertje; ze hebben beiden last van moeheid, depressies en gebrek aan eetlust. Ze wachten al meer dan een jaar in het AZC. Ondertussen worden we volgestopt en bedolven onder een enorme gastvrijheid. Met een volle maag, maar een ietwat zwaar gemoed ga ik aan het werk...
De bewoners van een AZC hebben allemaal hun eigen zorgen. Overal waar ik kwam in AZC Aalten, werd ik zeer gastvrij ontvangen. Ik sprak met vrouwen, en soms met hun mannen, in caravans, bungalows en op kamertjes. Ik kreeg palmblad met zoute vis voorgezet uit Sierra Leone, en baklava uit Kosovo. De mensen die ik sprak, praatten graag met me. Veel gesprekken gingen over hun problemen. In de caravans van de mensen uit Kosovo stond dag en nacht de televisie aan, met het nieuws over de oorlog die op dat moment in volle gang was. Op de tafels lagen sigaretten, veel sigaretten, en ook pillen, antidepressiva. Veel mensen spraken over familie, achtergelaten in het land van herkomst, soms met verblijfplaats onbekend. Sommige mensen keken triest, sommigen huilden, anderen lachten en waren vrolijk. En één vraag was voor iedereen hetzelfde: Hoe lang gaat dit wachten duren?

Existentiële parkeerplaats

In het hierboven geschreven stukje zijn enkele karakteristieken te ontdekken. Hoe divers van samenstelling de bewoners van een AZC ook zijn, hun problemen vertonen een aantal overeenkomsten. In mijn literatuuronderzoek heb ik geprobeerd de problemen van vrouwelijke asielzoekers in kaart te brengen. Veel, maar niet alles van wat ik in het AZC te horen kreeg, was terug te vinden in de literatuur. Naast seksespecifieke problemen, die gebonden zijn aan de sekse of genderidentiteit van de asielzoeker (denk hierbij bijvoorbeeld aan rolveranderingen binnen het gezin), blijken er ook een aantal algemene problemen te zijn, waar vrijwel iedere asielzoeker mee te maken heeft. Dit zijn onder andere problemen rond identiteit en de situatie rond de asielprocedure.
   Problemen rond identiteit worden veroorzaakt door de vlucht naar een nieuw en onbekend land. In de recente (antropologische) literatuur wordt het beeld van een ontwortelde en ontheemde vluchteling genuanceerd. Ingleby, bijvoorbeeld, benadrukt dat vluchtelingen creatief om kunnen gaan met hun vluchteling-zijn; nieuwe culturele identiteiten zouden geconstrueerd kunnen worden. De nadruk is verschoven van het beeld van de vluchteling als slachtoffer naar dat van de vluchteling als survivor, waarin hun soms verrassende veerkracht wordt benadrukt (Ingleby, 1998). Toch is het niet deze veerkracht die ik ben tegengekomen tijdens mijn onderzoek in het AZC. Asielzoekers die nog enigszins actief, energiek en veerkrachtig leken, waren mensen die nog niet zo lang, en nog met verse hoop, in het AZC verbleven. Na verloop van tijd echter zag ik deze actieve houding bij veel asielzoekers veranderen in een passieve en apathische houding. Hierover later in dit artikel meer. Mijns inziens zou het beeld van een creatieve, veerkrachtige vluchteling, dat Ingleby schetst, wel op kunnen gaan voor de als vluchtelingen erkende mensen: diegenen die de zekerheid hebben, dat ze in Nederland mogen blijven en hier dus een bestaan op kunnen bouwen. Voor de meeste asielzoekers is het echter nog maar de vraag of ze in Nederland mogen blijven.
   Hiermee komen we bij het tweede belangrijke probleem van veel asielzoekers: de onzekerheid over de uitkomst van de asielprocedure en de lange wachttijden die hiermee gepaard gaan. Ingleby zegt hierover: "Juist op het moment dat vluchtelingen onvoorwaardelijke acceptatie en erkenning nodig hebben, worden ze in het kader van de asielaanvraag op een soort existentiële parkeerplaats gezet en aan strenge, onpersoonlijke procedures onderworpen." De hoofdvraag van asielzoekers is niet aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) gericht, maar aan Justitie, die moet beslissen over hun asielaanvraag. Volgens Geuijen zijn asielzoekers onvrijwillige cliënten van een AZC. Een AZC kan getypeerd worden als een 'totale institutie': de meeste dagelijkse activiteiten vinden onder één zelfde dak plaats1. Dit leidt ertoe dat de eigen verantwoordelijkheid van de bewoners verdwijnt en dat ze zeer afhankelijk worden. Dit kan leiden tot hospitalisering: een toestand van apathie en totale afhankelijkheid van de organisatie (Geuijen, 1998). Deze 'toestand' heb ik bij veel bewoners van het AZC aangetroffen.

De activiteiten

Op deze en andere problemen van asielzoekers wordt op verschillende manieren ingespeeld. Ten eerste door de reguliere hulpverlening: steeds meer asielzoekers, zowel mannen als vrouwen, doen een beroep op de geestelijke gezondheidszorg in Nederland. Ten tweede wordt door middel van (sociaal-culturele) activiteiten gepoogd aan de problemen van asielzoekers tegemoet te komen. Gebleken is, dat activiteiten bij kunnen dragen aan de oplossing van bepaalde psychische problemen; ze kunnen een heilzaam effect hebben op de deelnemer. Ook in een AZC worden activiteiten georganiseerd met onder andere als doel de bewoners tegemoet te komen in hun problemen. In AZC Aalten werden, onder andere met deze doelstelling, veel activiteiten voor vrouwen georganiseerd. Vanuit het AZC zelf vonden, naast incidenteel georganiseerde sportactiviteiten, in het kader van dagstructurering de volgende vrouwenactiviteiten plaats.

  • De vrouwenkamer is de naam voor zowel de activiteit zelf als de ruimte waarin de activiteit plaatsvond. De vrouwenkamer was elke maandagmiddag van 14.00 tot 16.30 uur open. De vrouwen konden binnenlopen voor koffie of thee, een praatje of een spelletje. Er was één organiserend medewerkster aanwezig. Regelmatig werd er, na overleg met de aanwezige vrouwen, iets georganiseerd zoals schilderen, dansen op muziek of wandelen.
  • De naaimiddag vond ook plaats in de vrouwenkamer, op woensdagmiddag. Dan waren er vier vrijwilligsters aanwezig, die de vrouwen hielpen bij naaien of handwerken. Zes naaimachines stonden klaar voor gebruik en er waren stof, wol, garen enzovoorts te koop tegen een lage prijs.
  • De interculturele vrouwengroep Aalten-AZC was een soort samenwerking tussen de vrouwenactiviteiten in het AZC en een groep vrijwilligsters uit Aalten. Zij organiseerden elke maand een uitstapje voor de vrouwelijke bewoonsters van het AZC, bijvoorbeeld naar een fabriek of een museum, met onder andere als doel de vrouwen kennis te laten maken met de Nederlandse samenleving.
Andere, meer externe initiatieven waren:
  • Omgaan met spanningen en spanningsklachten: een training van Maatschappelijk Werk in samenwerking met het RIAGG. Deze training bestond uit tien wekelijkse bijeenkomsten in het AZC, gericht op een groep vrouwen van één bepaalde nationaliteit (in 1998 was het voor Iraanse vrouwen georganiseerd, in 1999 voor Servo-Kroatisch sprekende vrouwen). Er was een tolk bij de bijeenkomsten aanwezig. De bijeenkomsten waren vooral gericht op ondersteuning van de vrouwen, onder andere door ontspanningsoefeningen en het uitwisselen van ervaringen.
  • Sterker door beweging: een training van Emancipatiebureau Gelderland (EBG). Deze training werd gegeven door drie vrouwelijke docenten 'weerbaarheid', met als doel het versterken van de fysieke en mentale weerbaarheid van vrouwen door ontspanningsoefeningen en bewegen op muziek. De training werd beschouwd als een pilotproject en zou in de toekomst wellicht verder ontwikkeld worden en aangeboden als bestaande training. Er namen vrouwen van verschillende nationaliteiten aan deel.
Het onderzoek

Het onderwerp van mijn onderzoek, vrouwenactiviteiten en dagstructurering, en de bijbehorende onderzoeksvragen zijn tot stand gekomen in samenwerking met het management team (MT) van AZC Aalten (zie: Van der Horst, 2000). Binnen het COA was toentertijd een ontwikkeling gaande geweest, die geleid had tot een veranderde visie op de bewoners. In deze visie, waarvan de uitvoering nog in de kinderschoenen stond, was de ondernemendheid en de eigen verantwoordelijkheid van de asielzoeker centraal komen te staan. De nadruk werd gelegd, in theorie althans, op het feit dat een asielzoeker een volwassen en zelfstandig individu is, die heel goed in staat is om zijn lot in eigen handen te nemen. Deze visie komt tot uiting in het begrip dagstructurering. Dagstructurering omvat 'alle activiteiten die structuur geven aan een dag' en wordt door het COA gezien als een ontwikkeltraject voor elke asielzoeker, dat hem zou stimuleren over de toekomst na te denken en zichzelf te ontplooien. De vrouwenactiviteiten in AZC Aalten zijn een onderdeel van dagstructurering.
   Het management team van AZC Aalten wilde weten of de verschillende vrouwenactiviteiten wel pasten in deze, nog vrij nieuwe visie op dagstructurering van de bewoners. Ook bleek het belangrijk te zijn om te onderzoeken wat de vrouwen nou eigenlijk vonden van de activiteiten. Hiertoe werd uiteindelijk een viertal onderzoeksvragen opgesteld. De uiteindelijke centrale vraag van mijn onderzoek luidde als volgt: Komen de in het kader van dagstructurering georganiseerde vrouwenactiviteiten in AZC Aalten tegemoet aan de problemen van vrouwelijke asielzoekers?
   Wat nou precies de belangrijkste en meest voorkomende problemen van vrouwelijke asielzoekers zijn, heb ik onderzocht door middel van een literatuuronderzoek. De vragen over dagstructurering, vrouwenactiviteiten en de verhouding daartussen heb ik geprobeerd te beantwoorden door middel van het houden van interviews, participerende observatie en, in iets mindere mate, onderzoek van schriftelijk materiaal (onder andere jaarplanningen en verslagen van de activiteiten). Ik heb interviews gehouden met de vrouwelijke bewoners van het AZC, met MT-leden, medewerkers van het AZC en de organisatoren of initiatiefnemers van de vrouwenactiviteiten. Participerende observatie heb ik verricht door zoveel mogelijk bij de verschillende activiteiten aanwezig te zijn en mee te draaien. Bij de 'vrouwenkamer' op maandag en het naaien op woensdag was ik wekelijks aanwezig.

De vrouwen zelf aan het woord

Ik heb in totaal 23 vrouwelijke asielzoekers geïnterviewd, van verschillende nationaliteiten, in verschillende familie-omstandigheden en verschillend in leeftijd, opleiding en verblijfsduur in Nederland. Deze vrouwen vormden ongeveer een kwart van de totale vrouwelijke populatie van het AZC. Sommigen van hen beheersten het Nederlands of Engels goed genoeg om mijn vragen te kunnen beantwoorden. Bij anderen maakte ik gebruik van de tolktelefoon. Ik stelde hen vragen over de vrouwenactiviteiten, vroeg hen of ze van het bestaan ervan op de hoogte waren, of ze er kwamen en wat ze ervan vonden. Hun antwoorden liepen sterk uiteen. Hierin kwam hun grote diversiteit naar voren, niet alleen in cultuur, maar ook in leeftijd, met wie ze in Nederland waren, en hoe lang al. Cultuur bleek niet eens de belangrijkste oorzaak van de verschillen te zijn, wat betreft de houding tegenover de vrouwenactiviteiten. Het leek wel of, eenmaal in het AZC, culturele (en andere) verschillen ondergeschikt werden aan een ding: de vraag of ze in Nederland mogen blijven of niet.
   De verblijfsduur van de vrouwen in het AZC, of in Nederland, bleek de belangrijkste oorzaak te zijn van zowel het gaan naar als het wegblijven van de activiteiten. Sommige vrouwen 'gebruikten' de activiteiten als afleiding van problemen rond de verblijfsduur en de onzekerheid. In mijn verslag heb ik dit instrumentalistisch gebruik van de activiteiten genoemd. Eén vrouw omschrijft het als volgt: "Het is wel goed om een beetje bezig te blijven. Anders ga je piekeren. Het is puur een soort bezigheidszaak. Baat het niet dan schaadt het niet." Voor andere vrouwen vormden problemen rond de verblijfsduur en onzekerheid juist een belemmering voor hun deelname aan de activiteiten; dit zal duidelijk worden in de volgende paragraaf.
   Andere uitspraken van vrouwen, over respectievelijk de uitstapjes van de vrouwengroep en de naaimiddag, benadrukken het feit dat voor hen de activiteiten vooral een afleiding van de gedachten betekenen. "Je bent dan in een andere omgeving. Alleen hier [in het AZC] zijn is steeds hetzelfde. Je bent hier afgesloten van de omgeving." "Als je alleen hier zit en je doet niks, dan ga je kapot; je denkt teveel, en wordt boos en depressief. Het is goed om even iets anders te doen. Naar buiten gaan is anders, beter dan hier op de kamer zitten." "Op het moment dat we met het naaien bezig zijn, zijn we eventjes van onze zorgen af. Als ik terug naar huis ga, dan begin ik weer over mijn zorgen en problemen na te denken, en hoe dieper en langer ik erover denk, hoe erger ik me voel en hoe dieper ik daar ook in ga zitten."

Vrouwelijke asielzoekers: Wat houdt ze bezig?

De titel van mijn onderzoeksverslag luidt: Vrouwelijke asielzoekers: Wat houdt ze bezig? Het blijkt dat, ondanks de poging de vrouwen 'bezig te houden' met activiteiten, zij zich vooral 'bezig houden' met vragen en problemen rond de asielprocedure. Dit kan een belemmering vormen om deel te nemen aan de activiteiten.

Elmas is een jonge, ongetrouwde en hoog opgeleide vrouw van 37 jaar. Ze is met haar broer gevlucht uit haar geboorteland Irak en woont, samen met hem, al tien maanden op een klein kamertje in het AZC. Ik leer haar kennen als een vrolijke, goedlachse jonge vrouw die graag en snel contact maakt. Trouw bezoekt ze elke week de vrouwenkamer. Ook bij veel andere activiteiten is ze te vinden. Ik maak elke keer even een praatje met haar, in het Engels. Ze gaat naar de Nederlandse lessen die in het centrum gegeven worden, en is een snelle en gretige leerlinge. Ze vertelt me dat ze het leuk vindt om met andere vrouwen dingen te ondernemen, te praten en goed Nederlands te leren spreken. "Dat is beter dan alleen maar op je kamer zitten," zegt ze. Ook vertelt ze me dat er computerlessen aangeboden worden in het centrum, en dat ze zich hiervoor heeft opgegeven.
   Op een dag is ze niet aanwezig in de vrouwenkamer. Een andere vrouw vertelt me dat ze 'negatief heeft gekregen'. Ruim een jaar na haar aankomst in Nederland is de eerste beslissing gevallen. Ze mag niet blijven. Haar advocaat gaat echter in beroep tegen deze beslissing en heeft haar voorbereid op weer een lange periode van wachten en onzekerheid. In de volgende periode van een paar weken komt ze niet naar de vrouwenkamer. Als een medewerkster van het AZC haar hierover aanspreekt en haar uitnodigt voor een volgende keer, blijkt dat ze regelmatig haar besef van tijd verliest. Een paar dagen later zoek ik haar op in haar kamer, waar ze sinds de negatieve beslissing het grootste gedeelte van de tijd heeft doorgebracht. Ze ziet er bleek uit en heeft kringen onder haar ogen. Ze is triest en depressief. Ik praat even met haar en vraag haar dan, waarom ze niet meer naar de vrouwenkamer komt. Ze zegt: "Ik denk veel. Ik heb geen zin om naar buiten te gaan."
Elmas is een voorbeeld van de, soms drastische, ommekeer die bij veel vrouwen plaatsvindt naarmate ze langer in het AZC verblijven. Soms is er een directe aanleiding, zoals de negatieve beslissing die Elmas kreeg, soms verloopt het proces iets geleidelijker. Er bleek een duidelijk onderscheid te zijn tussen vrouwen die al heel lang in het AZC zijn en vrouwen die nog 'nieuw' zijn. Een aantal bewoonsters geeft dit zelf ook aan. Eén van hen zegt: "Het is mij opgevallen dat vrouwen die hier al ongeveer vier jaar wonen, dat die geen zin hebben en ook geen energie meer om aan zo'n activiteit mee te doen, omdat ze al veel te diep in de zorgen zitten. Dus ze hebben eigenlijk geen energie om mee te doen. En de vrouwen die net zijn aangekomen, zijn nog in de stemming, en zij willen eigenlijk ook veel actief zijn, hebben nog energie en genoeg zin om ergens mee bezig te zijn." Van dit onderscheid was sprake bij alle groepen vrouwen in het AZC, ongeacht nationaliteit, leeftijd of familie-omstandigheden.

Tot slot

De belangrijkste conclusie uit mijn onderzoek is, dat de 'existentiële parkeerplaats' die een AZC vormt, met zijn lange verblijfsduur en de daarmee gepaard gaande onzekerheid over de uitkomst van de asielprocedure, de deelname van vrouwen aan de vrouwenactiviteiten op den duur gaat belemmeren. De meeste activiteiten bleken goed te passen in de visie van COA en AZC op dagstructurering. Hoewel dagstructurering méér pretendeert te zijn dan een 'zoethoudertje' voor asielzoekers, zijn de vrouwenactiviteiten niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat, met name vanwege de lange asielprocedures, waarvan de oorzaak overigens buiten het COA ligt.

Noot

  1. Inmiddels zijn binnen het COA veranderingen gaande (en doorgevoerd), die ertoe moeten leiden dat asielzoekers meer activiteiten buiten het AZC gaan ontplooien.
Bibliografie

Geuijen, Karin, 1998. 'Wonen en werken in een asielzoekerscentrum.' Migrantenstudies, 14: 261-271.
Horst, Janneke van der, 2000. Vrouwelijke asielzoekers: Wat houdt ze bezig? Utrecht: afstudeerverslag culturele antropologie.
Ingleby, David, 1999. 'Vluchtelingen, psychosociale problemen en de geestelijke gezondheidszorg.' In: C.H.M. Geuijen (ed.), Multiculturalisme. Utrecht, pp. 183-196.


 
vorige naar index volgende