|
Bewonersparticipatie in
een lokaal achterstandsbeleid en devolutie programma in Sparkhill, Birmingham
Michiel van Esch
Inleiding
Van januari tot en met april 1999 heb ik veldwerk gedaan in Birmingham,
Groot-Brittannië. Ik kwam op het idee om naar Birmingham te gaan,
omdat ik een syllabus had gelezen van een Master opleiding 'Urban Regeneration'.
In deze Master opleiding participeerden onder andere de vakgroep Culturele
Antropologie uit Utrecht en de Faculty of Built Environment, University
of Central England, uit Birmingham. Gefascineerd door de specifieke problematiek
van Birmingham heb ik contact gelegd met de universiteit daar.
Mijn onderzoeksvraag was: hoe verloopt de participatie
van drie wijkcomités binnen het Local Involvement Local Action
en het Single Regeneration Budget programma in Sparkhill, en wat
zegt dit over de lokale democratie? Als mensen in Birmingham een wijkcomité
willen oprichten, volstaat een handtekeningenlijst met daarop tien namen.
Naar aanleiding hiervan wordt er met de gemeente overlegd over de doelen
van het wijkcomité en de samenstelling. Meestal wordt er geprobeerd
om de samenstelling van de wijk terug te laten komen in het wijkcomité.
Bevolkingsstatistiek wordt daarvoor meestal als uitgangspunt genomen.
Het devolutieprogramma, genaamd 'Local Involvement Local
Action', had als doel de relatie tussen de lokale overheid en de burger
te verbeteren. Er werd een bedrag van 80.000 pond per wijk beschikbaar
gesteld. Een commissie, bestaande uit gemeenteraadsleden en vertegenwoordigers
van buurtcomités, mocht dit besteden in de wijk. Een gedeelte hiervan,
30.000, moest direct aan lokale vrijwilligersorganisaties ten goede komen.
Op basis van voorstellen van deze organisaties werd er een selectie gemaakt.
De resterende 50.000 werd voornamelijk uitgeven aan zaken die door departementen
van de gemeente gedaan moeten worden. Dit is bijzonder, omdat totdat dit
programma werd opgesteld, al het beleid 'top down' werd bepaald. Dat een
klein gedeelte van het budget nu 'bottom up' wordt vastgesteld, is een
grote cultuuromslag. Ik had de volgende vragen over het devolutieprogramma.
Hoe is de machtsverhouding tussen de gekozen volksvertegenwoordigers en
de wijkvertegenwoordigers? Hoe is de besluitvorming geïnstitutionaliseerd
en hoe wordt er in de praktijk besloten? Op basis van welke criteria heeft
de allocatie van het budget plaatsgevonden? Hoe komen de verschillende
belangen van religieuze en etnische groepen aan bod? Leidt het programma
tot 'empowerment' en zo ja voor wie?
De pogingen die in Birmingham worden ondernomen om de
burgers meer bij de overheid te betrekken, zijn ook in Nederland waar te
nemen. De huidige term hiervoor is 'interactief beleid'. Het ontwikkelen
van beleid zou een dialoog moeten worden tussen overheid en burger. De
staatscommissie Elzinga heeft onlangs in haar rapport Dualisme en lokale
democratie ook in die richting geadviseerd.
Theoretische achtergrond
In steden in Europa zijn de opkomsten voor lokale gemeenteraadsverkiezingen
schrikbarend laag. Opkomstpercentages variëren van 25 tot 45%. Bij
de verkiezingen voor de nieuwe burgemeester van Londen kwam bijvoorbeeld
slechts 25% opdagen. Er wordt daarom naar nieuwe methodes gezocht om de
burger meer te interesseren. Een van die manieren is het stimuleren van
devolutie. Naast het stemmen krijgen burgers meer mogelijkheden om de lokale
overheid te beïnvloeden. Dit kan in de vorm van referenda of inspraakavonden.
In de meeste gevallen stimuleert de overheid het opzetten van groepen waarin
burgers zich organiseren. De Engelse term hiervoor is 'civil society';
in Nederland wordt van het maatschappelijk middenveld gesproken. Deze laagste
vorm van 'maatschappelijk middenveld' wordt geïnviteerd mee te denken
over de beslissingen van de gemeente, die hun wijk betreffen. Specifiek
doel hierbij is de 'empowerment' van de burger: hoe krijgt deze meer invloed
op zijn leefomgeving?
Dit is in het algemeen al complex. Wanneer het om een
achterstandswijk gaat, wordt het nog ingewikkelder. Voeg daar uiteenlopende
religieuze en etnische achtergronden aan toe en je komt voor een groot,
praktisch probleem te staan. Hoe moeten al deze belangen in een wijk behartigd
worden en hoe zorg je ervoor, dat bepaalde groepen niet gaan overheersen?
Er wordt onderscheid gemaakt tussen gemeenschappen van plaats en gemeenschappen
van belang. Gemeenschappen van plaats ontstaan, doordat mensen leven in
dezelfde geografische omgeving. Gemeenschappen van belang ontstaan, doordat
mensen zich aansluiten bij mensen met dezelfde achtergrond. Dit kan zijn
van postzegelverzamelaars tot Pakistaanse moslims uit Kasjmier.
Een ontwikkeling die van grote invloed is geweest op de
ontwikkeling van grote steden, is de economische herstructurering die begin
jaren zeventig begon. De economische structuur van steden is sindsdien
erg veranderd en als gevolg hiervan is ook het bestuur van de stad veranderd.
Hieronder zal ik eerst de economische herstructurering beschrijven; daarna
zal ik aangeven hoe dit heeft geleid tot een andere vorm van stedelijk
beleid in Groot-Brittannië. Vervolgens zal ik in grote lijnen het
huidige achterstandsbeleid voor wijken bespreken.
Globalisering heeft een aantal concrete invloeden gehad op Birmingham
en mijn onderzoekswijk. Ten eerste heeft de verandering van industriële
naar post-industriële samenleving ertoe geleid, dat de lokale economie
van Birmingham instortte tussen 1975 en 1985. Inmiddels is deze klap voor
een deel opgevangen door de groei van de dienstensector. Nadeel van deze
sector is echter, dat zij relatief veel hoog- en veel laaggeschoolde arbeiders
nodig heeft. Het middenkader is aanzienlijk kleiner. De inwoners van mijn
onderzoekswijk werken voornamelijk in de banen voor laaggeschoolden. In
tegenstelling tot de voormalige banen in de industrie zijn deze banen slechter
betaald, instabieler en parttime. De algehele malaise van de stad is nog
steeds duidelijk te zien in Sparkhill, mijn onderzoekswijk. Het aangezicht
van de wijk is verlopen en haar reputatie in de rest van de stad slecht.
Op diverse indicatoren zoals gezondheid en werkloosheid scoort de wijk
slecht. In Groot-Brittannië worden de pogingen om verpauperde stadsdelen
om te vormen 'urban regeneration' genoemd, in andere woorden: stedelijke
wedergeboorte.
De Westerse economische structuur van vraag en aanbod,
werk en consumptie wordt in de periode van 1920 tot 1970 gekenmerkt door
een evenwichtige balans van vraag en aanbod. In dit 'fordistische tijdperk'
is er sprake van massaproductie en massaconsumptie, die mogelijk gemaakt
worden door gestandaardiseerde productie aan-de-lopende-band. Lonen worden
op een redelijk peil gehouden om een afzetmarkt voor de massaproductie
te garanderen. De economische herstructurering begin jaren zeventig luidt
een nieuw tijdperk in, namelijk het 'post-fordistische tijdperk'. Drie
belangrijke processen spelen hierbij een rol. In de eerste plaats verplaatsen
industriële activiteiten zich over de hele wereld op zoek naar de
beste randvoorwaarden voor productie, bijvoorbeeld naar ontwikkelingslanden,
omdat arbeid daar goedkoper is en de milieuwetgeving minder streng. Ten
tweede leidden technologische vooruitgang en automatisering van industriële
productieprocessen ertoe, dat de werkgelegenheid in deze sector enorm afnam.
Tenslotte groeit werkgelegenheid in de dienstensector enorm. Het betreft
hier vooral het verlenen van diensten aan producenten en in de financiële
sector.
Het post-fordistische tijdperk heeft kenmerken die sociale
ongelijkheden in grote steden in de hand werken. De productie is gespecialiseerd;
bedrijven hebben zich daartoe opgesplitst in kleinere eenheden. De vraag
naar flexibele arbeidskrachten neemt toe. De macht van de vakbonden bindt
hierdoor aan reikwijdte in. Productie en afzet geschieden op kleinere schaal,
omdat de vraag van consumenten steeds meer differentieert. Het belang van
de dienstensector neemt toe ten koste van de industriële sector in
de grote steden. De structuur van de arbeidsmarkt in de dienstensector
is van dien aard, dat de vraag naar óf hoge óf lage functies
toeneemt en de hoeveelheid banen voor de middenklasse afneemt. Inkomensverschillen
tussen mensen die wel werk hebben, worden hierdoor groter. Volgens Sassen
(1991) leiden deze tendensen tot een polarisatie tussen inkomensgroepen
en kansen op de arbeidsmarkt.
De hierboven genoemde economische herstructurering heeft
ertoe geleid, dat stadsbesturen in de jaren tachtig meer en meer hun aandacht
moesten verleggen van welzijn naar economische ontwikkeling. Grote bedrijven
werden steeds mobieler en gingen op zoek naar de gunstigste omgeving voor
hun productie. Deze ontwikkeling heeft tot een globale competitie tussen
steden geleid: elke stad wilde zoveel mogelijk bedrijven uit de dienstensector
binnenhalen in een poging om het instorten van de industriesector te compenseren.
Om als stad goed mee te kunnen doen in deze competitie waren enorm grote
investeringen nodig om verwaarloosde delen van de stad op te knappen en
de stad als geheel aantrekkelijk te maken. De stadsbesturen konden deze
ontwikkelingen alleen niet aan: 'This had led to policies to involve business
and community agencies of various kinds in policy financing, development
and delivery' (Healey, 1998: 1533). De macht in stad werd dus meer verspreid
over meerdere partijen. Deze samenwerking met de private of community sector
wordt partnership genoemd.
Ook binnen het beleid dat in Groot-Brittannië gericht is op het
tegengaan van achterstandssituaties van steden in hun geheel en probleemwijken
in het bijzonder, speelt het begrip 'partnership' de laatste vijftien jaar
een belangrijke rol. Begin jaren tachtig waren er vooral samenwerkingsverbanden
tussen de centrale overheid en de privé sector. Segaar zegt hierover:
'Central government has promoted public-private partnership as the solution
to inner city economic decay' (Segaar, 1996: 35). De idee dat dit de beste
oplossing zou zijn voor de revitalisatie van steden, kwam overwaaien uit
de Verenigde Staten. In steden, zoals bijvoorbeeld Atlanta, hadden gemeentebesturen
in samenwerking met de private sector verwaarloosde stadsdelen omgevormd
tot economisch succesvolle centra. De economische groei die in deze centra
ontstond, zou een positieve uitwerking hebben op de hele stad en dus ook
ten goede komen aan de armere delen van de steden.
In Groot-Brittannië werden deze 'partnerships' tussen
overheid en de private sector gevormd in Urban Development Corporations
(UDC's). De Winter omschrijft dit beleid als volgt: 'The UK conservative
government attempted to revise the economy and liveability of its cities
through a market approach and a reorganisation of the local government.
In Birmingham this approach led to the initiation of large projects aiming
at new industrial activity and an increasing business and leisure industry'
(de Winter, 1998: 2). In Birmingham is het International Convention Centre
een goed voorbeeld van een UDC. Het is een groot project met verschillende
doelen: de creatie van nieuwe banen, de modernisatie van het stadscentrum
en een stimulans van de locale economie door de congresgangers.
Over het algemeen werden de hiervoor beschreven doelen
gehaald, niet alleen voor Birmingham, maar ook in vergelijkbare projecten
zoals de London Docklands. Het 'trickle down' effect werd echter betwijfeld.
'Trickle down' wil zeggen dat de effecten van een bepaalde ingreep een
positief effect hebben op meer dan het projectgebied alleen. In de meeste
gevallen gaat het om een economische effect. Begin jaren negentig werden
deze programma's dan ook ter discussie gesteld; de relatie tussen economische
groei en opleving van arme wijken door banengroei bleek niet zo sterk als
gehoopt (Loftman, 1996).
Er moest dus een nieuwe impuls komen voor de achterstandswijken.
Hiervoor werd het 'Single Regeneration Budget' opgezet. Dit programma schrijft
een competitie uit, waarin lokale partners hun gezamenlijke plan van aanpak
voor een achterstandswijk indienen. De lokale partners bestaan uit: lokale
overheid, politie, bedrijfsleven en lokale actiegroepen. Deze samenwerking
is verplicht. Zowel de 'gedwongen' samenwerking als het competitie-element
hebben zware kritiek te verduren gehad. De invloed van het voorstel op
de verschillende partners zou onevenwichtig verdeeld zijn. Er zou alleen
tijdelijk worden samengewerkt om geld binnen te krijgen en daarna zou het
weer snel afgelopen zijn met de samenwerking. De voorstellen met de beste
presentatie zouden fondsen krijgen, terwijl wijken die er slechter aan
toe zijn, misschien de boot missen (Healey, 1998).
Birmingham
Birmingham is de op een na grootste stad van Groot-Brittannië.
Met één miljoen inwoners is Birmingham de oudste en grootste
industriestad van Groot-Brittannië. Zij is het centrum van de West-Midlands,
een 'region', ongeveer vergelijkbaar met een Nederlandse provincie. Birmingham
was een van de belangrijkste industriële centra van de wereld tijdens
het begin van de industriële revolutie. Benamingen zoals 'the workshop
of the world' en 'the city of a thousand trades' zijn echter niet meer
van toepassing en verwijzen naar de periode van voor 1973. De herstructurering
van de wereldeconomie heeft Birmingham onevenredig hard geraakt. Het banenverlies
was enorm: 'Between 1971 and 1987 Birmingham lost 191.000 jobs, amounting
to 29 per cent of total employment in the city' (Loftman, 1996: 998). In
vergelijking met de rest van Groot-Brittannië waren de effecten hier
nog dramatischer, omdat er te weinig geld werd geïnvesteerd in innovaties
en de economie van de stad teveel op enkele multinationals leunde. Cherry
(1994: 161) zegt hierover: 'The West-Midlands remained an over-specialised
economy dependent on a much smaller number of very large firms. Birmingham's
own manufacturing base was being starved of new investment and its economy
was increasingly concentrated on a single, vulnerable product - the motor
vehicle.'
Tot op de dag van vandaag is Birmingham nog steeds niet
volledig hersteld. 'Birmingham ... has one of the poorest populations in
the country, the city ranked fifth in a deprivation table prepared for
the governments environment department in 1994' (Duffy, 1995: 94). Net
zoals in andere steden waar de industriesector in elkaar stortte, heeft
er in Birmingham een grote groei van de dienstensector plaatsgevonden.
In 1996 maakte de dienstensector 71,7% uit van de totale werkgelegenheid,
tegenover 23,7% voor de industriesector (Government Office for the West
Midlands, 2000).
Sparkhill
In mijn wijk Sparkhill wonen in totaal 22000 mensen. De wijk is gebouwd
aan het einde van de 19e eeuw. Een groot deel van de huizen is verpauperd.
Het merendeel van de bewoners heeft een Indiase (voornamelijk uit Kashmir
en Punjab), Bengaalse, Afro-Caribische of Pakistaanse achtergrond. De meerderheid
is moslim, maar er zijn ook veel Hindoes en Sikhs. De bedrijven in de wijk
zijn vooral 'Midden en Klein bedrijf'. Vooral de Pakistaanse en de Indiase
middenstand zijn duidelijk aanwezig. De autochtone Engelsen die nu de minderheid
vormen, zijn voornamelijk ouder dan 40. De werkloosheid is hoog; gemiddeld
ligt die 3,5 keer hoger dan het nationaal gemiddelde. Een op de vijf mensen
(arbeidsbevolking) is langdurig werkloos (UPG, 1996). Van de mensen die
wel werk hebben, werkt het grootste deel in de industriesector (28,3%)
en de distributie en catering (24,6%). De criminaliteitscijfers liggen
eenderde hoger dan het gemiddelde van de stad. Het is een wijk met een
hoog percentage jongeren en kinderen: 48,3% van alle inwoners is jonger
dan 24 jaar; voor Birmingham als totaal geldt, dat 36,2% jonger is dan
24 (UPG, 1996).
Sparkhill is al heel lang een wijk waar veel verschillende
culturen naast elkaar leven. Vanaf de jaren dertig van deze eeuw trok de
middenklasse weg uit de wijk naar ruimere buitenwijken. De huizen werden
toen voornamelijk logementen voor Ierse migranten die kwamen werken in
de mijnbouw (Rex, 1967). In het begin van de jaren zestig kwam er immigratie
uit andere landen op gang: 'By 1966 the West-Midlands was clearly established
as the largest centre of black and south-Asian people outside of Greater
London. Geographically, this new influx of immigrants was concentrated
into the southern middle ring districts of Balsall Heath, Small Heat, Sparkbrook
and Sparkhill.' (Gerrard, 1996: 143)
Het waren vooral de grote en goedkope logementen die de
gastarbeiders naar deze wijk trokken. De meeste immigranten waren gastarbeiders
die op de grote banengroei in de (auto)industrie afkwamen. In het begin
waren het vooral mannen alleen, omdat er vanuit werd gegaan dat men na
een aantal jaren zou terugkeren. Maar na een aantal jaren kwam er gezinshereniging
op gang, toen ze inzagen dat blijven beter was dan teruggaan. In de laatste
drie en dertig jaar heeft de wijk een grote verandering doorgemaakt qua
etnische verhoudingen; onderstaande tabel illustreert dat.
|
1964 |
1997 |
| Wit etnisch |
67,6 % |
33,4% |
| Zwart etnisch |
16,3% |
13,2% |
| Aziatisch |
10,3% |
46,5% |
| Bron: Rex 1967 en UPG 1996 |
Sparkhill is een echte Labour-wijk en is dit al onafgebroken sinds 1964:
'Urban decay and the increase in the ethnic minority population has transformed
it into being a Labour stronghold, it is now the seat with the third highest
non-white population in Britain (and the most Asian seat in Britain)' (Bowen,
1998). Bij de verkiezingen van 1997 kreeg Labour 64% van de stemmen in
het district Sparkbrook/ Small Heath.
Dit alles klinkt niet erg hoopgevend, maar wat de wijk bijzonder maakt,
is het hoge aantal burgers dat participeert in de vrijwilligerssector:
'There are six residents' associations, three Neighbourhood Forums, a considerable
number of voluntary agencies, active religious establishments and a well
developed series of Neighbourhood watch schemes' (UPG, 1996).
Ik heb het bovenstaande onderzocht door gebruik te maken van de volgende
methoden. Ten eerste heb ik bij de gemeente en bibliotheken in Birmingham
archiefonderzoek gedaan naar de achtergronden van de wijk en de stad. Daarnaast
ben ik bij alle vergaderingen en bijeenkomsten die tijdens mijn bezoek
plaatsvonden aanwezig geweest. Ook heb ik 18 diepte-interviews gehouden
met participanten in het hele proces.
Conclusie
Het zijn voornamelijk de blanke Engelse middenklassen in de wijkcomités
die domineren. Hun visie op hoe de wijk zou moeten functioneren, is nog
niet aangepast aan de multiculturele praktijk van nu. Er wordt veel nadruk
gelegd op het samen doen van dingen, terwijl ik denk dat er een balans
moet zijn tussen de hoeveelheid gezamenlijke en afzonderlijke activiteiten.
Oppassen voor segregatie is goed, maar moet niet leiden tot verkrampte
of verplichte samenwerking tussen verschillende groepen.
Hier en daar zijn zelfs lichte vormen van islamofobia
te herkennen. Er wordt veel gepraat over 'de gemeenschap', maar de definitie
hiervan wordt niet gegeven. Binnen de wijk wordt 'de gemeenschap' vooral
retorisch en vaag gebruikt. De bedoeling van de twee programma's was de
democratie een niveau dichter bij de burger te brengen. Vooral onder jonge
mensen en Aziatische vrouwen is dit slecht gelukt. Het blijft natuurlijk
de vraag, hoeveel mensen willen en kunnen participeren in deze vorm van
directe democratie. Het opzetten van wijkcomités heeft bovendien
ook geleid tot machtspolitieke spelletjes binnen de wijk. De onderlinge
concurrentie voor fondsen tussen de comités was af en toe erg fel.
De verschillen in opvattingen over lokale democratie tussen
autochtone Engelsen en Aziatische Engelsen zijn groot. Autochtone Engelsen
beschuldigen Aziaten ervan clan-politiek te bedrijven. Daarentegen zijn
er mensen die zeggen, dat de Aziaten een veel rijkere traditie van lokale
democratie hebben. De manier waarop dorpsraden in India en Pakistan functioneren,
zou een lichtend voorbeeld zijn voor de Britse lokale democratie. Ik neem
dan ook de suggestie van een van mijn respondenten over, die zegt dat er
een uitwisseling op gang moet komen over de betekenis en perceptie van
lokale democratie tussen de diverse etnische groepen.
Literatuur
- Birmingham Economic Information Centre, 1997. http://www.sbirmc.ac.uk/srb/forums/nf-sb.html.
Accessed at 16-6-99.
- Cherry, G.E., 1994. Birmingham: a Study in Geography,
History and Planning. John Wiley and Sons: New York.
- Duffy, H., 1995. Competitive Cities: Succeeding
in the Global Economy. E & FN Spon: London.
- Esch, M.J. van, 2000. From Consultation to Participation:
Neighbourhood Involvement in Decentralised Urban Governance and Regeneration:
A Case Study of Civil Society in Sparkhill, Birmingham, Afstudeerverslag
Culturele Antropologie, Universiteit Utrecht.
- Gerrard, A.J. & T.R. Slater, 1996. Managing
a Conurbation: Birmingham and its Region. Brewin Books: Studley.
- Government Office for the West Midlands, 2000. Socio-economic
profile - Birmingham, http://www.go-wm.gov.uk/h_wmids.htm. Accessed
at 23-2-2000.
- Healey, P., 1998. 'Building institutional capacity
through collaborative approaches to urban planning.' Environment and
Planning A, Vol. 30, pp. 1531-46.
- Loftman, P. & Nevin, B., 1996. 'Going for Growth:
Prestige Projects in Three British Cities.' Urban Studies, Vol.
33, No. 6, pp. 991-1019.
- Sassen, S., 1991. The global city. Princeton
University Press: Princeton, NJ.
- Segaar, D.J., 1996. Urban Regeneration in Spitalfields:
the role of the Spitalfields market community trust. Universiteit Utrecht,
scriptie Geografie.
- Rex, J. & Moore, R., 1967. Race, Community and
Conflict: a study of Sparkbrook. Oxford University Press: London.
- URBAN Partnership Group, 1996. Sparkbrook Urban
Action Plan 1996-1999.
- Winter, M. de & S. Musterd, 1998. Towards undivided
cities in Western-Europe: New Challenges for urban Policy, part 3, Birmingham.
Delft University Press: Delft.
|
|