|
Organisatie-antropologisch
veldonderzoek naar betekenisconstructies bij integratieprocessen binnen
een nationaal kennisinstituut
Michel van Slobbe
Dienstverlenende organisaties zijn te beschouwen als open sociale
systemen. De invloed van omgevingsfactoren op de continuïteit van
de organisatie is diffuus geworden. Voor publieke organisaties betekenen
internationalisering en privatisering van overheidsbeleid meer concurrentie
en hogere kwaliteitseisen bij opdrachtgevers en doelgroepen. Het voortbestaan
van deze organisaties is minder vanzelfsprekend geworden. Wanneer een organisatie
zich aanpast aan de veranderende omgeving, heeft dat consequenties voor
de structuur, de interne arbeidsprocessen en de dagelijkse praktijken van
de organisatieleden. De manier waarop deze interne integratie gestalte
krijgt, en de organisatie-culturele processen die daarbij een rol spelen,
zijn meestal niet op voorhand in te schatten. In deze casebeschrijving
wordt ingegaan op de adaptatie- en integratieprocessen binnen een nationaal
kennisinstituut op het gebied van energie en milieu.1
Het instituut vervult een intermediaire rol voor de overheid, wetenschappelijke
instituten en organisaties die zich richten op energie- en milieuvraagstukken,
zoals energiebedrijven en adviesbureaus. Deze beschrijving is gebaseerd
op een veldonderzoek dat ik in de periode mei 1998 tot en met januari 1999
binnen het kennisinstituut heb uitgevoerd.
Aanleiding voor het veldonderzoek was een veranderingsproces binnen
het kennisinstituut, dat zich richtte op een kwaliteitsverbetering van
de dienstverlening. Deze kwaliteitsverbetering zou moeten bijdragen aan
een betere positionering in de nationale en internationale energie- en
milieumarkt. Tot dan toe had het instituut zich voornamelijk gericht op
een stabiel en overzichtelijk, maar beperkt nationaal opdrachtenpakket.
Dit maakte de organisatie afhankelijk van de grootste opdrachtgever, het
Ministerie van Economische Zaken. Naast de uitbreiding van het nationale
opdrachtenpakket wilde de organisatie de internationale activiteiten intensiveren
en integreren binnen de nationale activiteiten.
Het management heeft in zijn ondernemingsplan van 1998
een aantal internationale doelen vastgesteld. Het geheel aan internationale
activiteiten werd hierin aangemerkt als een nieuwe kernactiviteit. De incorporatie
van de internationale componenten binnen de nationale programma's werd
één van de organisatiedoelen. Dit kwam voort uit de notie,
dat het optimaliseren van de interne samenwerking (integratie van aanwezige
capaciteit en kennis) leidt tot verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening.
Hoe deze integratie er organisatorisch uit moest komen te zien en of dit
beleid aansloot bij de huidige organisatiestructuur en -cultuur, was nog
niet duidelijk. De formele aspecten van de integratie waren enigszins uitgewerkt,
maar het ontbrak aan voldoende inzicht in de informele aspecten daarvan.
Een organisatie-antropologisch veldonderzoek zou hieraan een bijdrage kunnen
leveren.
Een interessant gegeven was, dat het vraagstuk van integratie
van de internationale activiteiten al langer speelde. In de ondernemingsvisie
van 1993 is deze wens namelijk al uitgesproken. Het management had tot
1998 geen prioriteit gegeven aan de internationale doelstelling en heeft
zich voornamelijk gericht op de invoering van een nieuwe organisatiestructuur
en het draaiende houden van de toenmalige programma's. De ontwikkeling
in de intensivering en integratie van de internationale activiteiten vormde
een interessant onderzoeksgegeven. Tijdens oriënterende gesprekken
werd duidelijk, dat medewerkers verschillende betekenissen gaven aan de
bestaande internationale activiteiten. Zo was een aantal medewerkers van
mening, dat de internationale activiteiten een directe link náár
en meerwaarde vóór de nationale programma's moesten hebben,
terwijl anderen meenden dat de internationale activiteiten los van de huidige
programma's uitgevoerd konden worden. In de eerste betekenis zijn de internationale
activiteiten complementair en in de tweede betekenis vormen zij een kernactiviteit.
Ik veronderstelde dat dit verschil in betekenis consequenties zou kunnen
hebben voor de wijze waarop en de mate waarin de intensivering van internationale
activiteiten zich zou gaan ontwikkelen. Hierin speelt mijns inziens de
organisatorische inbedding van de internationale activiteiten een belangrijke
rol.
De centrale vraagstelling van het veldonderzoek werd derhalve:
In hoeverre sluit de huidige organisatie van het kennisinstituut aan
bij de internationale activiteiten? Voor de beantwoording van deze
vraag was het nodig zowel de organisatie van het kennisinstituut als zijn
internationale activiteiten in kaart te brengen. Voor wat betreft de internationale
activiteiten heb ik mijn onderzoek voornamelijk gericht op de activiteiten
van een afdeling die zich bezighield met activiteiten in Centraal- en Oost-Europese
landen. Op grond van enkele oriënterende gesprekken, 25 gestructureerde
interviews, een interne documentatiestudie en verschillende observaties
zijn de organisatie en haar internationale activiteiten beschreven. Na
de analyse van deze beschrijving is een koppeling met de organisatietheorie
gemaakt.
Theoretische uitgangspunten
De veranderingen binnen het kennisinstituut zijn te relateren aan de
door Schein (1988) onderscheiden functies van een organisatiecultuur: externe
adaptatie en interne integratie. De adaptatiefunctie voorziet volgens Schein
in standaardoplossingen voor vraagstukken die vanuit de omgeving worden
aangereikt. Deze oplossingen zijn te vinden in de missie, doelen, middelen
en controlemogelijkheden van de organisatie. De integratiefunctie leidt
tot een interne samenhang met gedeelde taal (jargon), samenwerkingsverbanden
en procedures.
De interne integratie is in de praktijk een complex en
paradoxaal proces. Gewenste routines en standaardisering van processen
kunnen een verandering tegelijkertijd ondersteunen en belemmeren. Dit zou
ook een rol kunnen spelen in de manier waarop het kennisinstituut omgaat
met zijn internationale doelstellingen. Hierin speelt ook de aard van de
organisatie een belangrijke rol. De grootte en geschiedenis van de organisatie,
de aard van de personeelsleden en de aard van de activiteiten bepalen de
veranderingscapaciteit van een organisatie. De interne ontwikkelingen binnen
het kennisinstituut, het relatief hoge opleidingsniveau van de medewerkers
en de aard van de activiteiten heb ik in verband gebracht met uiteenzettingen
van de 'professionele organisatie' door Mintzberg (1992), Mastenbroek (1996)
en Weggeman (1992).
De professionele organisatie kenmerkt zich volgens Mintzberg
(1992: 180) door de kernwaarde 'ik' of 'de professional', een eilandenstructuur,
overwegend hoog opgeleide medewerkers, een individualistische cultuur,
'laissez faire' en delegeren als stijl van leidinggeven. De organisatie
heeft in deze typologie een uitgebreide ondersteunende staf met een bureaucratisch
karakter. De professionele organisatie onderscheidt zich volgens Mintzberg
ook door een hoog democratisch gehalte en een grote mate van vrijheid van
de professional. De individuele vrijheid kan leiden tot coördinatieproblemen
tussen aparte functie- en vakgebieden en tot misbruik van vrijheid. Vrijheid
wordt dan vrijblijvendheid. Daarnaast kan er angst heersen voor innovatie,
hetgeen bovengenoemde vrijheid kan inperken. In een professionele organisatie
liggen de verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij de professionals, die
formeel binnen duidelijk aangegeven kaders passen. Het management
heeft de taak de professional te voorzien van deze kaders en dient ervoor
te zorgen dat de professional zich niet buiten deze kaders beweegt.
Weggeman (1992: 33) benadert de professionele organisatie
vanuit een andere invalshoek. Hij omschrijft een professionele organisatie
als een organisatie waarin het primaire proces voornamelijk door improviserende
professionals wordt uitgevoerd. De professional heeft in zijn beschrijving
de taak om relatief zelfstandig en creatief zijn denkkracht aan te wenden
om de organisatiedoelen te realiseren. Het management (vaak in samenspraak
met de professional) geeft aan wat er moet gebeuren en de professional
geeft zelf vorm aan hoe dat moet gebeuren. Ook wanneer de organisatie
haar doelen niet duidelijk heeft uitgesproken, is dat voor de professional
geen aanleiding om op non-actief te staan. Weggeman (1992: 111-112) gaat
ook in op de valkuilen van een professionele organisatie en stelt onder
andere, dat de individuele ontwikkeling en vrijheid van de professional
coördinatieproblemen met zich mee kan brengen. Hij stelt, dat naarmate
het aantal professionals toeneemt, de spanningen met de omhullende (management
en staf) afdelingen zullen toenemen. Er bestaat een spanningsveld tussen
improviserend en routinematig werkenden. Daarnaast is er het traditionele
spanningsveld tussen managers en professionals, die verschillende belangen
behartigen.
Het veldonderzoek richtte zich op praktijken en betekenisgeving
binnen het kennisinstituut, dat zich als professionele organisatie aanpast
aan een veranderende omgeving en in dat kader zijn internationale activiteiten
op een andere manier wil organiseren. Organisatie-antropologisch betekende
dit in het veldonderzoek, dat zowel de formele als de informele organisatie-aspecten
werden belicht en dat gekeken is naar (lokale) betekenisgevingsprocessen
in de organisatie zelf.
Als organisatie-antropoloog ben ik geïnteresseerd
in de sociale interactie in samenhang met de structuur en de betekenisgeving
rondom de internationale activiteiten. Om inzicht te krijgen in de verschillende
werkelijkheden binnen het kennisinstituut en zijn internationale activiteiten
heb ik gebruik gemaakt van de drie dimensies uit de zogenaamde CBM-driehoek:
rationaliteit, cultuur en macht. De rationele dimensie heb ik beschreven
aan de hand van de door Weggeman (1992: 40) onderscheiden ESH-componenten2,
strategie, structuur, systemen, missie en managementstijl. Ten aanzien
van de culturele dimensie heb ik mijn vragen gericht op de handelingspraktijken,
sociale interacties (werkoverleg, functioneringsgesprekken, coaching,
informele gesprekken en lobbyen) en de betekenis die daaraan gegeven
wordt. Voor inzicht in de machtsdimensie heb ik de verdeling van de schaarse
hulpbronnen bestudeerd (kennis/informatie, budget en netwerken). Ook heb
ik in dit kader gekeken naar de subculturele belangen binnen het kennisinstituut
ten aanzien van de internationale activiteiten. Ik wilde antwoord op de
vraag: Wat is de aard van de huidige internationale activiteiten van het
kennisinstituut en de betekenisconstructie daaromtrent?
Bevindingen
De doelstelling van dit veldonderzoek was het verkrijgen van inzicht
in de organisatorische aspecten van de internationale activiteiten van
het kennisinstituut en de activiteiten van de afdeling Centraal- en Oost-Europa
in het bijzonder. Hiertoe heb ik de organisatie en haar internationale
activiteiten beschreven. De aanpassing van het kennisinstituut aan haar
omgeving (adaptatie) en de interne processen die daardoor in gang gezet
zijn (integratie) stonden hierin centraal. In de analyse van de onderzoeksresultaten
kwam een aantal organisatorische knelpunten naar voren, die zich voordoen
bij de uitvoer van internationale activiteiten door de afdeling Centraal-
en Oost-Europa. Deze knelpunten belemmeren de integratie van de internationale
activiteiten in de nationale programma's, één van de
doelstellingen
van het kennisinstituut.
Vanuit het gezichtspunt van organisatorische rationaliteit
is het kennisinstituut een not-for-profit organisatie die overheidsbeleid
vertaalt naar energie- en milieuprogramma's. De intermediaire rol tussen
overheid en samenleving maakt het kennisinstituut tot een sterk contextgebonden
organisatie. Dit blijkt ook uit de ontstaansgeschiedenis. De oprichting
van het kennisinstituut was een reactie op de oliecrisis, die de Nederlandse
samenleving dwong na te denken over energiebesparing en alternatieve energiebronnen.
In zijn ontwikkeling heeft het kennisinstituut de energie- en milieuprogramma's
aangepast aan ontwikkelingen in de samenleving, voorzover deze op de politieke
agenda stonden. Op dit moment zijn de internationalisering en vermaatschappelijking
c.q. privatisering van het energie- en milieubeleid de belangrijkste omgevingsaspecten
waarmee het kennisinstituut te maken heeft. Hiertoe heeft het in zijn missie
van 1998 vastgesteld, dat het een duurzame ontwikkeling van de samenleving
wil stimuleren, zowel in Nederland als daarbuiten. Het kennisinstituut
heeft daartoe een nieuwe organisatiestructuur en een nieuw functiemodel
opgesteld. De voormalige divisiestructuur (tot januari 1999) sloot goed
aan bij langdurige nationale programma's, die voornamelijk door het Ministerie
van Economische Zaken werden gefinancierd. Echter, de veranderingen in
het energie- en milieubeleid van de opdrachtgevers vragen om een betere
afstemming van de verschillende programma's. De divisies zijn daarom opgeheven
en in de nieuwe structuur zijn vier thema's (werkvelden) centraal gesteld.
Er is een centrale staf ingericht en de internationale activiteiten worden
niet als aparte activiteit, maar als organisatiedoorsnijdend beschouwd.
Het kennisinstituut bestaat voor ongeveer 75% uit hoger
opgeleide medewerkers. Deze medewerkers krijgen veel vrijheid om zich als
professional te ontwikkelen. De grenzen worden voornamelijk bepaald door
de kaders van de programma's. Het kennisinstituut is te beschouwen als
een professionele organisatie met tendensen naar bureaucratisering. Bureaucratisering
als gevolg van een explosieve organisatiegroei (beheersprocedures) en het
werken met publieke gelden (controleprocedures). Als reactie op het diffuse
karakter van haar programma's zijn veel nieuwe programma-uitvoerders aangetrokken,
waardoor de organisatie explosief is gegroeid. De ontwikkeling van de stafondersteuning
is daarbij achtergebleven. In het personeelsbeleid van het kennisinstituut
staat de autonomie (lees: zelfstandig werken) van de programma-uitvoerder
centraal. Het management neemt aan, dat de medewerker zelf de verantwoordelijkheid
neemt voor zijn functioneren en zijn ontwikkeling. Het kennisinstituut
neemt in het verlengde hiervan ervaren en dure thema-deskundigen in dienst
en kent geen intern opleidingsbeleid. De opleidingen die het kennisinstituut
verzorgt, richten zich voornamelijk op de verdere ontwikkeling van taal-,
advies- en managementvaardigheden van de medewerkers. De lokale voorwaarden
(tijd, geld en informatie) waarbinnen de eigen verantwoordelijkheid van
de programma-uitvoerders gestalte moet krijgen, zijn tot op heden onvoldoende
georganiseerd. De op de (voormalige) divisies georiënteerde stafondersteuning
is ingericht op lange termijn programma's en sluit onvoldoende aan bij
'afwijkende' activiteiten binnen de organisatie.
De organisatie-culturele aspecten van het kennisinstituut
en zijn internationale activiteiten komen voort uit het handelen van de
medewerkers en de betekenissen die aan de organisatorische rationaliteit
gerelateerd zijn. De programma-uitvoerders van de afdeling Centraal- en
Oost-Europa krijgen een grote mate van vrijheid bij de initiatie en uitvoer
van de programma's. Deze vrijheid past bij de aard van de projectmatige
activiteiten van de afdeling, waar de programma-uitvoerders creatief en
improviserend om moeten gaan met de schaarse middelen en tijd. Dit is de
context waarbinnen de door Weggeman (1992) beschreven improviserende professional
goed gedijt en waarin de programma-uitvoerders van de afdeling Centraal-
en Oost-Europa graag willen werken. Deze context brengt in bepaalde gevallen
echter coördinatieproblemen met zich mee, met name bij de afstemming
van activiteiten met de stafondersteuning. De medewerkers van de stafondersteuning
proberen de hoeveelheid werk zoveel mogelijk te standaardiseren. Door routinematig
te werken lukt het ze soms om het werk af te krijgen. Een vraag vanuit
de afdeling Centraal- en Oost-Europa, die vraagt om improvisatie, is een
prettige afleiding, maar verstoort tegelijkertijd de routine. De stafondersteuning
is onderbezet en onvoldoende ingericht op activiteiten die op korte termijn
moeten worden uitgevoerd.
Het coördinatieprobleem wordt ook versterkt door
de betekenisverschillen binnen het kennisinstituut van de zelfstandig werkende
professional. De autonomie van de medewerker staat hoog in het vaandel
en sluit aan bij de huidige veranderingsprocessen die zich richten op het
zo laag mogelijk plaatsen van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Binnen
de voormalige divisiestructuur heeft de autonomie zich omgezet in een bepaalde
mate van vrijblijvendheid bij medewerkers in het uitvoeren van activiteiten
waarvoor samenwerking nodig is. Er is in bepaalde mate een wildgroei van
activiteiten ontstaan. De eerder genoemde eilandencultuur geeft hiervoor
voldoende ruimte, een eilandencultuur gebaseerd op de stilzwijgende consensus,
dat men elkaar zijn eigen gang moet laten gaan. Van Delden (1992: 43) noemt
dit een onuitgesproken wederzijds vrijblijvendheidscontract. De programma's
van de afdeling Centraal- en Oost-Europa hebben een sterk persoonsgebonden
karakter gekregen. Dit werkt naar buiten toe heel goed, maar levert intern
bij de afstemming, overdracht en het overzicht van activiteiten problemen
op. De behoefte aan coördinatie en afstemming binnen het kennisinstituut
wordt steeds groter, omdat door de sterke toename van het aantal programma-uitvoerders
ook de particuliere belangen toenemen. Het management heeft tot op heden
onvoldoende vorm kunnen geven aan dit integraal management en het bijsturen
van de vrijblijvendheid bij de medewerkers. Volgens Van Delden (1992: 43)
wordt hiermee de ambachtelijke beroepsopvatting van de professional bevestigd:
'Van je collega's en de leiding hoef je niet veel te verwachten, het is
een kwestie van individueel presteren en overleven.'
Machtsprocessen doen zich voor bij de verdeling
van schaarse hulpbronnen. In mijn onderzoek heb ik de programmagelden,
tijdige en juiste informatie, de 'toppers' onder de programma-uitvoerders
en het acquisitiebudget (nodig voor het binnenhalen van opdrachten) als
schaarse hulpbronnen onderscheiden. De schaarste binnen het kennisinstituut
is echter gering, gegeven de luxe financiële positie van de organisatie.
Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) is namelijk naast aandelenbeheerder
en grootste opdrachtgever ook 'suikeroom'. Voor de afdelingen die zich
bezighouden met programma's die niet binnen de lange termijnafspraken met
het EZ vallen, speelt de schaarste wel een rol. Het centrale acquisitiebudget
bijvoorbeeld is een schaarse hulpbron. De afdeling Centraal- en Oost-Europa
is sterk afhankelijk van de acquisitiegelden en moet derhalve met tact
en geduld medewerkers overtuigen van haar acquisitiebelang, hetgeen veel
tijd vergt.
Eindconclusie
De ondernemingsvisie en internationale doelstellingen van het kennisinstituut
sluiten aan bij de internationale activiteiten van de afdeling Centraal-
en Oost-Europa, maar de huidige organisatiestructuur en interne praktijken
niet. De integratie van de internationale activiteiten stuit op systematische
organisatorische knelpunten in een gefragmenteerde organisatiecultuur.
Dit is naar mijn mening het resultaat van een te ruim betekeniskader voor
de verschillende medewerkers, waardoor afstemming van activiteiten onvoldoende
plaatsvindt. Er ontbreekt een duidelijk, intern, internationaal kader waarbinnen
de activiteiten kunnen worden uitgevoerd en ondersteund, en op basis waarvan
het management kan coördineren en aansturen.
Onderzoeksevaluatie
De waarde van (organisatie-)antropologisch onderzoek is binnen de sociale
wetenschappen voortdurend onderwerp van discussie. Bij organisatie-antropologisch
onderzoek zijn de interviewresultaten een belangrijke informatiebron. In
het onderzoeksverslag construeren de informanten via citaten de organisatiewerkelijkheid
(emic-perspectief). De subjectiviteit van de onderzoeker vertaalt zich
in de vraagstelling en de keuze van informanten en citaten. Mijn beeld
van de organisatiewerkelijkheid van het kennisinstituut werd in de beginfase
van het onderzoek voor een groot deel gevormd door de eerste interviews.
De informatie die ik van de eerste respondent kreeg, verwerkte ik in mijn
tweede interview enzovoorts. Dit kleurde in het begin mijn perceptie en
vraagstelling. Maar naarmate het aantal interviews toenam, nam ook het
aantal werkelijkheden toe. Het vergelijken van deze werkelijkheden en de
eigen interpretatie die ik daar als onderzoeker aan gaf, maakten mijn beeld
vollediger en mijn vraagstelling genuanceerder. Hulde aan het interviewen
als dataverzamelingsmethode. Dit proces is helaas oneindig en ik zou in
dit kader ieder organisatielid moeten interviewen. Dit heb ik niet gedaan;
wel heb ik in het kader van mijn vraagstelling zoveel als mogelijk relevante
respondenten geïnterviewd.
Tijdens de probleemstelling, het onderzoek en de verslaglegging
heb ik mijn worstelingen met de academische vrijheid (met een oneindigheid
aan vragen en interessante invalshoeken) en de behoefte aan structuur vergeleken
met de vraagstukken binnen het kennisinstituut. De autonomie van de professional
en de coördinatieproblemen die dat met zich meebrengt, waren zeer
herkenbaar. De behoefte aan sturing en structuur binnen het kennisinstituut,
omdat activiteiten in sommige gevallen in het wild groeiden en geen gezamenlijk
einddoel leken te hebben, staat tegenover de vrijheid die nodig is om de
ontwikkeling van een professional te waarborgen. Het structureren van vrijheden
was in mijn geval de juiste oplossing.
In de fase van probleemstelling en verslaglegging ben
ik vastgelopen. Ik wist niet meer wat ik op papier moest zetten. Ik stelde
alles wat ik opschreef, ter discussie en had geen zicht meer op wat ik
wilde onderzoeken en op welke manier ik mijn onderzoeksresultaten kon gebruiken.
Ik verdronk in de details. Dit was voor een belangrijk deel het gevolg
van het feit, dat ik als onderzoeker deel was geworden van de onderzochte
organisatie. Toen ik met mijn onderzoek begon, had ik immers reeds drie
maanden bij de afdeling Centraal- en Oost-Europa van het kennisinstituut
als stagiair gewerkt en ook tijdens mijn onderzoek werkte ik in de organisatie.
Op gegeven momenten kon ik niet meer voldoende afstand nemen; de respondenten
waren bekenden geworden. Naarmate ik meer afstand nam en ook fysiek minder
op het kennisinstituut aanwezig was, ging het schrijven gemakkelijker.
De afstand maakte het ook mogelijk om allerlei vormen van 'local knowledge'
en 'local talk' op een andere manier te evalueren.
Noten
-
De naam van het betreffende kennisinstituut wordt in dit
artikel op grond van afspraken met de opdrachtgever achterwege gelaten.
-
De letters E, S en H staan voor evenwicht, samenhang en heterogeniteit
en zijn gelijkwaardig. Iedere verandering in een component heeft een verandering
in de andere componenten tot gevolg.
Literatuur
- Delden, P.J. van, 1992. Professionals: Kwaliteit
van het beroep. Contact, Business Bibliotheek, Amsterdam.
- Mastenbroek, W., 1996. Conflicthantering en organisatieontwikkeling.
Samson, Alphen a/d Rijn.
- Mintzberg, H., 1992. Mintzberg over Management.
Nederlandse uitgave: Uitgeverij L.J. Veen b.v., Amsterdam.
- Schein, E.H., 1988. 'De betekenis van de organisatiecultuur:
een literatuuroverzicht.' M&O, 42 (1): 28-43.
- Weggeman, M., 1992. Leidinggeven aan professionals:
het verzilveren van creativiteit. Kluwer Bedrijfswetenschappen, Deventer.
|
|