|
Innovaties in de landbouwsector
in Nicaragua
Nienke Swagemakers
Met weinig landbouwkundige kennis en geringe onderwijskundige onderbouwing,
maar met veel antropologische bagage vertrok ik februari 1999 naar een
Nicaraguaanse landbouwschool. 'Wat zoekt een antropoloog daar en wat voor
meerwaarde kan een antropoloog op een landbouwschool bieden?' zijn vragen
die mij vaak aan het denken hebben gezet en waar ik in dit artikel een
antwoord op probeer te geven. Hiervoor zal ik echter eerst een beschrijving
van mijn onderzoek geven.
Achtergronden van het onderzoek
In Nederland wordt er door (landbouw)scholen al veel aandacht geschonken
aan arbeidsmarktonderzoek. In Nicaragua staat onderzoek naar de arbeidsmarkt
nog in de kinderschoenen. Vanuit het project PROSYD, een samenwerkingsverband
tussen INATEC (een Nicaraguaans overheidsinstituut) en STOAS (een Nederlandse
organisatie), gefinancierd door de Nederlandse overheid, bestond er behoefte
aan onderzoek op het gebied van de arbeidsmarkt in de landbouwsector.
In relatie tot onderwijs kan de arbeidsmarkt beschouwd
worden als de schakel tussen het onderwijssysteem en het arbeidssysteem,
omdat het personen met een bepaalde opleiding of achtergrond koppelt aan
een bepaalde werkplek (Hoof, 1980; van der Laan & Vermeulen, 1994).
Zowel sociale, politieke, culturele, economische als technische factoren
zijn van invloed op de arbeidsmarkt, waardoor de arbeidsmarkt een dynamisch
en complex proces is. Het onderwijs moet hier voortdurend op inspelen en
zijn curriculum aanpassen om goed aan te sluiten op het arbeidssysteem.
Omdat arbeidsmarktonderzoek heel breed en omvattend is, heb ik mij gericht
op innovaties en aanpassingen in de landbouwsector.
De lagere landbouwschool in Jalapa heeft in 1995 met behulp
van het project PEA (Programa de Educación Agropecuaria) een curriculum
verandering ondergaan. Het oude curriculum was zeer formeel, theoretisch,
weinig flexibel en sloot slecht aan op de regionale situatie van kleine
en middelgrote boeren (een groep die echter van groot belang is voor de
Nicaraguaanse landbouw en economie). Het nieuwe curriculum is gericht op
de productieprocessen van kleine en middelgrote boeren, waarbij het gebruik
maakt van methoden en technieken die geschikt zijn voor of toegespitst
zijn op de situatie van deze boeren. Duurzame landbouw, gender en gemeenschapsontwikkeling
staan hierbij centraal. Theorie en praktijk worden geïntegreerd door
een methode van aprender haciendo (aldoende leren). De school heeft
een eigen boerderij waarin de leerlingen het geleerde in praktijk kunnen
brengen. Daarnaast gaan de leerlingen regelmatig terug naar de boerderij
van hun ouders.
Voor dit nieuwe curriculum is het van belang om ontwikkelingen
en veranderingen in een vroeg stadium te kennen en ze in te voeren in het
curriculum. Het doel van mijn onderzoek was dan ook het inventariseren
van innovaties en aanpassingen op landbouwgebied in de omgeving van de
school in Jalapa. Hiernaast kon mijn onderzoek een bijdrage leveren aan
de ontwikkeling van een eenvoudige en goedkope methode/strategie voor landbouwscholen
om innovaties en aanpassingen te lokaliseren.
Methoden
Om aan beide doelstellingen te voldoen kreeg ik te maken met twee verschillende
terreinen. Allereerst de innovaties en aanpassingen in de landbouwsector
en ten tweede de methoden, technieken en processen op de schoolboerderij.
Dit laatste deelgebied heb ik onderzocht door middel van een analyse van
het productieplan, zowel het geschreven plan als de manier waarop dit uitgevoerd
wordt, interviews en informele gesprekken met het personeel over het productieplan
en de activiteiten op de school.
Om de innovaties en aanpassingen in de regio te lokaliseren
heb ik 21 boeren uitgebreid geïnterviewd en hun boerderij bekeken.
Dit waren geen willekeurige boeren, maar boeren die mij aanbevolen waren
op basis van hun goede boerderij en hun productieprocessen, de zogenaamde
best practices. Tevens heb ik technici van vijf verschillende organisaties
geïnterviewd en deelgenomen aan activiteiten van deze organisaties.
De laatste methode bestond uit het bijhouden van de kranten op artikelen
over innovaties en veranderingen in de landbouwsector.
De boeren
Het leven van de kleine en middelgrote boeren is niet gemakkelijk. Ze
hebben weinig bestaansmiddelen en zijn voortdurend in strijd om te overleven.
De opbrengsten van de landbouw zijn laag en het levensonderhoud is duur.
Vaak ontbreken water-, elektriciteits- en sociale voorzieningen. De geïnterviewde
boeren bleken voortdurend op zoek te zijn naar betere methoden, producten
en overlevingsstrategieën, zich aanpassend aan de situatie en zoekend
naar oplossingen voor problemen en beperkingen. De innovaties waren dan
ook zeer divers, van het gebruiken van andere soorten organische mest tot
het uitnodigen van buren om na de koffieoogst de achtergebleven koffiebonen
van de grond en planten te komen halen. Veel innovaties bevonden zich op
het terrein van duurzame landbouw. De boeren waren op zoek naar methoden
om nu een goede oogst te hebben, maar hun land en middelen zodanig te gebruiken
dat ze over 10 jaar ook goede (of zelfs betere) oogsten zullen hebben.
Milieubewust landbouw bedrijven is een karakteristiek van de geïnterviewde
boeren, maar is zeker nog geen gemeengoed onder de boeren. De rendementen
zijn vaak gelijk, maar de boer moet er veel meer arbeidskracht in stoppen.
Eén boer gaf hierop de volgende reactie: 'Landbouw met bodemconservering
vraagt veel meer arbeidskracht dan de traditionele landbouw en is zo gerekend
zeer duur. Om deze reden passen vrij weinig boeren dit toe. De bodem schade
toebrengen is echter veel duurder, want uiteindelijk is de bodem ons leven.'
De meeste boeren waren niet stelselmatig aan het experimenteren;
ze probeerden eens een keer wat uit, hadden van bevriende collega's een
goede tip gehad of ontdekten bij toeval dat een bepaalde methode/techniek
voor hen beter werkte. De sociale netwerken met collega's en organisaties
waren voor de meeste boeren onmisbaar. Workshops, georganiseerd door landbouworganisaties,
bleken ook een inspiratiebron te zijn voor innovaties en veranderingen.
Al vrij snel in het begin van mijn onderzoek leerde ik
een boer kennen, die op een vrij afgelegen plek woonde en die vooral produceerde
voor eigen consumptie en daarnaast geld nodig had om dingen als zeep, kleren
en olie te kopen. Een afwisselend menu was voor hem belangrijk. Hij had
dan ook een zeer gevarieerde boerderij. Koeien waren in deze streek moeilijk
te houden. Om toch de benodigde eiwitten te produceren hield hij varkens
en kippen. Vier jaar geleden kwam hij bij een bevriende collega die vissen
kweekte. Hij besloot op zijn boerderij ook een vijver aan te leggen en
met de eitjes die hij meekreeg van zijn vriend, vissen te gaan kweken.
Nu vier jaar later beschikt hij over drie visvijvers en eet hij zeer regelmatig
vis als avondmaal. In zijn gemeenschap zijn nu ook diverse andere boeren
die een visvijver hebben aangelegd en waar vis op de menukaart staat. Toen
ik na mijn veldwerk bij deze boer terugkwam, bleek hij alweer een nieuw
project op stapel te hebben gezet. Hij had een bepaald soort gras verbouwd
en maakte van dit gras bezems die hij in de stad verkocht. Het zaad voor
dit gras had hij gekregen van zijn buurman die goede ervaringen had met
het verkopen van bezems. Voor het volgend jaar had hij ondertussen het
plan opgevat om meer suikerriet te gaan verbouwen om hier dulce
(een groot blok zoetigheid) van te maken. Zo was deze boer (die ook op
gebied van duurzame landbouw zeer actief was) voortdurend bezig om via
zijn netwerken met andere boeren nieuwe ideeën op te doen voor zijn
eigen boerderij en deze vervolgens uit te proberen.
Het belang van landbouworganisaties
De invloed van landbouworganisaties op de boeren en op het innovatieproces
is groot. Op de eerste plaats introduceren landbouworganisaties innovaties
bij de boeren. Hiernaast creëren de organisaties mogelijkheden voor
boeren om innovaties op hun boerderijen door te voeren of uit te proberen.
Zo kan het verstrekken van zaden (gratis of tegen gereduceerde prijzen),
materialen of krediet een boer in staat stellen zijn innovatie uit te voeren.
De organisaties zijn (zoals hierboven al opgemerkt) ook van belang voor
de netwerken van de boeren. Via de organisaties komen ze in contact met
andere boeren die op een soortgelijke manier met landbouw bezig zijn als
zij zelf en met wie ze ideeën en informatie kunnen uitwisselen. Van
de 21 geïnterviewde boeren waren er 20 lid van één of
meerdere organisaties.
Naast het geven van technische ondersteuning, waarbij
veel aandacht is voor duurzame landbouw (minder pesticiden en insecticiden,
diversificatie van gewassen, gebruik organisch mest, integratie bos- en
tuinbouw etc.), beter gebruik van de patio en opslag van de oogst, geven
de organisaties ook aandacht aan aspecten als leiderschap, gemeenschapsontwikkeling
en commercialisering. De UNICAM (Universidad Campesina) was bijvoorbeeld
bezig met het opzetten van door boeren gerunde tussenstations voor opslag
en verkoop van de oogsten. Dit tussenstation koopt na de oogst de productie
van de boeren op om deze op te slaan en te verkopen als de prijzen beter
zijn. Het wordt in zijn geheel beheerd en uitgevoerd door de boeren en
de winst wordt achteraf eerlijk over de aangesloten boeren verdeeld. Door
dit tussenstation zijn de boeren niet meer afhankelijk van tussenhandelaren
en kunnen ze hun oogsten verkopen op het moment dat de prijzen beter zijn.
Gezamenlijk transport levert een flinke besparing op in de kosten voor
benzine en vervoermiddel. Tevens wordt ervoor gezorgd dat de gemeenschap
het gehele jaar voldoende granen heeft, zodat ze niet halverwege het jaar
dure granen van de tussenhandelaren hoeven te kopen.
De school
Op de schoolboerderij waren ook diverse innovaties en experimenten te
vinden. Deze werden echter niet gedocumenteerd, waardoor de resultaten
vaak verloren gaan met de komst van een nieuwe verantwoordelijke voor de
boerderij. Waar de boeren veel steun en ideeën halen bij elkaar en
de landbouworganisaties, zie je dat de school als het ware op zijn eigen
eilandje leeft. De banden en uitwisselingen met andere organisaties en
boeren zijn zeer zwak.
Om beter op de hoogte te blijven van wat er in de landbouwsector
gebeurt en verandert, moet de school van dit eiland af komen en een echte
uitwisseling van informatie en kennis op gang brengen tussen school, landbouworganisaties
en boeren. Ook een beschrijving en analyse van de productieprocessen, de
innovaties en experimenten op de schoolboerderij zouden van grote waarde
kunnen zijn om inzicht te krijgen in de (on)mogelijkheden van de kleinschalige
landbouwsector. Docenten en technici van de school beschikken over veel
kennis en ideeën die mijns inziens te weinig uitgewisseld en gebruikt
worden. Het motiveren van het personeel om onderling meer informatie uit
te wisselen en de boeren met een nieuwsgierige en open houding tegemoet
te treden zijn eveneens belangrijk.
De antropoloog
Als je het onderzoek zoals hierboven beschreven bekijkt, is dit niet
bepaald een typisch antropologisch onderzoek. Op sommige momenten was het
zelfs vrij technisch van aard. Tijdens de eerste periode van mijn veldwerk
heb ik vaak gedacht dat dit onderzoek meer iets is voor een landbouwkundige
uit Wageningen met vervolgens een taak voor onderwijskundigen, hoe de gevonden
innovaties en veranderingen in het curriculum geïmplementeerd zouden
kunnen worden. Al tijdens mijn veldwerk, maar helemaal nu het onderzoek
en de verslaglegging afgesloten zijn, ben ik hiervan teruggekomen. De waarde
van een antropoloog zit niet zozeer in zijn feitelijk kennis, maar vooral
in zijn houding en methoden van werken die je soms zelfs ongemerkt aangeleerd
hebt tijdens de studie. De kwalitatieve methodes van onderzoek zoals open
(diepte-) interviews, observaties en participatie bleken voor dit onderzoek
zeer belangrijk. Veel innovaties heb ik opgepikt uit observaties tijdens
rondleidingen over de boerderij en uit deelname aan de activiteiten van
organisaties. Het feit dat ik weinig landbouwkundige kennis had, werkte
vaak zelfs in mijn voordeel. Waar de technici (die mij begeleidden tijdens
mijn interviews en bezoeken aan boeren) een top-down-houding hadden
('Wij hebben de landbouwkundige kennis en moeten die overdragen op de boeren.')
beschouwde ik de boeren als mijn docenten; zij hadden de kennis en de ervaring
waarvan ik wilde leren. De boeren vonden het prachtig om mij alles over
de landbouw te leren, waarbij ik over aspecten doorvroeg die door een landbouwdeskundige
als vanzelfsprekend werden ervaren. Hierdoor kreeg ik zeer veel informatie
die ogenschijnlijk onbelangrijk was, maar bij doorvragen cruciaal bleek.
Hoewel mijn onderzoek vooral gericht was op de technische
aspecten van innovaties, bleven mijn antennes uitstaan voor sociale, culturele,
politieke en economische achtergronden en gevolgen. Dit stelde mij in staat
me een goed beeld te vormen van de situatie van de boeren en hoe zij hier
zo goed mogelijk mee probeerden om te gaan. Natuurlijk is het voor een
antropoloog die een vrij technisch landbouwkundig onderzoek doet, van groot
belang dat deze geïnteresseerd is in de landbouwsector en de rurale
problematiek.
Het onderzoek is ontstaan vanuit een zeer praktische vraag.
Deze praktische inslag heeft dan ook voortdurend de achtergrond van het
onderzoek gevormd. Zelf ben ik van mening dat dit onderzoek een mooi voorbeeld
is van toegepaste antropologie. Zonder mijn antropologische achtergrond
had ik nooit het resultaat kunnen neerzetten dat ik nu heb neergezet.
|
|