|
Wateroverlast en sanitaire
voorzieningen in Paramaribo, Suriname
Een 'vies' onderzoek
Ludo Jacobs
Inleiding
Water heeft beroepshalve mijn aandacht en interesse, omdat ik, naast
mijn deeltijdstudie culturele antropologie, fulltime werk als adviseur
op het gebied van afvalwaterzuivering. Daarom wilde ik een afstudeeronderzoek
doen over sociale en culturele aspecten betreffende (afval)waterproblematiek.
Deze gelegenheid heeft zich voorgedaan, doordat eind 1998 een ontwikkelingsproject
is gestart in Suriname, de zogenaamde Masterplanstudie. Het doel van deze
studie is het geven van aanbevelingen en richtlijnen voor het zo doelmatig
mogelijk aanleggen, verbeteren en beheren van de ontwateringsinfrastructuur
van Groot-Paramaribo op de korte en middellange termijn. Het ontwaterings-
en rioleringssysteem van deze stad is de laatste decennia namelijk in verval
geraakt, waardoor de kwaliteit van het woon- en werkklimaat is verslechterd.
In het kader van deze Masterplanstudie heb ik zodoende
van november 1999 tot en met februari 2000 mijn afstudeeronderzoek gedaan,
waarbij ik enerzijds de beleving van wateroverlast en anderzijds het gebruik
en de beleving van sanitaire voorzieningen door de stedelijke bevolking
heb onderzocht. Deze twee aspecten heb ik gekoppeld, omdat er immers een
directe relatie is tussen wateroverlast en het gevaar voor de volksgezondheid
als gevolg van met fecaliën besmet regen- en/of oppervlaktewater.
Literatuurstudie
Het is van groot belang inzicht te verkrijgen in de beleving van en
ideeën over hoe mensen omgaan met menselijke ontlasting en vuil in
zijn algemeenheid. Het heeft namelijk weinig zin om bijvoorbeeld een uitgebreid,
ingewikkeld en duur stedelijk rioleringssysteem voor huishoudelijk afvalwater
aan te leggen, wanneer mensen geen gebruik willen maken van (spoel)toiletten
in hun huizen, maar aanwezige latrines op het achtererf blijven gebruiken
vanwege hen bekende, maar mogelijk ons onbekende, culturele en/of sociale
redenen. Om dit inzicht te verkrijgen is een literatuurstudie uitgevoerd.
Zo verbindt de antropologe Mary Douglas in haar boeiende
boek Purity and Danger (Douglas, 1999: 2-6) gevoelens van afkeer
en ongemak en ideeën over 'vuil' met de meest wezenlijke aspecten
van menselijke cultuur. Douglas stelt dat 'absoluut vuil' niet bestaat;
het is alleen 'matter out of place'. Vuil is wanorde, een inbreuk op de
orde. Afschuw van vuil is niet een ingeboren angst, zoals wel eens beweerd
wordt. Het verwijderen of vermijden van vuil is ook niet een negatieve
gebeurtenis, maar juist een positieve handeling waarmee mensen hun omgeving
proberen te beheersen. Door het begrip 'vuil' kunnen mensen hun leven ordenen:
het onderscheid tussen 'vuil' en 'schoon' is een daad van orde scheppen,
van cultuurproductie. Door dat onderscheid kunnen mensen grenzen trekken,
classificaties maken en besluiten nemen.
Maar hoe zit het met menselijke uitwerpselen? Is poep
niet altijd en overal vies? Bestaat er een cultuur waar men geen afkeer
heeft van poep? Is poep niet gewoon vies van zichzelf, ongeacht waar het
zich bevindt? Volgens Douglas zou poep in een wc-pot, latrine of riool
'schoon' moeten zijn, omdat het zich daar op de juiste plaats bevindt.
Dat we poep daar toch blijven zien als vuil, komt volgens medisch antropoloog
Van der Geest (1998: 140-141), doordat poep niet alleen in ruimtelijke
zin 'opgeborgen' moet zijn, maar ook in sociaal opzicht: 'Poep is een intiem
product waar men zich privé van scheidt en waar men verder ook geen
mededelingen over doet. Poep ter sprake brengen in een conversatie of erover
schrijven, zoals nu gebeurt, is dus ook een matter out of place,
een verstoring van de goede orde, een inbreuk op de etiquette [...]' (ibid).
In dit opzicht is mijn afstudeeronderzoek dus een 'vies'
onderzoek. Ook om deze reden hebben antropologen, met enkele uitzonderingen,
weinig aandacht besteed aan de beleving van menselijke ontlasting. Van
der Geest voorziet echter, dat dit onderwerp (evenals seks, gevoelens en
andere intieme zaken) in toenemende mate 'populair' zal worden onder antropologen,
omdat het taboe-karakter van poep ook een grote aantrekkingskracht uitoefent
en omdat kennis over poep en zijn context ons veel kan leren over denk-
en gedragswijzen in diverse culturen.
Onderzoeksopzet
De doelstelling van het afstudeeronderzoek is op de eerste plaats het
verkrijgen van inzicht in wat voor overlast bewoners van Groot-Paramaribo
(de stad Paramaribo en het aangrenzende gebied Wanica) precies ondervinden
van of door overtollig regenwater en hoe zij die overlast ervaren. Op de
tweede plaats wordt inzicht verkregen in de beleving van de stedelijke
bevolking van Paramaribo met betrekking tot het gebruik van toiletten,
septic tanks en latrines. De probleemstelling is als volgt geformuleerd.
A. Wat voor overlast hebben de bewoners van Groot-Paramaribo
precies van of door overtollig regenwater (al of niet verontreinigd met
fecaliën of afvalwater) en hoe ervaren ze deze overlast?
B. Hoe ervaren bewoners van (een stadsdeel van) Paramaribo het gebruik
van toiletten, septic tanks en latrines?
De probleemstellingen A en B zijn herleid tot de volgende richtinggevende
onderzoeksvragen.
A.1. Wat voor directe overlast hebben de bewoners tijdens regenbuien
en erna, waarbij overtollig regenwater niet tijdig kan worden afgevoerd?
A.2. Wat voor directe en indirecte gevolgen van wateroverlast ervaren
de mensen met betrekking tot gezondheid, (eventuele) economische schade
en individueel en/of sociaal welbevinden?
A.3. Wat zien de mensen in de wijken als oplossingen van het waterprobleem?
B.1. Welke sanitaire voorzieningen zijn bij de mensen aanwezig?
B.2. Wat vinden de stadsbewoners van het gebruik van hun eigen toiletten,
septic tanks en latrines?
B.3. Geven de mensen de voorkeur aan toiletten of latrines en waarom?
Deze vragen zijn enerzijds in interviews gesteld aan vertegenwoordigers
van elf buurtorganisaties, die wateroverlast ervaren en die geografisch
verspreid zijn over Groot-Paramaribo. Anderzijds is een uitdieping van
de onderzoeksaspecten wateroverlast en sanitaire voorzieningen verkregen
door deze beleving van bewoners van de wijk Pontbuiten in Zuid-Paramaribo
meer in detail te onderzoeken middels 67 enquêtes. Deze wijk heeft
veel wateroverlast en tevens zijn er relatief veel latrines aanwezig. De
belangrijkste resultaten van het onderzoek, voor wat betreft wateroverlast
en sanitaire voorzieningen, zijn hieronder verwoord. De resultaten van
de uitdieping heb ik hierbij uitgesplitst naar de etniciteiten Creolen
en Boslandcreolen (of Bosnegers of Marrons), de twee dominant aanwezige
bevolkingsgroepen in de wijk Pontbuiten.
Beleving van wateroverlast
Wateroverlast is op de eerste plaats gerelateerd aan het type riolering
in de wijk. Heeft de wijk open riolering in de vorm van slootjes voor de
huizen langs de kant van de weg, waarlangs het regenwater en overloopwater
van de septic tanks worden afgevoerd of zijn er in de wijken gesloten,
ondergrondse rioolbuizen die onder vrij verval afstromen naar grotere watergangen
of kreken? In de wijken met open rioleringen lopen veel erven en straten
onder water bij (zwaar) regenweer. De afvoerslootjes zelf lopen hierbij
ook vaak over. Het water is of wordt verontreinigd met overloopwater uit
de septic tanks en met fecaliën uit eventueel aanwezige latrines op
de erven. Dit overtollige water kan dagen tot weken blijven 'zitten' op
(een deel van) het erf, afhankelijk van de duur van de regenperiode. Soms
komt het water ook laaggelegen huizen binnen. Ook wijken met gesloten riolering
kunnen bij regenweer last krijgen van het onder water lopen van straten
en erven, waarbij tevens water de huizen kan binnenkomen. Andere vormen
van wateroverlast zijn het niet meer wegstromen van badwater, het via de
badkamerafvoer binnentreden van water en het niet meer kunnen doorspoelen
van het toilet. In een enkel geval stroomt zelfs de toiletpot over, waarbij
dus afvalwater met fecaliën het huis binnenstroomt.
Als gevolg van de wateroverlast wordt het meest het optreden
van ziekten genoemd, zoals diarree, braken, hoesten, koorts, ziekte van
Weil, huidziekten en wormziekten. Ook worden genoemd: het sluiten van scholen
of het noodgedwongen thuis moeten houden van schoolgaande kinderen, materiële
schade aan huizen, gevaarlijke situaties door kaaimannen (kleine krokodillen)
en slangen, die een droog plekje zoeken nabij of op erven, last van ongedierte
bij ondergelopen erven, schade aan kleine groentetuintjes of het helemaal
niet kunnen kweken van groenten en het niet kunnen houden van kippen. Duidelijk
is ook het gevoel van onbehagen als gevolg van de beperking van de bewegingsvrijheid
bij wateroverlast op erf en/of straat. Met name kinderen mogen niet op
het erf spelen, als dat onder water staat, en mogen niet door het water
lopen. Als een ander belangrijk negatief gevolg voor het individueel en
sociaal welbevinden geeft men aan, dat men het water in de badkamer, als
dat niet wegstroomt, of op het erf of de straat vies vindt. Men is in dit
kader erg bang voor ziekten.
Volgens de geïnterviewden zijn de belangrijkste oorzaken
van wateroverlast het verstoppingsprobleem van zowel open als gesloten
rioleringen en het gebrek aan goed en periodiek onderhoud van de rioleringen
en watergangen. Deze twee oorzaken zijn duidelijk aan elkaar gerelateerd.
De uitsplitsing van de onderzoeksresultaten naar etniciteit
in de meer in detail onderzochte wijk Pontbuiten levert de volgende resultaten
op. Bij Boslandcreolen loopt vaker het gehele erf onder water en loopt
vaker de afvoersloot voor het huis over, vergeleken met Creolen. Ook loopt
vaker de aanwezige latrine onder water. Boslandcreolen voelen zich meer
beperkt in bewegingsvrijheid door wateroverlast en houden hun kinderen
meer binnen dan Creolen. Ten aanzien van het individueel en sociaal welbevinden
bij wateroverlast valt op, dat Creolen meer moeite hebben met vies badwater
en vies water op erf of straat dan Boslandcreolen. Ook zijn Creolen iets
banger voor ziekten dan Boslandcreolen. Boslandcreolen daarentegen hebben
meer last van ongedierte in huis of op het balkon dan Creolen.
Gebruik en beleving van sanitaire voorzieningen
Verreweg de meeste huizen in de onderzochte wijken zijn voorzien van
een toilet met bijbehorende septic tank. In Suriname is men in het algemeen
'heel zorgvuldig, heel voorzichtig en heel zindelijk' met het gebruik van
toiletten en septic tanks. Men is erg gesteld op toiletten vanwege de netheid
en hygiëne. In het algemeen is men tevreden met dit systeem van toiletten
en septic tanks, afgezien van enkele uitzonderingen betreffende de lage
ligging van de tanks, in geval men het eigen erf in de loop der tijd heeft
opgehoogd. Andere redenen voor tevredenheid over toiletten zijn: je hoeft
niet naar buiten voor het doen van je behoeften, een toilet is goed te
onderhouden en schoon te maken, is gemakkelijk en geeft meer privacy. Indien
men ontevreden over het toilet is, wordt dat voornamelijk veroorzaakt,
doordat men met emmers moet sjouwen en de ontlasting met water uit emmers
moet doorspoelen.
Latrines of erf-wc's blijken er relatief veel te zijn
in de wijk Pontbuiten, samen met nog een andere wijk in Paramaribo. In
de meeste onderzochte wijken zijn er echter maar weinig (slechts een handvol)
of geen latrines aanwezig. Het gebruik van latrines neemt duidelijk af.
Men bouwt steeds meer toiletten en septic tanks, omdat 'iedereen toch toiletten
[wil]'. Uit de uitdieping van het onderzoek is gebleken dat 36% van de
huizen van Pontbuiten een latrine op het erf of een toilet buitenshuis
heeft; het percentage van woningen met een latrine is 28.
Verreweg de meeste latrine-bezitters in de wijk Pontbuiten
zijn ontevreden over de latrine. De opgegeven redenen voor ontevredenheid
zijn in afnemende mate: je moet naar buiten om je behoeften te doen, hetgeen
vervelend is bij wateroverlast of regen of hetgeen 's nachts als onveilig
wordt ervaren vanwege de criminaliteit in de wijk, de aanwezigheid van
ongedierte (kakkerlakken, ratten, muizen), angst voor ziektes door onder
water gelopen latrines, een latrine is gevaarlijk voor kleine kinderen,
omdat ze in de put kunnen vallen, een latrine geeft stank en is vies en
de put raakt snel vol.
Heel vaak wordt een nieuwe latrineput op het erf gegraven,
als de bestaande put vol is. De kosten van leegmaken van de put door een
particulier bedrijf vindt men te hoog. In het algemeen investeert men niet
in het verbeteren van een latrine vanwege de hoge kosten die hiermee gemoeid
zijn of men geeft aan, dat men niet bereid is veel geld hiervoor uit te
geven, omdat men in een huurwoning zit.
Met betrekking tot de voorkeur voor toiletten of latrines
blijkt duidelijk, dat verreweg de meeste mensen een watergespoeld toilet
prefereren, ondanks het gedoe met emmers, als er onvoldoende leidingwaterdruk
is. De redenen voor deze voorkeur zijn hierboven al aangegeven.
Worden de resultaten naar de etniciteiten Creolen en Boslandcreolen
uitgesplitst, dan blijkt het volgende. Relatief gezien hebben meer Boslandcreolen
latrines bij hun woningen dan Creolen. Ten aanzien van de latrines hebben
Creolen meer moeite met het naar buiten moeten gaan bij regen of wateroverlast
dan Boslandcreolen. Wat betreft de andere redenen van ontevredenheid (onder
andere ongedierte, angst voor ziekten, gevaarlijk voor kinderen, stank)
zijn de verschillen gering. Creolen hechten wel (iets) meer belang aan
privacy en aan het gemakkelijke onderhoud van toiletten. Ook is gebleken
dat Creolen, vergeleken met Boslandcreolen, meer op netheid van toiletten
gericht zijn, waardoor zij liever geen bezoekers gebruik laten maken van
hun toilet. Boslandcreolen daarentegen ontlenen (misschien) meer status
aan het hebben van een toilet, hetgeen zich uit door de wens liever een
toilet te willen hebben voor bezoekers. Boslandcreolen graven eerder een
nieuwe latrineput als de bestaande put vol is dan Creolen.
Evaluatie en aanbevelingen
Veel van de onderzochte probleemwijken liggen aan het begin van een
lang afwateringskanaal. Bij zware, langdurige regenval kan het water niet
voldoende snel wegstromen via het afwateringskanaal naar de ver weg gelegen
definitieve lozingspunten, met name de Surinamerivier en het Saramaccakanaal.
Maar ook speelt de verstopping van de gesloten en open rioleringen uiteraard
een rol. Op de tweede plaats zijn er wijken, die een gesloten riolering
hebben en die dichter bij de lozingspunten Surinamerivier en Saramaccakanaal
liggen. Hier speelt vooral de verstopping van riolering en/of hoofdafwateringskanaal.
Zuid-Paramaribo vormt een probleemgebied hoofdzakelijk vanwege de lage
ligging. De vele aanwezige open rioleringsslootjes blijven er vol water
staan, mede vanwege verstopping.
Hieronder worden de belangrijkste aanbevelingen uit het
onderzoek gegeven op individueel, sociaal en institutioneel vlak. De meer
technische aanbevelingen en oplossingen laat ik uiteraard over aan het
consortium. Bewustwording van de lokale bevolking, dat men zelf de verantwoordelijkheid
heeft voor het schoonhouden van het eigen leefmilieu, is cruciaal om het
verstoppingsprobleem van rioleringen tegen te gaan. Men moet zich ervan
bewust worden, dat men zo maar niet overal afval kan weggooien. Er wordt
aanbevolen de Stichting voor een Schoon Suriname institutioneel te versterken
en te voorzien van meer middelen om een betere bekendheid te krijgen en
meer bewustwordingsactiviteiten te ontplooien samen met buurtorganisaties,
overheid en de op te zetten ontwateringsautoriteit. Ook het onderwijs zou
meer aandacht moeten besteden aan de bewustwording van de jeugd.
Ook wordt aanbevolen een belangrijke actieve rol aan buurtorganisaties
toe te kennen bij de oplossing van wateroverlast, door deze organisaties
nauw te betrekken bij het onderhoud van open en gesloten rioleringen en
watergangen. Dit impliceert een nauwe samenwerking van de ontwateringsautoriteit
met de buurtorganisaties. De ontwateringsautoriteit zou contacten moeten
leggen met de bestaande wijkorganisaties en moeten nagaan, hoe de samenwerking
vorm kan worden gegeven. Een stukje bermbeheer kan misschien bij de bewoners
zelf gelegd worden, in samenwerking met buurtorganisaties en de autoriteit.
Tevens is versterking van de bestuurlijke capaciteit van
buurtorganisaties aanbevelenswaardig. Het propageren van een a-politiek
karakter van buurtorganisaties is hierbij een belangrijk aspect om de slagkracht
van de organisaties op langere termijn te waarborgen en te verhogen. In
dit kader is het eveneens aanbevelenswaardig het opzetten van een buurtorganisatie
in wijken met wateroverlast, die nog geen wijkorganisatie hebben, te stimuleren.
Hiermee kan de participatie van de bevolking van 'bottom-up' op gang worden
gebracht.
Met betrekking tot sanitaire voorzieningen blijkt, dat
er een duidelijke voorkeur is voor toiletten en septic tanks vergeleken
met latrines. De overheid zou in dit verband een duidelijk beleid moeten
formuleren voor vervanging van latrines door toiletten en septic tanks
vanwege volksgezondheidsaspecten en het beleid actief en effectief moeten
uitvoeren met advisering naar de bevolking toe en controle op de vervanging
van latrines. Bepaalde overheidsinstanties zouden hiertoe institutioneel
versterkt moeten worden. Bij deze vervanging zouden mogelijk ook stimuleringspremies
of subsidie aan de mensen verstrekt kunnen worden.
Literatuur
- Douglas, M., 1999. Purity and Danger: An Analysis
of Concepts of Pollution and Taboo. London, New York: Routledge (eerste
druk: 1966).
- Geest, S. van der, 1998. Poep en omstreken: Over scatologie,
cultuur en welbevinden.
Medische Antropologie 10, (1), 139-157.
|
|