![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
| 2000 |
De rol van meisjes binnen de Colombiaanse Kindervredesbeweging Sjarah Soede De trivialiteit van gender 'Bogotá is undoubtedly a crime-ridden and violent city. Petty crime, which has always been rife, is currently rampant and rates of car-jacking, armed robbery and kidnapping have recently escalated. Few homes, even in the low-income settlements, fail to take elaborate precautions against burglary.' (Gilbert, 1994: 7)Straffeloosheid, een niet aflatend geweld tussen guerrillagroeperingen, rechtse doodseskaders en het regeringsleger, alsmede het beruchte drugsverkeer en de welig tierende violencia común ('gewoon' geweld) waren de meest prominente zaken die figureerden in mijn beeldvorming omtrent Colombia. Het feit dat ik mijn afstudeeronderzoek zou gaan voltooien in de arme en gemarginaliseerde buitenwijken van Bogotá, bekendstaand als één van de meest violente steden ter wereld, boezemde mij dan ook grote angst in. Toch had Colombia ook een zekere romantische connotatie voor mij. Het was namelijk tevens het land waar mijn liefde iets meer dan een kwart eeuw geleden temidden van de oneindig uitgestrekte vlakten van Los Llanos het levenslicht had aanschouwd. Ondanks de negatieve berichtgeving in de media waren wij beiden uitermate geïntrigreerd geraakt door zijn turbulente vaderland en koesterden we de wens om hieraan een bezoek te brengen. Temeer wij reeds contacten onderhielden met medewerkers van een NGO in Bogotá, lag een combinatie met mijn in het verschiet liggende afstudeeronderzoek voor de hand. Onze nieuwsgierigheid en fascinatie won het van mijn angst en op 6 oktober 1998 ving onze reis naar la tierra del olvido (het vergeten land) aan. Tot mijn reisbagage behoorde onder meer een uitgewerkte opzet voor mijn onderzoek naar de problematiek waarmee de zogenaamde madres comunitarias - de oppasmoeders van Bogotá - zich geconfronteerd zien. ATI (Asociación de Trabajo Interdisciplinario), de kleine NGO van waaruit ik mijn afstudeeronderzoek zou initiëren, had namelijk aangegeven dat zij het op prijs zouden stellen, wanneer ik hun projecten gericht op de 'empowerment' van deze vrouwen zou gaan evalueren. Hierbij werd ik gedreven door het stellige voornemen om eens niet de sociaal-politieke conflictsituatie en de talrijke geweldserupties het beeld van Colombia te laten bepalen, maar het andere gezicht van Colombia naar de buitenwereld te presenteren. Toen ik echter in Colombia arriveerde, schudde de wereld, zoals ik die tot op dat moment gekend had, op haar grondvesten. Te spreken van een cultuurschok - zoals die vrijwel ieder andere veldwerker aan den lijve ondervindt - bagatelliseert mijns inziens het fenomeen en in navolging van Robben en Nordstrom (1995) meen ik, dat de term 'existential shock' de lading beter dekt. Zij stellen: 'It is a disorientation about the boundaries between life and death, which appear erratic rather than discrete. It is the paradoxical awareness that human lives can be constituted as much around their destruction as around their reconstruction and that violence becomes a practice of negating the reason of existence of others and accentuating the survival of oneself. It is this confrontation of the ethnographer's own sense of being with lives constructed on haphazard grounds that provokes the bewilderment and sense of alienation experienced by most of us.' (Robben & Nordstrom, 1995: 11)De ingrijpende ervaring die deze existentiële schok met zich meebracht, maakte dat ik mij niet kon distantiëren van het heersende geweld. Ik kon er onmogelijk omheen. Het was naar mijn gevoel overal, het hing in de lucht en met elke ademtocht zoog ik het naar binnen. Hoewel het zeker niet altijd manifest was, leefde je in een continue spanning. Dit constant op je hoede zijn maakte het leven intenser en waardevoller, maar het zorgde er tevens voor, dat mijn afstudeeronderzoek omtrent de madres comunitarias op losse schroeven kwam te staan. Want in deze context, waarin de Colombiaanse bevolking balanceerde 'on the edge of life', leken genderissues in mijn ogen plotseling van triviale betekenis. Achteraf bezien constateer ik, dat mijn perceptie van de werkelijkheid als onderzoeker op dat moment sterk gekleurd was door de existentiële schok die mij in zijn machtige greep had. Hierbij kwam nog, dat in die eerste weken van mijn verblijf het bericht kwam, dat de Colombiaanse regering het plan had opgevat om, in het kader van een bezuinigingsoperatie, de subsidiëring van het programma van oppasmoeders te staken. Hoewel het onwaarschijnlijk was, dat het programma reeds gedurende mijn veldwerkperiode zou worden opgeheven, zou mijn onderzoek toch zeker aan relevantie inboeten. Deze factoren tezamen maakten, dat ik een radicale keuze maakte voor een nieuwe probleemstelling en een nieuwe onderzoeksgroep. Het werd de Colombiaanse Kindervredesbeweging. Deze keuze lag enigszins voor de hand, omdat ATI een actieve rol speelde in het vredeswerk en het bovendien zo was, dat Maria, het tienjarige meisje bij wie wij tijdens ons verblijf in Colombia in huis woonden, lid was van de officiële nationale raad van de Kindervredesbeweging in Bogotá. De probleemstelling die centraal stond binnen mijn onderzoek, was de vraag naar de betekenis van politieke participatie van kinderen voor democratiserings- en vredesprocessen. Voor een extensieve beantwoording van deze vraagstelling verwijs ik u kortheidshalve naar mijn onderzoeksverslag en literatuurstudie (Soede, 2000). Wat ik in het voor u liggende artikel naar voren wil brengen, is namelijk van een andere orde. In dit artikel staan de genderaspecten van de participatie van de Colombiaanse kinderen binnen de Kindervredesbeweging centraal. Want ondanks het feit dat gender in mijn beleving in eerste instantie van triviale betekenis leek, is het dat natuurlijk geenszins. Gender 'matters' en daar kan de Kindervredesbeweging mijns inziens een rol van betekenis in spelen. Alvorens deze stelling nader uit te werken zal eerst een beknopte schets gegeven worden van wat de Kindervredesbeweging nu precies inhoudt. De Colombiaanse Kindervredesbeweging Tijdens de zes maanden die ik heb doorgebracht in Bogotá, heb
ik mij gericht op de Consejo de los niños por la Paz, de
officiële nationale raad van de Kindervredesbeweging. Hoewel in het
algemeen alle Colombiaanse kinderen die zich op enigerlei wijze met het
vredesvraagstuk bezighouden, gerekend worden tot de gelederen van de Colombiaanse
Kindervredesbeweging, heb ik mij wegens praktische redenen beperkt tot
het georganiseerde gedeelte. De 32 leden van de Kinderraad zijn allen tussen
de 7 en 18 jaar oud en zij hebben hun lidmaatschap van de
Consejo
verkregen op basis van een, overigens niet altijd even transparant, selectieproces
binnen een aantal (non-) gouvernementele organisaties van uiteenlopende
pluimage zoals UNICEF, World Vision, Redepaz, Save the Children en het
kinderdorp Benposta. Ook de relatief kleine NGO ATI behoort tot dit gezelschap.
Tezamen vormen de in totaal 17 organisaties het zogenaamde Comité
Interinstitucional de Impulso, welke de Kindervredesbeweging terzijde
staat op onder meer logistiek en financieel gebied. Naamsbekendheid tot
op internationaal niveau verwierf de Kindervredesbeweging voornamelijk
na bekendmaking van haar nominatie voor het winnen van de Nobelprijs voor
de Vrede 1998. De doelstellingen van de beweging zijn samen te vatten in
het verdedigen van de rechten van het kind en het strijden voor een vreedzaam
Colombia.
Kinderparticipatie bezien vanuit een genderperspectief '... Many adults in all cultures think of boys as the children who need to be prepared to become decision makers as adults, and hence need programmes that offer opportunities to develop autonomy and decision-making skills. Girls, they feel, should be more protected and prepared for domestic roles.' (Hart, 1997: 36).Volgens Hart zijn er wereldwijd nog vele barrières te slechten ten aanzien van de effectieve participatie van meisjes. De verklaring voor deze discriminatoire situatie is volgens de auteur ten principale gelegen in de divergerende opvoedingspatronen en de daaraan gekoppelde identiteitsvorming die meisjes en jongens doorgaans ten deel vallen. Hart meent dan ook, dat de conclusie gerechtvaardigd is, dat de programma's waarin kinderen van beide seksen op basis van gelijkheid participeren, een toegevoegde waarde bezitten voor de meisjes die eraan deelnemen. Een autonomere positie in de maatschappij zal naar verwachting immers het positieve en revolutionaire resultaat zijn van hun deelname in de besluitvormingsprocessen (Hart, 1993: 41). Ook Young wijst erop, dat vrouwen vaak op een dusdanige wijze gesocialiseerd zijn, dat zij slechts rechten en behoeften hebben in relatie tot anderen, zoals hun kinderen en hun familie. Hieruit vloeit voort, dat het voor veel vrouwen ondenkbaar is om eigen behoeften en belangen te hebben, laat staan ook uiting te geven aan deze behoeften (Young, 1993: 148). Colombia vormt hierop geen uitzondering. Ook hier wordt de vrouwelijke sekse door velen nog steeds eenzijdig verbonden met het huiselijke domein en het takenpakket dat hieraan verbonden is. Rico de Alonso (1994) meent echter, dat binnen het betreffende Latijns-Amerikaanse land de laatste decennia een tendens zichtbaar is, waarbij het traditionele vrouwelijke rolpatroon hoe langer hoe meer aan betekenis inboet. In haar publicatie over het verband tussen gender en de participatiemogelijkheden voor meisjes in de Colombiaanse samenleving stelt zij, dat het vrouwelijke deel van de Colombiaanse bevolking gedurende de laatste dertig jaar een indrukwekkend integratieproces heeft doorgemaakt binnen zowel het educatieve systeem als de productieve sector. Dit leidde ertoe, dat de invulling van de traditionele genderrol en genderidentiteit van de Colombiaanse vrouw in belangrijke mate gewijzigd is. Ook de introductie van voorbehoedsmiddelen vormde een factor van betekenis in deze. Contraceptieven boden de Colombiaanse vrouw immers de mogelijkheid om zelf de besluitvorming omtrent haar reproductieve leven ter hand te nemen. Rico de Alonso plaatst hierbij evenwel direct de kanttekening, dat de zojuist genoemde transformatieve processen zeker nog niet alle Colombiaanse vrouwen ten deel zijn gevallen. Nog steeds gaat het om een vrij exclusief fenomeen waarvan grote groepen vrouwen, met name uit de lagere sociale klassen, zijn buitengesloten. Ondanks het feit dat een significant gedeelte van de Colombiaanse vrouwen tot nu toe nog niet in staat is geweest om te ontkomen aan de gemarginaliseerde en ondergeschikte maatschappelijke positie die zij innemen, meent Rico de Alonso dat er wel degelijk een belangrijk potentieel tot verandering gecreëerd is. De geschetste transitie van een beperkt segment van de vrouwelijke Colombiaanse bevolking heeft namelijk een nieuw cultureel model van het Ser Femenino (vrouwelijk wezen) voortgebracht. Aangezien het voor handen zijn van nieuwe rolmodellen de navolging en de replicatie hiervan bevordert, heeft de transitie van een selecte groep naar verwachting een belangrijk uitstralend effect op de maatschappij. Rico de Alonso meent overigens, dat de strategieën die de jeugd als doelgroep hebben, de meest vruchtbare manier vormen om een verhoogde participatiegraad van vrouwen in de maatschappij te bewerkstelligen en daarmee een impuls te geven aan de Colombiaanse ontwikkeling (Rico de Alonso, 1994). De participatie van meisjes binnen de Kindervredesbeweging Het hierboven geschetste, theoretische kader toepassend op de meisjes
van de Colombiaanse Kindervredesbeweging, kan men naar mijn mening niet
anders dan concluderen, dat de participatie van de vrouwelijke leden van
de Kinderraad naar verwachting een gunstig effect zal sorteren op hun (toekomstige)
positie in de maatschappij. Deze positie zal gekenmerkt worden door een
grotere autonomie en sterker zelfbewustzijn. Hoewel het bewerkstelligen
van vrede het primaire doel vormt van de activiteiten van de Kindervredesbeweging,
zijn haar activiteiten tevens gericht op de emancipatie van het kind. Zo
is inmiddels via verscheidene acties, zoals de campagne Soy Constructor
de Paz (Ik ben een bouwer van vrede), getracht de Colombiaanse kinderen
bewust te maken van de rechten van het kind en de voortrekkersrol die zij
mogelijkerwijs kunnen spelen in de creatie van een nieuwe en vreedzame
samenleving.
Bibliografie - Gilbert, A., 1994. The Latin American City. London:
Latin American Bureau.
|