Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


2000
vorige naar index volgende

Milieuproblemen en oplossingen in Lwang, Nepal

Susan Vermeer

De Himalaya is het jongste gebergte ter wereld; de berghellingen zijn daardoor steil en dus gevoelig voor erosie. Van dit kwetsbare gebied zijn mensen afhankelijk voor hun bestaan. Voor mijn afstudeeronderzoek heb ik me geconcentreerd op de vraag, welke milieuproblemen dorpsbewoners in het Himalayagebied signaleren en hoe zij deze problemen oplossen. Ontbossing en erosie zijn de belangrijkste problemen in het onderzoeksgebied.
   Ten behoeve van mijn afstudeeronderzoek ben ik van begin februari tot begin april in Lwang geweest, een dorp in het middelgebergte van het Annapurna gebied in Nepal. Ik was daar te gast bij het regiokantoor van het Annapurna Conservation Area Project (ACAP). Lwang ligt op een hoogte van ongeveer 1400 meter op een helling in het laaggebergte aan de voet van de Annapurna, een 8091 meter hoge berg.

Operationalisering

Het inwonertal van Lwang ligt rond de achthonderd personen. De grootste bevolkingsgroep in het dorp vormen de boeddhistische Gurung. Samen met de Gurung behoren ook de Brahmanen tot de hogere kasten. De andere helft van de bevolking behoort tot de lagere, beroepsgebonden kasten (zie tabel 1 en 2). Ondanks het feit dat de grootste groep van oorsprong boeddhistisch is, worden ook de hindoeïstische feestdagen gevierd en hindoe-goden aanbeden. Beide godsdiensten zijn in het gebied geheel vermengd.

Tabel 1. Bevolking van Lwang verdeeld naar kaste*
 
  Gurung Kami Damai Giri Magar Sarki Brahmaan Lwang totaal
Totaal ward 2 126 149 111 - - 37 42 465
Totaal ward 3 249 - 32 1 9 23 19 333

Totaal Lwang

375

149

143

1

9

60

61

798
% van inwonertal
47

18.7 

17.9

0.1

1.2

7.5

7.6

100

*Gebaseerd op mondelinge informatie van de CAMC-chiefs van ward 2 en 3
 

Tabel 2. Aantal huishoudens in Lwang verdeeld naar kaste*
 
  Gurung Kami Damai Giri Magar Sarki Brahmaan Lwang
Totaal ward 2 28 29 16 - - 6 7 86
Totaal ward 3 44 - 6 - 1 6 2 59

Totaal Lwang

72

29

22

-

1

12

9

145
% van aantal
huishoudens

52.9

21.3

16.2

0

0.7

8.8

6.6

100

*Cijfers uit het VDC-dorpsprofiel, uit 2044 (1987)
 

Om tot een antwoord op de probleemstelling te komen heb ik 61 dorpelingen en een aantal sleutelinformanten, zoals dorpsoudsten, voorzitters van comités en personeel van ACAP, met behulp van een Engels-Nepali tolk geïnterviewd. Behalve door het afnemen van interviews heb ik ook informatie gewonnen uit aanwezige documenten. In het ACAP-kantoor te Lwang bevond zich namelijk een kleine bibliotheek waarin veel onderzoeks- en projectverslagen te vinden waren. Ook deze waren van groot belang voor mijn onderzoek, omdat de verslagen vaak specifieke milieuproblemen behandelden in de regio. Buiten de twee bovengenoemde methoden heb ik ook door observatie informatie ingewonnen. Met name het gebruik van hulpbronnen, landbouwmethoden en oplossingen voor milieuproblemen waren te observeren in en rond het dorp.
   Omdat aan het begin van mijn onderzoek de precieze cijfers mij nog onbekend waren, zijn de Gurung als groep in de interviews oververtegenwoordigd in vergelijking met de andere kasten. Zo hebben veertig interviews plaatsgevonden in Gurung huishoudens, terwijl zij ongeveer vijftig procent van de huishoudens in het dorp uitmaken. Vermoedelijk heeft deze overrepresentativiteit echter weinig invloed op de resultaten van het onderzoek, omdat vrijwel alle huishoudens in Lwang zich bezighouden met zelfvoorzienende landbouw, in veel gevallen aangevuld met inkomsten uit arbeidsmigratie. Zij komen dus allemaal dezelfde problemen tegen.

Onderzoeksresultaten

Om te beginnen is gebleken, dat het gebruik van de term 'milieuproblemen' niet werkt. De Engelse term 'environmental problems' was mijn tolk onbekend. Maar, zoals al eerder aangegeven, bleek uit de literatuur dat ontbossing en aardverschuivingen (pahiro) belangrijke vormen van milieudegradatie zijn, die in dit gebied voorkomen. Naar aanleiding daarvan heb ik dan ook mijn interviewvragen geformuleerd. Door aanvankelijk te vragen naar de problemen in de landbouw kwamen doorgaans de milieuproblemen en vooral de gevolgen daarvan duidelijk naar voren. Hieronder ga ik de voornaamste, namelijk ontbossing en erosie, bespreken. Per probleem breng ik ook de oplossingen naar voren. Er zijn diverse soorten oplossingen voor milieuproblemen. Ten eerste zijn er institutionele oplossingen, die door overheden en/of projecten worden opgelegd, en ten tweede zijn er de oplossingen van de inwoners zelf. Beide soorten oplossingen zullen ter sprake komen.

Ontbossing

Voor de westerse wetenschapper uit ontbossing zich onder andere in een verlies aan biodiversiteit en verminderde bodemstabiliteit. Voor de boeren uit Lwang betekent ontbossing, dat de afstand naar het bos in de loop der tijd groter is geworden, waardoor het verzamelen van brandhout en veevoer1, de belangrijkste bosproducten, arbeidsintensiever is geworden. De bewoners van de dorpskern van Lwang wonen op ongeveer twee uur loopafstand van het communale bos. Het kost dus bijna een hele dag om een bundel hout te halen, namelijk vier uur reistijd en dan ook nog het verzamelen en eventueel kappen van hout of veevoer.
   Er zijn diverse soorten oplossingen voor het probleem van ontbossing. De meest opvallende oplossing in het gebied is natuurlijk de aanwezigheid van het Annapurna Conservation Area Project. De Conservation Area is opgericht om de milieuproblemen in het gebied tegen te gaan en te herstellen. Lokale overheden krijgen hierin de verantwoording om dit beleid uit te voeren. Aangezien ontbossing het grootste probleem is in het gebied, is het beheer van het bos een van de kerntaken van de lokale overheden. Dit is een succesvolle strategie; de verantwoordelijkheid ligt daarmee weer bij de bewoners van het gebied. Toen de bossen genationaliseerd werden in de jaren vijftig, was die verantwoordelijkheid weg en verergerden zich de problemen, mede door commerciële exploitatie door buitenstaanders. Dat tij is nu, in elk geval in het ACA, gekeerd. De regels ter bescherming van het bos zien er als volgt uit.

  • Voor het kappen van timmerhout is een vergunning nodig.
  • Er mag twee maanden per jaar brandhout gekapt worden.2
  • Er is een jachtverbod.
  • Vrij grazen op publieke weidegronden is verboden.
  • Op lege plaatsen in het bos worden bomen geplant.
  • Op twee vastgestelde dagen per jaar mag er bamboe (Nigaloo) worden gekapt; andere producten mogen niet uit het bos worden gehaald.
Deze regels worden door de Conservation Area Management Committee3 gehandhaafd. Dorpelingen mogen overigens het hele jaar door droog hout verzamelen en veevoer kappen. Dit laatste mag alleen van bepaalde bomen; iedereen weet van welke.
   Behalve institutionele oplossingen zoals de bovengenoemde, zoeken de bewoners van Lwang ook zelf naar oplossingen. Zoals al eerder is opgemerkt, is voor de boeren van Lwang vooral de gegroeide afstand naar het communale bos een probleem. Veel van de families in Lwang (26 van de 61 geïnterviewde huishoudens) hebben een eigen bos aangeplant voor producten als brandhout en veevoer. Bij achttien van de geïnterviewden ben ik dieper op het onderwerp ingegaan. Voor acht van hen was de afstand naar het bos de belangrijkste reden om zelf een bosje aan te planten. Vier anderen geven een soortgelijk motief; zij hebben bomen geplant om beter in hun behoeften te kunnen voorzien. Daaruit valt af te leiden, dat het communale bos niet in die behoefte kon voorzien. Een ander geeft juist aan, dat haar familie geen eigen bos heeft, omdat zij vlakbij de jungle woont.4
   Het eigen bos is (nog) niet altijd toereikend voor de benodigde producten. Van de geïnterviewde huishoudens halen er 45 brandhout uit het communale bos. Vaak zijn de eigen bossages nog te jong om hout vandaan te halen. De eigen aanplant is vaak ook een voorziening voor bouwhout, want terwijl het verzamelen van brandhout in het communale bos gratis is, is het halen van timmerhout juist duur. Niet vanwege de vergunning, maar vanwege de afstand. De dorpelingen moeten anderen inhuren om de boomstammen naar het dorp te vervoeren. Zelfs degenen die niet over een eigen aanplant beschikken, kopen hun timmerhout liever van een dorpsgenoot, dan het uit de verder gelegen communale bossen te (laten) halen.
   Een andere wijze om ontbossing tegen te gaan is het bezuinigen op het gebruik van brandhout. Met behulp van ACAP hebben een aantal inwoners van Lwang de beschikking over een biogastank, waarin mest wordt omgezet tot methaangas waarop gekookt kan worden. Verder stimuleert ACAP het gebruik van snelkookpannen en thermosflessen; in veel huishoudens worden deze gebruikt. Traditioneel gezien vindt ook al besparing van hout plaats, onder andere door het hout onder afdakjes tegen regen te beschermen. Van nat hout is namelijk meer nodig dan van droog hout om dezelfde hoeveelheid voedsel klaar te maken (Adhikari & Gurung, 1996: 9). De meeste inwoners van Lwang slaan hun hout overdekt op. Ook worden resten van de oogst, maïsstammen bijvoorbeeld, als aanvullende brandstof gebruikt.
   Voor het gebrek aan veevoer hebben de boeren een andere oplossing; veel boeren in Lwang hebben hun veestapel teruggebracht. De meeste huishoudens in Lwang houden een klein aantal stuks vee op stal. Hoeveel vee thuis gehouden wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel (Bajracharya, 1993: 38). Nu het grazen op de publieke gronden niet meer toegestaan is, wordt het meeste vee op stal gehouden en graast de rest in het winterseizoen op braakliggende akkers. Dit maakt het verbouwen van wintergewassen moeilijk, omdat het vee wel eens op andermans akker terecht komt en de gewassen opeet. Overigens is het voertekort niet de enige reden voor de verkoop; ook een gebrek aan arbeid speelt daarbij een rol. Dit tekort wordt veroorzaakt door een toename in het aantal kinderen dat naar school gaat, en de arbeidsmigratie. Een bijkomend probleem bij de afname van de hoeveelheid vee is, dat er vervolgens ook een tekort aan mest ontstaat. Dit tekort kan leiden tot een verminderde bodemvruchtbaarheid en dat is weer een ander milieuprobleem. Ter illustratie beschrijft één van de boeren:
'We hebben twee buffels en twee kalveren bij het huis en drie buffels worden door anderen verzorgd. De ossen om de ploeg te trekken moeten we huren. Vroeger hadden we ze zelf, maar er was te veel voer voor nodig. Omdat de verzorging slecht was, ging het slecht met de beesten; er gingen er een paar dood. Dus hebben we de rest verkocht. Vroeger hadden we twaalf buffels, vijfentwintig runderen en tweehonderd schapen en geiten. Die zijn ongeveer 45 jaar geleden verkocht. Destijds ging er niemand naar school; nu wel, dus is er niemand om voor de dieren te zorgen.'
Overigens is dit niet de enige oplossing. Ook om aan veevoer te komen planten de boeren bomen op hun land. Het gaat hier echter niet om een klein bos, maar om hier en daar een losse boom. De boeren die over een eigen bos beschikken, halen daar overigens wel hun veevoer vandaan. De meeste boeren hebben echter ook al van oudsher een aantal individuele bomen langs hun akkers staan, waar zij de jonge takken en bladeren van afhakken om aan hun vee te voeren. Behalve dat de druk op het bos vermindert door het gebruik van eigen voerbomen, hebben deze als bijkomend voordeel, dat het voer met een minimum aan tijdverlies geproduceerd kan worden. Degenen die op andermans land werken, hebben niet de neiging om veevoerbomen te planten. De bewerkers hebben namelijk geen enkele garantie voor het aantal jaren dat ze op een stuk land zullen werken. Zij zullen dan ook niet investeren. De eigenaar zelf heeft niet de mogelijkheid zich met het planten van bomen bezig te houden.

Pahiro

In Lwang hebben 35 van de 61 geïnterviewde boeren op hun eigen land te maken met erosie in de vorm van pahiro (aardverschuivingen). Deze term wordt op twee verschillende manieren ingevuld. In de meeste gevallen gaat het om ingestorte terraswallen, maar in enkele gevallen gaat het om weggespoelde akkers, meestal rijstvelden in het rivierdal. Het wegspoelen van volledige akkers komt vooral voor in de rivierdalen van de Mardi Khola en de Indhi Khola. Een aantal inwoners van Lwang bezit of bezat land in dit dal. Van zes van de geïnterviewden is dit weggespoeld. Dat gebeurt in het regenseizoen, als de rivier aanzwelt. Soms wijzigt zij haar koers definitief en stroomt voortaan over de rijstvelden. In dit geval wordt het land doorgaans als verloren beschouwd. Als de rivier niet over het land blijft lopen, zou herstel mogelijk zijn, maar het verwijderen van de onvruchtbare rivierafzetting (zand en stenen) vereist zoveel werk, dat dat meestal wordt gelaten. Bovendien is het risico, dat het nog een keer gebeurt, te groot.
   Gaat het bij pahiro om ingestorte terraswallen, dan is het probleem meestal wel te bestrijden. Doorgaans gaat het echter niet om een structurele oplossing. Tien van de geïnterviewde boeren geven aan, dat zij de ingestorte terraswal elk jaar opnieuw moeten repareren. Voor de boeren die hun ingestorte wal niet repareren, zijn de meest belangrijke redenen hiervoor een tekort aan geld en/of mankracht. Dit is met name een probleem voor vrouwen of oudere boeren(paren) van wie de echtgenoot en/of zoon(s) in het buitenland werkzaam is of zijn. De migranten die naar de golfstaten gaan, blijven vaak drie aaneengesloten jaren weg. Dit betekent, dat er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn om de pahiro te repareren; dit is namelijk een typisch mannelijke taak.5 Degenen met genoeg geld kunnen anderen huren om de terraswal te repareren, maar degenen die zich dat niet kunnen veroorloven, moeten wachten tot de mannelijke familieleden terug zijn. Overigens is het blijkbaar niet altijd nodig om iets aan de pahiro te doen. Een boer vertelt, dat hij twee à drie jaar terug een keer een aardverschuiving op zijn land heeft gehad. 'We hebben er niets aan gedaan en hebben er nu geen last meer van.' Anderen geven juist aan het afgelopen regenseizoen voor het eerst pahiro te hebben gehad, omdat er meer regen was gevallen dan gewoonlijk.
   Een structurelere oplossing voor terugkerende pahiro dan het steeds weer repareren, is het planten van bomen. Vijf geïnterviewden geven aan van dit middel gebruik te maken. Hoewel het tegengaan van pahiro in de meeste gevallen niet de reden was om zelf een bosje aan te planten, is dit wel een positief neveneffect ervan, met name omdat de bomen vaak geplant worden op marginale gronden, zoals erosiegevoelige watergeulen en stukken land die te steil zijn om te bewerken. In Lwang staan de steile kanten van de watergeulen vol met bomen. Ook de bomen op de terrasranden, die eigenlijk bestemd zijn voor veevoer, houden intussen natuurlijk ook de grond vast.
   Verder moeten we niet uit het oog verliezen, dat het creëren van terrassen op zichzelf ook een manier is om de steile hellingen te stabiliseren. Een kanttekening die daarbij geplaatst moet worden, is dat er wegens toegenomen bevolkingsdruk in het verleden ook terrassen zijn aangelegd op delen van de hellingen, die hiervoor minder geschikt waren.

Conclusie

Het is duidelijk geworden, dat de problemen die in de literatuur als milieuproblemen worden omschreven, voor de inwoners van Lwang gelden als praktische problemen. De oplossingen zijn dan ook voornamelijk gericht op het verzekeren van het levensonderhoud dat door deze problemen wordt bedreigd. Dat neemt niet weg, dat deze oplossingen ook het tij keren voor de milieuproblemen zoals deze in de literatuur worden beschreven. Het planten van bomen, bijvoorbeeld, voorziet de dorpelingen van de benodigde bosproducten, maar stabiliseert tegelijkertijd de bodem.
   Er zijn overigens ook kanttekeningen te plaatsen bij dit onderzoek. Ten eerste is het duidelijk een nadeel om afhankelijk te zijn van een tolk voor het afnemen van interviews. Dat het in mijn geval bovendien ging om een onervaren tolk, leidde vaak tot korte, zakelijke interviews. Ik denk dat ik meer uit mijn onderzoek had kunnen halen, als ik zelf de Nepalese taal had beheerst, omdat het dan toch makkelijker is om dieper in te gaan op de materie.
   Ten tweede is met name dat het onderzoek plaatsvond in een projectgebied, een belangrijke kanttekening. In het gebied wordt vanuit een project al gewerkt aan oplossingen voor milieuproblemen en daardoor kan een vertekend beeld ontstaan. Je kunt je afvragen of de oplossingen waarvan de geïnterviewden zeggen dat ze ze zelf hebben bedacht, niet toch (indirect) door een project zijn geïnspireerd. Bovendien zijn dorpsbewoners in een projectgebied zich vermoedelijk meer bewust van milieuproblemen, omdat zij hier door een organisatie op zijn gewezen. Een tekenend voorbeeld is de eigen boomaanplant van de dorpsbewoners. De meerderheid van hen begon zo'n vijf jaar geleden met de aanplant van een eigen bosje. De meesten zeggen, dat het hun eigen idee is, maar aangezien het gros van de respondenten pas na de komst van ACAP tot aanplant is overgegaan, heb ik de indruk dat projecten van ACAP de aanleiding hebben gevormd. Vermoedelijk hebben dorpsbewoners elkaars voorbeeld gevolgd. Overigens gaat dit niet helemaal op, want sommigen van de geïnterviewden beschikten namelijk al twintig jaar of langer over een eigen bos.
   Niettemin toont dit onderzoek, ondanks deze kanttekeningen, duidelijk aan, dat de dorpsbewoners actief participeren in oplossingen voor milieuproblemen, ook al is hier in sommige gevallen een stimulans van buitenaf voor nodig. Het is in elk geval ook duidelijk geworden, dat het mogelijk is de milieuproblemen in de Himalaya met succes aan te pakken.

Noten

  1. Het veevoer dat uit het bos afkomstig is, bestaat voornamelijk uit bebladerde takken en ondergroei. Dit wordt aangevuld met oogstresten.
  2. Dat is dit jaar voor het eerst sinds de oprichting van de Conservation Area. Toen werd namelijk een kapverbod van kracht en mocht alleen droog hout worden verzameld.
  3. Iedere ward heeft een eigen CAMC. Lwang bestond bijvoorbeeld uit twee wards. Een ward is de kleinste politieke eenheid. In het ACA bestaan deze doorgaans uit een (deel van een) dorp en het omringende gebied, inclusief het bos.
  4. Het merendeel van de Brahmaan woont buiten de dorpskern, op een afstand van ruim een uur lopen.
  5. De Gurung in Lwang kennen geen strikt genderbepaalde taakverdeling; veel taken worden door beide geslachten verricht. Er is echter een beperkt aantal taken die uitsluitend door mannen worden verricht, zoals ploegen en het repareren van ingestorte terraswallen. Zo zijn er ook taken die uitsluitend door vrouwen worden verricht, zoals weven en het brouwen van raksi.
Literatuur

- Adhikari, Jagannath & Juddha Bahadur Gurung, 1996. Fuelwood Consumption Survey in Madi Valley of Kaski. Onderzoeksrapport, ACAP, Pokhara (niet gepubliceerd).
- Bajracharya, Siddhartha B., 1993. Obtaining Ecological Balance: Contemporary Local Resource Management Practice in the Annapurna Mid-Hill Zone. Thesis, Bangkok, Asian Institute of Technology (niet gepubliceerd).


 
vorige naar index volgende