![]() |
Culturele Antropologie Utrecht
CAses
|
| 2000 |
Susan Vermeer De Himalaya is het jongste gebergte ter wereld; de berghellingen zijn
daardoor steil en dus gevoelig voor erosie. Van dit kwetsbare gebied zijn
mensen afhankelijk voor hun bestaan. Voor mijn afstudeeronderzoek heb ik
me geconcentreerd op de vraag, welke milieuproblemen dorpsbewoners in het
Himalayagebied signaleren en hoe zij deze problemen oplossen. Ontbossing
en erosie zijn de belangrijkste problemen in het onderzoeksgebied.
Operationalisering Het inwonertal van Lwang ligt rond de achthonderd personen. De grootste bevolkingsgroep in het dorp vormen de boeddhistische Gurung. Samen met de Gurung behoren ook de Brahmanen tot de hogere kasten. De andere helft van de bevolking behoort tot de lagere, beroepsgebonden kasten (zie tabel 1 en 2). Ondanks het feit dat de grootste groep van oorsprong boeddhistisch is, worden ook de hindoeïstische feestdagen gevierd en hindoe-goden aanbeden. Beide godsdiensten zijn in het gebied geheel vermengd. Tabel 1. Bevolking van Lwang verdeeld naar kaste*
*Gebaseerd op mondelinge informatie van de CAMC-chiefs
van ward 2 en 3
Tabel 2. Aantal huishoudens in Lwang verdeeld naar kaste*
*Cijfers uit het VDC-dorpsprofiel, uit 2044 (1987)
Om tot een antwoord op de probleemstelling te komen heb ik 61 dorpelingen
en een aantal sleutelinformanten, zoals dorpsoudsten, voorzitters van comités
en personeel van ACAP, met behulp van een Engels-Nepali tolk geïnterviewd.
Behalve door het afnemen van interviews heb ik ook informatie gewonnen
uit aanwezige documenten. In het ACAP-kantoor te Lwang bevond zich namelijk
een kleine bibliotheek waarin veel onderzoeks- en projectverslagen te vinden
waren. Ook deze waren van groot belang voor mijn onderzoek, omdat de verslagen
vaak specifieke milieuproblemen behandelden in de regio. Buiten de twee
bovengenoemde methoden heb ik ook door observatie informatie ingewonnen.
Met name het gebruik van hulpbronnen, landbouwmethoden en oplossingen voor
milieuproblemen waren te observeren in en rond het dorp.
Onderzoeksresultaten Om te beginnen is gebleken, dat het gebruik van de term 'milieuproblemen' niet werkt. De Engelse term 'environmental problems' was mijn tolk onbekend. Maar, zoals al eerder aangegeven, bleek uit de literatuur dat ontbossing en aardverschuivingen (pahiro) belangrijke vormen van milieudegradatie zijn, die in dit gebied voorkomen. Naar aanleiding daarvan heb ik dan ook mijn interviewvragen geformuleerd. Door aanvankelijk te vragen naar de problemen in de landbouw kwamen doorgaans de milieuproblemen en vooral de gevolgen daarvan duidelijk naar voren. Hieronder ga ik de voornaamste, namelijk ontbossing en erosie, bespreken. Per probleem breng ik ook de oplossingen naar voren. Er zijn diverse soorten oplossingen voor milieuproblemen. Ten eerste zijn er institutionele oplossingen, die door overheden en/of projecten worden opgelegd, en ten tweede zijn er de oplossingen van de inwoners zelf. Beide soorten oplossingen zullen ter sprake komen. Ontbossing Voor de westerse wetenschapper uit ontbossing zich onder andere in een
verlies aan biodiversiteit en verminderde bodemstabiliteit. Voor de boeren
uit Lwang betekent ontbossing, dat de afstand naar het bos in de loop der
tijd groter is geworden, waardoor het verzamelen van brandhout en veevoer1,
de belangrijkste bosproducten, arbeidsintensiever is geworden. De bewoners
van de dorpskern van Lwang wonen op ongeveer twee uur loopafstand van het
communale bos. Het kost dus bijna een hele dag om een bundel hout te halen,
namelijk vier uur reistijd en dan ook nog het verzamelen en eventueel kappen
van hout of veevoer.
Behalve institutionele oplossingen zoals de bovengenoemde, zoeken de bewoners van Lwang ook zelf naar oplossingen. Zoals al eerder is opgemerkt, is voor de boeren van Lwang vooral de gegroeide afstand naar het communale bos een probleem. Veel van de families in Lwang (26 van de 61 geïnterviewde huishoudens) hebben een eigen bos aangeplant voor producten als brandhout en veevoer. Bij achttien van de geïnterviewden ben ik dieper op het onderwerp ingegaan. Voor acht van hen was de afstand naar het bos de belangrijkste reden om zelf een bosje aan te planten. Vier anderen geven een soortgelijk motief; zij hebben bomen geplant om beter in hun behoeften te kunnen voorzien. Daaruit valt af te leiden, dat het communale bos niet in die behoefte kon voorzien. Een ander geeft juist aan, dat haar familie geen eigen bos heeft, omdat zij vlakbij de jungle woont.4 Het eigen bos is (nog) niet altijd toereikend voor de benodigde producten. Van de geïnterviewde huishoudens halen er 45 brandhout uit het communale bos. Vaak zijn de eigen bossages nog te jong om hout vandaan te halen. De eigen aanplant is vaak ook een voorziening voor bouwhout, want terwijl het verzamelen van brandhout in het communale bos gratis is, is het halen van timmerhout juist duur. Niet vanwege de vergunning, maar vanwege de afstand. De dorpelingen moeten anderen inhuren om de boomstammen naar het dorp te vervoeren. Zelfs degenen die niet over een eigen aanplant beschikken, kopen hun timmerhout liever van een dorpsgenoot, dan het uit de verder gelegen communale bossen te (laten) halen. Een andere wijze om ontbossing tegen te gaan is het bezuinigen op het gebruik van brandhout. Met behulp van ACAP hebben een aantal inwoners van Lwang de beschikking over een biogastank, waarin mest wordt omgezet tot methaangas waarop gekookt kan worden. Verder stimuleert ACAP het gebruik van snelkookpannen en thermosflessen; in veel huishoudens worden deze gebruikt. Traditioneel gezien vindt ook al besparing van hout plaats, onder andere door het hout onder afdakjes tegen regen te beschermen. Van nat hout is namelijk meer nodig dan van droog hout om dezelfde hoeveelheid voedsel klaar te maken (Adhikari & Gurung, 1996: 9). De meeste inwoners van Lwang slaan hun hout overdekt op. Ook worden resten van de oogst, maïsstammen bijvoorbeeld, als aanvullende brandstof gebruikt. Voor het gebrek aan veevoer hebben de boeren een andere oplossing; veel boeren in Lwang hebben hun veestapel teruggebracht. De meeste huishoudens in Lwang houden een klein aantal stuks vee op stal. Hoeveel vee thuis gehouden wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel (Bajracharya, 1993: 38). Nu het grazen op de publieke gronden niet meer toegestaan is, wordt het meeste vee op stal gehouden en graast de rest in het winterseizoen op braakliggende akkers. Dit maakt het verbouwen van wintergewassen moeilijk, omdat het vee wel eens op andermans akker terecht komt en de gewassen opeet. Overigens is het voertekort niet de enige reden voor de verkoop; ook een gebrek aan arbeid speelt daarbij een rol. Dit tekort wordt veroorzaakt door een toename in het aantal kinderen dat naar school gaat, en de arbeidsmigratie. Een bijkomend probleem bij de afname van de hoeveelheid vee is, dat er vervolgens ook een tekort aan mest ontstaat. Dit tekort kan leiden tot een verminderde bodemvruchtbaarheid en dat is weer een ander milieuprobleem. Ter illustratie beschrijft één van de boeren: 'We hebben twee buffels en twee kalveren bij het huis en drie buffels worden door anderen verzorgd. De ossen om de ploeg te trekken moeten we huren. Vroeger hadden we ze zelf, maar er was te veel voer voor nodig. Omdat de verzorging slecht was, ging het slecht met de beesten; er gingen er een paar dood. Dus hebben we de rest verkocht. Vroeger hadden we twaalf buffels, vijfentwintig runderen en tweehonderd schapen en geiten. Die zijn ongeveer 45 jaar geleden verkocht. Destijds ging er niemand naar school; nu wel, dus is er niemand om voor de dieren te zorgen.'Overigens is dit niet de enige oplossing. Ook om aan veevoer te komen planten de boeren bomen op hun land. Het gaat hier echter niet om een klein bos, maar om hier en daar een losse boom. De boeren die over een eigen bos beschikken, halen daar overigens wel hun veevoer vandaan. De meeste boeren hebben echter ook al van oudsher een aantal individuele bomen langs hun akkers staan, waar zij de jonge takken en bladeren van afhakken om aan hun vee te voeren. Behalve dat de druk op het bos vermindert door het gebruik van eigen voerbomen, hebben deze als bijkomend voordeel, dat het voer met een minimum aan tijdverlies geproduceerd kan worden. Degenen die op andermans land werken, hebben niet de neiging om veevoerbomen te planten. De bewerkers hebben namelijk geen enkele garantie voor het aantal jaren dat ze op een stuk land zullen werken. Zij zullen dan ook niet investeren. De eigenaar zelf heeft niet de mogelijkheid zich met het planten van bomen bezig te houden. Pahiro In Lwang hebben 35 van de 61 geïnterviewde boeren op hun eigen
land te maken met erosie in de vorm van pahiro (aardverschuivingen). Deze
term wordt op twee verschillende manieren ingevuld. In de meeste gevallen
gaat het om ingestorte terraswallen, maar in enkele gevallen gaat het om
weggespoelde akkers, meestal rijstvelden in het rivierdal. Het wegspoelen
van volledige akkers komt vooral voor in de rivierdalen van de Mardi Khola
en de Indhi Khola. Een aantal inwoners van Lwang bezit of bezat land in
dit dal. Van zes van de geïnterviewden is dit weggespoeld. Dat gebeurt
in het regenseizoen, als de rivier aanzwelt. Soms wijzigt zij haar koers
definitief en stroomt voortaan over de rijstvelden. In dit geval wordt
het land doorgaans als verloren beschouwd. Als de rivier niet over het
land blijft lopen, zou herstel mogelijk zijn, maar het verwijderen van
de onvruchtbare rivierafzetting (zand en stenen) vereist zoveel werk, dat
dat meestal wordt gelaten. Bovendien is het risico, dat het nog een keer
gebeurt, te groot.
Conclusie Het is duidelijk geworden, dat de problemen die in de literatuur als
milieuproblemen worden omschreven, voor de inwoners van Lwang gelden als
praktische problemen. De oplossingen zijn dan ook voornamelijk gericht
op het verzekeren van het levensonderhoud dat door deze problemen wordt
bedreigd. Dat neemt niet weg, dat deze oplossingen ook het tij keren voor
de milieuproblemen zoals deze in de literatuur worden beschreven. Het planten
van bomen, bijvoorbeeld, voorziet de dorpelingen van de benodigde bosproducten,
maar stabiliseert tegelijkertijd de bodem.
Noten
- Adhikari, Jagannath & Juddha Bahadur Gurung, 1996.
Fuelwood Consumption Survey in Madi Valley of Kaski. Onderzoeksrapport,
ACAP, Pokhara (niet gepubliceerd).
|