|
KLM-commercial
Martin Ho Suie Sang
Van Amsterdam naar Parijs, van Parijs naar Cayenne en van Cayenne door
naar Paramaribo, de lokatie van mijn veldwerk. In de hoofdstad van Suriname
zou ik me ruim vier maanden gaan bezighouden met moslims van Afro-Surinaamse
afkomst, een kleine maar groeiende groep van voornamelijk ex-christenen
die zich tot de islam hebben bekeerd. De doelstelling waarmee ik wegging,
was inzicht krijgen in de leefwereld van deze moslims en erachter te komen,
waarom zij voor de islam hebben gekozen. Naast dit 'wetenschappelijk' doel
had mijn reis naar Suriname ook een persoonlijk doel. Ik hoopte in deze
vier maanden meer te weten te komen over het land waar mijn ouders geboren
zijn en waar nog een aantal familieleden van mij wonen. Ik hoopte de cultuur
en de gewoonten van het land uit de verhalen aan den lijve mee te maken.
Ik kon niet wachten om voet op Surinaamse bodem te zetten, zodat het avontuur
kon beginnen, niet beseffende dat ik niet zo lang zou hoeven wachten. Het
avontuur begon tientallen kilometers van Paramaribo al, in Cayenne.
Na in Parijs overgestapt te zijn zet Air France mij en mijn medepassagiers
exact om tien voor half vijf in de middag (lokale tijd) af op het nationale
vliegveld van Frans-Guyana vlak buiten Cayenne. De Surinaamse Luchtvaart
Maatschappij (SLM) neemt het vanaf hier over. Vanwaar deze omweg? Het antwoord
is even banaal als simpel: drie briefjes van honderd. Door het samenwerkingsverband
tussen de KLM en de SLM heeft de KLM een monopolie op de lijn Amsterdam-Paramaribo
verworven. Hierdoor kan de KLM voor de tickets ongestraft een te hoog bedrag
vragen. Al jaren biedt Air France op dit traject een van de weinige, goedkopere
alternatieven door de vluchten die ze naar Cayenne verzorgen. Op dagen
dat de SLM-vluchten van Cayenne naar Paramaribo verzorgt, kan er dus vanuit
Nederland een vlucht worden geboekt van Amsterdam naar Paramaribo via Parijs
en Cayenne. Hier heeft de KLM/SLM-combinatie geen invloed op. Met uitzondering
van het laatste traject. En juist daar gaat steeds vaker veel mis.
Op het vliegveld van Cayenne werden de reizigers van de
Parijs-vlucht gescheiden. Een deel ging op weg naar de uitgang van het
vliegveld en 37 reizigers met bestemming Paramaribo werden naar de wachtruimte
geleid. Nadat de paspoorten en bagage van mij en mijn mede-overstappers
waren gecontroleerd, werd het voor de eerste keer onrustig. Een reiziger
zou van een bewaker hebben gehoord, dat het vliegtuig van de SLM vertraging
had en in plaats van half zes pas om acht uur zou vertrekken. In mijn optimisme
geloofde ik dit gerucht niet en nam de roltrap naar de wachtruimte. Ik
zocht een plekje tussen de reizigers op en luisterde naar de gesprekken
die ze voerden. De gesprekken gingen over de reis, over het Suriname van
vroeger, over hoe lang ze niet in Suriname waren geweest, over de familieleden
die ze gingen bezoeken en natuurlijk over het gerucht over de vertraging,
dat steeds hardnekkiger begon te worden. Het was inmiddels al vijf uur,
toen ik me zorgen begon te maken. Over een half uur zouden we al vertrekken,
maar enige officials van de luchthaven waren nergens te bekennen. Ik keek
voor de zekerheid nog even op mijn ticket: Cayenne, PY 916Y, 17.30.
Met mijn ticket in de hand liep ik naar het beeldscherm waar het vertrekschema
op stond. Geen destination Paramaribo, geen PY 916Y, geen
17.30.
De wachtruimte zag er schoon uit. Schoon, leeg en licht.
Buiten was het helder weer en door de grote glazen wanden konden wij daarvan
meegenieten. Er stonden veel mooie, goed zittende (en liggende), lichtbruine
houten banken, maar verder was er weinig dat het wachten aangenaam maakte.
Geen dure taxfree winkels en geen bar of kiosk waar wat te eten, drinken
of lezen te koop was. De urinoirs van het herentoilet die op sensoren werkten,
behoorden tot de leukste speeltjes van het vliegveld.
De stewardessen van Air France verstrekken aan boord van
het vliegtuig gratis sterke drank. Ik zou ze aanraden dat niet meer te
doen. Om zes uur begonnen de eerste Surinaamse stemmen zich te verheffen.
De bewaker had gelijk gehad. Waar waren de officials? Waar is ons vliegtuig?
Het volume van het onderling geroezemoes nam toe en uiteindelijk stonden
de mannen op, die het meest gebruik hadden gemaakt van de gratis service
van de Franse luchtvaartmaatschappij, en benoemden zichzelf tot leider
van de groep wachtende passagiers. Elke persoon met een badge werd in slecht
Engels verbaal aangevallen en gevraagd om uitleg. "Where is our plane?
We wait here two hours, and no plane!" werd er geschreeuwd, uiting gevend
aan de vraag die iedereen bezighield. Ook de belangrijkste bijzaak in het
leven van Surinamers kwam naar voren: "We have no food. We are hungry!
Give us food!" De meeste 'badgers' deden of ze de klachten niet verstonden
of dat ze van niets wisten. De eerste die een poging deed om enige uitleg
te geven, werd bedwelmd door de geur van alcohol, die gepaard ging met
de verwensingen die hem ten deel vielen. "You are a liar! Who is your boss?
Let me talk to the boss!" (Op zich was het Engels best goed, alleen de
uitspraak kon beter.)
De boss kwam. Een korte, gezette man kwam uitleg
en een verklaring geven. Als hongerige aasgieren doken de Surinamers op
het vele vlees. Een groepje van vijftien mensen omcirkelde de manager.
De rest volgde de oneerlijke strijd op een veilige afstand. Elke zin van
de boss werd gevolgd door een schreeuwende reactie van de opgewonden menigte.
De boss kon zijn zegje niet doen en liep rood aan: "Shut up! You, shut
your mouth!" Deze woede-uitbarsting schoot de menigte in het verkeerde
keelgat. En de Surinaamse menigte begon terug te schelden. Eerst in het
Engels, maar schelden doe je toch het best in je moerstaal. Zou hij de
Surinaamse scheldwoorden verstaan? Ik kreeg medelijden met de manager.
Rood van woede baande hij zich een weg door de aasgieren en maakte dat
hij wegkwam.
Ons liet hij achter met vraagtekens. Ik berustte me enigszins
in de situatie, anderen bleven kwaad en gingen door met schelden. Weer
anderen scholden op degenen die de boss hadden uitgescholden. Nu wisten
we nog niks. Het enige wat duidelijk was, was dat we nog een onbepaald
aantal uren zouden moeten wachten op het vliegveld. Ik ging weer zitten
en moest denken aan mijn oom in Suriname. Hij stond op dat moment op de
Johan Adolf Pengel Luchthaven (JAPL) vlak buiten Paramaribo op mij te wachten.
Ik kon hem of mijn oma niet bellen. De telefooncellen in de wachtruimte
werkten op kaarten en ik had geen Frans geld om die kaarten te kopen. En
al had ik Franse francs, van andere wachtenden hoorde ik dat de luchthaven
die kaarten niet eens verkocht.
De negatieve energie verdween langzaam en iedereen stelde
zich in op het wachten. Het werd tijd voor vermaak en de grootste dronkaard
vroeg de aandacht en nam met dubbele tong het woord. "Ik ben Eddy en ik
ben de grootste gek van Suriname." Met zelfspot kreeg hij de lachers op
zijn hand. Gesterkt door de aandacht die hij kreeg, ging hij door: "Maar
weet je wat ... mi lobi yu alamala (ik houd van jullie allemaal).
Wij Surinamers moeten niet onderling vechten; dat maakt ons land kapot.
Blakaman, kuli en yampanesi, wi na wan pipel (creolen, hindostanen
en javanen, wij zijn één volk)!" zei hij met gevoel voor
drama. Hij hield toen even in, scheen even na te denken en sprak met gebalde
vuist: "United we stand, divided we fall!" Iedereen lag in een deuk om
deze pseudo-vrijheidsstrijder. Breeduit lachend nam hij de lachsalvo's
in ontvangst, als ware het een grootse ovatie. Even vergaten we dat we
al twee uur wachtten en we lachten smakelijk om gekke Eddie. De sfeer werd
gemoedelijker.
De sfeer sloeg echter om toen de boss terugkwam, dit keer
met een wat gespierdere man aan zijn zij. Met moeite hebben ze uit kunnen
leggen, dat we tegen acht uur zouden vertrekken. Het speet hen dat er vertraging
was opgetreden, en er zou voor eten en drinken gezorgd worden. Er werd
opnieuw geprotesteerd, maar minder hevig dan voorheen. Alleen Eddie en
een iets minder bezopen heer gingen nog door: "Hopelijk geven ze ons geen
brood. Mi no wan' brede, mi wan' alesi! (Ik wil geen brood, ik wil
rijst!)" De rest van de groep riep hen terug, omdat ze meer kwaad dan goed
deden met hun gezeur.
Nadat duidelijkheid was gebracht, brak het verzet en werd
het stil in de wachtruimte. De stilte was echter slechts een stilte tussen
de stormen in. Na half acht was er nog geen eten, drinken of iets wat op
een vliegtuig leek, te bekennen. De frustratie nam weer toe en de troepen
verzamelden zich alvast.
Acht uur. Geen brood, geen vliegtuig. No justice, no
peace. Dit keer bleef men niet in de wachtruimte. De troepen waren
uit op verovering en marcheerden naar beneden, op zoek naar mensen met
een badge. Daar waar de handbagage van passagiers met behulp van een röntgenapparaat
gecheckt wordt, vonden ze hun eerste prooi. Gewapend met leuzen als We
want food!, vielen ze aan. Ik wilde dit niet missen en liep mee, zonder
actief deel te nemen. Ik participeerde en ik observeerde. Na een paar minuten
van luidruchtig rebelleren kwam de boss. Na een paar seconden van nog luider
rebelleren vertrok de boss, rood als een kreeft.
Uiteindelijk stond een rustige vrouw ons te woord. Ze
liet een van de 'groepsleiders' (Eddie werd bewust op de achtergrond gehouden)
zijn onvrede spuien en legde vervolgens zelf rustig uit, zonder haar stem
te verheffen, wat er zou gaan gebeuren. "Binnen vijftien minuten krijgen
jullie brood en frisdrank en om elf uur zal het vliegtuig vertrekken",
was haar boodschap. De mensen bedaarden en gingen weer naar boven. En inderdaad,
na tien minuten werd stokbrood met kaas en frisdrank uitgedeeld. Bovendien
kon men alvast inchecken. Een oase van rust vulde de wachtruimte. Etend
en drinkend zijn Surinamers altijd stil en de vele inspanningen en het
lange wachten hadden hun tol geëist. De vechtlust was verdwenen en
patrouillerende luchthavenpolitieagenten met pistolen en gummiknuppels
zorgden ervoor, dat dat ook zo bleef.
Ik peuzelde mijn Franse stokbrood op, dronk mijn blikje
cola leeg, nam bezit van een lege bank, ver weg van de nog altijd actieve
Eddie, doopte mijn trui om tot een kussen, zette mijn walkman op en viel
onder genot van de eclectische klanken van Wyclef Jean in slaap.
Tegen half elf werd ik gewekt door onrustig geroezemoes.
Er zou 'bad news' zijn. Het wachten was op de boss en zijn gespierde compagnon.
Ze kwamen. We wilden ze met boegeroep onthalen, maar we waren moe, moe
van het wachten, en ze kregen de ruimte om vrijuit te spreken. "We hadden
een vliegtuig gecharterd, die jullie naar Paramaribo zou brengen. Hij is
vanuit Cayenne vertrokken naar Belem (Brazilië). Na zijn passagiers
daar afgezet te hebben, komt hij hier naar toe om jullie op te halen en
naar Suriname te brengen. Maar helaas, in Belem heeft men te veel mensen
weer in laten stappen. We hadden gevraagd om 37 plaatsen vrij te houden,
maar ze hebben er nog maar 25 over. Er zullen dus twaalf mensen achter
moeten blijven. We zoeken dus vrijwilligers." Het geroezemoes begon weer.
"A no mi (ik niet)", hoorde je van alle kanten. Er werd niet geprotesteerd.
Men keek elkaar slechts hoofdschuddend aan: "Wat er ook gebeurt, ik stap
op dat vliegtuig."
Eindelijk duidelijkheid. Ik verzekerde me ervan dat alle
kosten (taxi, hotel en ontbijt) door de SLM of wie dan ook zouden worden
gedekt, en gaf me toen als eerste vrijwilliger op. Er volgden nog vier
en wij vijven werden zo snel mogelijk afgevoerd en op een taxi naar het
hotel gezet. Ik kreeg nog voor elkaar dat ik op hun kosten mijn oma in
Suriname kon bellen om te melden dat ik pas de volgende dag zou komen.
Mijn oma was al ongerust geworden, omdat mijn oom, tante en hun kinderen
nog steeds op de luchthaven zaten te wachten. Al vanaf half vier in de
middag! Ik had medelijden met ze, maar kon eigenlijk alleen maar aan een
bed denken. Dat dat bed een tweepersoonsbed was in een kamer met televisie,
badkamer met ligbad, toilet en uitzicht op het hotelzwembad, had ik niet
verwacht. Mijn nacht in deze kamer kostte de SLM ongeveer f. 130,-.
De volgende ochtend zag ik, dat het groepje van vijf was
aangevuld met nog acht achterblijvers. Met zijn allen konden we voor een
bepaald bedrag lunchen bij een pizzeria, op kosten van de SLM. Tijdens
de lunch zat ik naast een mede-antropologiestudent. Het was een wat oudere
man van rond de vijftig, die al met pensioen is en in zijn vrije tijd antropologie
studeert. Hij heeft onderzoek gedaan naar een indianenstam in Belize, waarvan
de samenleving veel weg heeft van sommige marronstammen in Suriname. Zijn
begeleider is ... Wim Hoogbergen. Kleine wereld. Hij en zijn vrouw gaan
overwinteren in Suriname. Ze vertelden me dat de man achter de hotelbalie
hen had verteld, dat de SLM steeds vaker passagiers bij hen moest laten
overnachten. Hij vroeg zich af hoe dat kwam. De echtgenote van de antropoloog
had die ochtend naar haar zus in Suriname gebeld. Die zus had de vorige
dag (de dag dat we aan zouden moeten komen in Paramaribo) vroeg in de middag
al naar de SLM gebeld om voor de zekerheid nog even na te vragen of de
vlucht vanuit Cayenne nog wel om 18.15 zou landen. Haar is toen gezegd
dat die vlucht niet meer binnen zou komen. Wij zouden die avond allemaal
in Cayenne moeten overnachten, omdat het vliegtuig kapot was. De volgende
dag zouden we dan met een bus naar Paramaribo worden gebracht.
Verbaasd hoorde ik dit aan. De SLM wist 's middags dus
al, dat het vliegtuig kapot was, en toch hebben ze ons tot 23.00 in onzekerheid
gelaten. Maar het wordt nog mooier. Mijn oom, tante, neefje en nichtje
die aan het wachten waren bij de JAPL, zijn ook de hele tijd voor de gek
gehouden. Eerst zouden we om kwart over zes aankomen, toen om negen uur,
negen werd tien en later ook nog elf uur. Om elf uur werd dan eindelijk
bekend gemaakt, dat twaalf mensen achter zouden blijven, maar dat de overige
25 om half een 's nachts zouden arriveren. Namen werden echter niet genoemd.
Mijn oom moest dus wel blijven wachten. De vlucht die ik aan me voorbij
had laten gaan, had ook nog eens vertraging. Pas om twee uur landde het
vliegtuig. Zonder neefje. Om half vier in de ochtend, precies een half
etmaal nadat ze van huis vertrokken, waren ze weer thuis. Twaalf uren later
konden ze alweer opdraven om hun lastige neef af te halen op het vliegveldje
Zorg en Hoop, waar alleen kleine vliegtuigen met een capaciteit van vijfentwintig
mensen landen. Ze zagen dat de koffer van hun neef werd geïnspecteerd
door een douanebeambte en gingen stilletjes achter hem staan. Neef keek
richting de deur al naar hen uit, maar zag ze niet. De inspectie was afgerond
en met een zwaai haalde hij zijn koffer van de toonbank. Door de zwaai
en de zwaarte van zijn koffer draaide zijn lichaam zich bijna 180 graden
en toen zag hij ze. Twee breedlachende monden en twee verlegen gezichtjes.
Eind goed, al goed. Toch? Ik bleef echter met een aantal vragen zitten.
Wat was er met ons oorspronkelijke vliegtuig gebeurd? Kapot? Waarom zijn
wij daar niet van op de hoogte gebracht? Wist de SLM echt niet eerder,
dat ze maar 25 mensen konden vervoeren? Waarom moesten wij zeven uren op
het vliegveld wachten? Hoeveel kosten de hotelovernachtingen de SLM op
jaarbasis?
Liggend in een hangmat in de schaduw van het huis van
mijn oma bleven deze vragen door mijn hoofd spelen en ik moest terugdenken
aan woorden die ik vaak gehoord heb in de wachtruimte van Cayenne Airport:
"Ik ga nooit meer met Air France. Volgende keer ga ik gewoon met KLM. Acht
uurtjes, rechtstreeks, klaar." Ik heb het gevoel dat ik ongevraagd figurant
was in een dure KLM-commercial.
|
|