Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


2001
naar index volgende

De geur van kemenyan

Annelieke Rintjema

De geur van kemenyan, een soort hars dat geurt als wierrook wanneer het wordt verbrand, zweeft in de met olielampen verlichte kamer. Vijf mensen zijn aanwezig: de dukun (shamaan), zijn vrouw, zijn kleindochter, Emdayan en ik. De dukun is gekleed in een sarong, een zwarte blouse, en heeft een zwarte, stoffen band om zijn hoofd geknoopt. We zitten in een cirkel en in het midden ervan bevinden zich: een kom met gloeiende kolen, een stukje zwarte kemenyan, een bord met donkerrode rijst, een mand gevuld met witte droge rijst, een klein mes en een kris (traditioneel steekwapen). Emdayan stopt de meegebrachte sigaretten en wat geld in de mand.

We zijn hier om via de dukun de hulp van de Dewa (berggoden) in te roepen om de orang hutan te zien en te fotograferen. De bevolking van het dorpje Lempur gelooft in het bestaan van meerdere aapmensachtige wezens, waaronder de orang hutan. Orang hutan betekent bosmens en volgens de vertellingen gaat het hier om een rood tot donkerbruin behaard, tweebenig wezen met een lengte van tussen de 0,85 en 1,25 meter. Het hoofdhaar valt tot over de schouders en het gezicht is vrijwel onbehaard en kan worden geplooid in allerlei gezichtsexpressies.
   Verhalen over een soortgelijk wezen had ik voor het eerst gehoord, toen ik in de provincie Bengkulu een onderzoek deed naar de relatie tussen mens en olifant in het gebied van de rivier Seblat. De vertellingen trokken mijn aandacht, toen de mensen vertelden dat een aapmensachtig wezen de vangst van een olifant had gefrustreerd. Ik werd nieuwsgierig naar de vertellingen rond het wezen en de functie die het geloof in het bestaan van een dergelijk wezen heeft.

Dat ik niet de enige persoon ben, die gefascineerd werd door de verhalen, blijkt uit het feit dat er verschillende publicaties zijn gewijd aan het onderwerp orang pendek, sedapa of segoegoe. Enkele Nederlandse ambtenaren die gedurende de koloniale periode in Indonesië waren gestationeerd, beweerden zelf een tweebenig, aapmensachtig wezen te hebben gezien. Ook na de onafhankelijkheid van Indonesië staken de verhalen over een behaard mensachtig wezen in de oerwouden van Sumatra en Kalimantan regelmatig de kop op in werken van biologen, reizigers en andere geïnteresseerden. In 1994 startte Deborah Martyr, een Engelse journaliste, een biologisch onderzoek naar het ongeïdentificeerde wezen. Vanaf 1995 sloot Jeremy Holden, fotograaf en vogelobservator, zich bij haar aan. Het door Flora and Fauna International (FFI) gesponsorde project is tot op heden actief in het doen van onderzoek, maar heeft nog geen harde bewijzen waaruit blijkt, dat een dergelijk wezen daadwerkelijk door de oerwouden van Sumatra struint. Wel hebben ze met volautomatische lasercamera's een aantal diersoorten vastgelegd, waarvan men dacht dat deze al waren uitgestorven. Bovendien beweren beide onderzoekers de orang pendek een aantal keren te hebben gezien.

En nu zitten we hier bij een dukun die, volgens de verhalen, een Dewa als goede vriend heeft. Hij zou ons mogelijk kunnen helpen in een speurtocht naar de orang hutan. Gezien het feit dat alle dieren in het oerwoud worden gezien als het 'vee' van de Dewa, geloven de Lempuresen, dat alleen de Dewa bepalen of je een bepaald wezen zult zien, kunt fotograferen of eventueel vangen of schieten.
   De dukun pakt het kleine mesje, verkruimelt nog wat kemenyan boven het bakje kolen en begint met zijn jampi-jampi (een ceremoniële vers). Ik buig voorover, in de hoop iets van de zacht en snel uitgesproken woorden op te vangen, maar de enige woorden die ik begrijp, zijn de woorden: 'La illa ha in Allah' (er is geen andere God dan Allah). Plotseling zegt de man: 'Sudah, sudah ada yang datang' (er is al iemand gekomen). Ik kijk naar Emdayan, onzeker over wat er nu van ons wordt verwacht. Emdayan kijkt naar de dukun, maar houdt zijn mond dicht, en voor een tijdje zitten we in stilte... Dan begint de dukun weer te spreken. Hij zegt dat Mambang Tunggal bezit heeft genomen van zijn lichaam. Mambang Tunggal is de zoon van Nenek Muning, de belangrijkste voorouder van de Lempuresen en koning van de Dewa van Gunung Kunyit.
   Het gezicht van de dukun heeft een wildere uitdrukking gekregen en het lijkt of het schudden en trillen van de aan Parkinson lijdende man minder is geworden. Er wordt nog wat kemenyan boven de kolen vergruisd en de dukun strekt zijn hand uit en spreekt de woorden: 'Ik ben Mambang Tunggal van Gunung Kunyit.' Als ik mijn hand uitstrek, stel ik mezelf bijna fluisterend voor: 'Ik ben Lieke van Holland.' Ik begin bijna te giechelen, omdat ik me een beetje suf voel, en ... ik heb me al voorgesteld aan de betreffende dukun en als berggod zal Mambang Tunggal toch zeker weten wie ik ben!
   Na een tijdje mogen we enige vragen stellen, maar er kan maar één wens worden vervuld. Ik vraag of we alles met de taperecorder op mogen nemen of dat ik iets op mag schrijven. (Ik had dit eerder gevraagd aan de dukun, maar hij adviseerde me dit te vragen op het moment dat hij bezeten zou zijn.) Mambang Tunggal antwoordt dat dit niet mag, omdat het mogelijk is dat we de informatie voor andere doeleinden dan het gevraagde kunnen gebruiken. Onzeker over het feit of een antwoord op een vraag ook een invulling van een wens is, vraag ik meteen of hij ons wil helpen de orang hutan te ontmoeten en te fotograferen.
   Mambang Tunggal vertelt dat we moeten wachten in Masgo (een tuinengebied waar veel Lempuresen hun tuin hebben). Het beste is als we drie dagen gaan, en we moeten zoeken naar een tuin die grenst aan een stuk bos. Verder moet het een pas geopende tuin zijn, waarin rottende stammen te vinden zijn, bijvoorbeeld een koffietuin. Zodra we een goede tuin hebben gevonden, moeten we eenderde van de rijst die hij ons mee zal geven, uitstrooien over een plek van twee vierkante meter. Deze plek moeten we verdelen in evenveel velden als dat er mensen zijn, en in elk veldje moet dan één persoon plaatsnemen, waarna een stukje kemenyan moet worden verbrand, zodat de Dewa weten waar we zijn neergestreken. Vervolgens zullen zes Dewa de orang hutan onze kant opdrijven, terwijl vijf Dewa, onder wie Mambang Tunggal, bij ons blijven. Mocht het zijn dat de orang hutan niet op komt dagen die eerste nacht, dan moeten we verhuizen naar een andere tuin aan de rand van het bos.
   We stellen nog een aantal vragen en dan ineens zegt Mambang Tunggal, dat er nog iemand anders is die met ons wil praten. Weer strekt de dukun zijn hand uit en zegt: 'Ik ben Sagindo Sakti' (een titel onder welke Nenek Muning ook wel bekend staat). Ook Sagindo Sakti zal de volgende drie dagen bij ons zijn, en voordat we hem vragen kunnen stellen, zegt hij dat hij moet gaan. We bedanken hem en de dukun zit weer voor ons. Hij ziet er erg vermoeid uit, maar valt niet flauw, zoals andere mensen hadden verteld.
   Na de sessie maakt Pak Pinta rode, droge rijst, vermengd met kemenyan, klaar en drukt hij ons nogmaals op het hart, dat we de rijst over twee vierkante meter moeten verspreiden. Daarnaast geeft hij aan, dat de orang hutan tussen 2 en 3 uur 's nachts zal verschijnen.

De volgende ochtend vroeg vertrekken we naar Masgo. We kunnen een lift krijgen van een van de dorpelingen en dus hobbelen we anderhalf uur voort in zijn jeep. We worden afgezet bij het huis en warung (winkeltje) van Pak Ali. Hier stoppen de ojek's (motortaxi's) regelmatig om spullen af te geven en een kop koffie te drinken. Pak Ali zegt de orang hutan twee keer te hebben gezien en geeft aan, dat hij ons wel naar een plek kan brengen, waar de orang hutan drie dagen daarvoor is gezien door Pak Putih, een van de aanwezige ojek-rijders. We kunnen kiezen tussen lopen of met de motortaxi. Aangezien het een wandeling van zes uur is en het al 3 uur 's middags is, is de keuze snel gemaakt: we gaan met de motor. In totaal gaan we met vier motoren. Ik zit achterop bij Yen, een fervent motorcrosser - waarbij hij vier jaar daarvoor zijn been ernstig heeft gebroken en sindsdien mank loopt. Zonder voetsteunen en met een rugzak vol proviand probeer ik in balans te blijven. Het liefst zou ik Yen om zijn middel grijpen, maar ik ben bang dat erover gepraat gaat worden, en dus grijp ik naar de stangen onder de zitting. Al snel leer ik, dat de betreffende stangen uitlaatpijpen zijn. Veel tijd om aandacht aan mijn pijnlijke handen te besteden heb ik niet, want we gaan nu heuvelopwaarts en Yen zet het gas helemaal open. Ik kukel bijna achterover onder het gewicht van de zware rugzak en in een reflex grijp ik Yen om zijn middel, niet van plan om deze ooit weer los te laten.
   Het uitzicht wordt steeds mooier, tuinen worden afgewisseld door stukken bos. Yen wijst me op een groot bord waarop staat, dat we nu het gebied van het Kerinci-Seblat Nationaal Park betreden. Verbaasd kijk ik om me heen. Links en rechts zie ik oude tuinen, begroeid met alang-alang (een grassoort). Yen legt uit dat de mensen die hier eens hun tuin hadden, zijn opgepakt en voor vier jaar in de gevangenis zitten.
   Na anderhalf uur te hebben 'gemotord' stoppen we en bedekken de jongens de motoren met wat takken. We gaan lopend verder en na drie kwartier door kaneel- en koffietuinen te hebben gelopen arriveren we bij Pak Putih's paalwoning. Het is 17.45 en het schemert. Emdayan, Pak Putih en ik gaan meteen de heuvel op om het gebied te verkennen. Terug bij de woning houden we een kleine rijstceremonie. Alleen Pak Ali heeft een hoed op; de andere mannen zetten uit respect voor de berggoden en Allah een blaadje achter hun oor.
   Rond een uur of acht klimmen we weer de heuvel op en gaan we zitten op de rug van de heuvel, omdat we vanaf daar een goed uitzicht hebben. Het is inmiddels donker en gedurende de loop omhoog wordt er heel wat afgekletst. De mannen blijven kletsen, ook als we eenmaal zijn gaan zitten, en na een minuut of tien beginnen ze tot mijn verbazing ook nog te zingen. Als ik de mannen vraag om stil te zijn, stellen ze voor om een kampvuur te maken. Ineens herinner ik me de mannen in Bengkulu, die 's avonds zingend door het bos liepen om de tijger te laten weten dat er een mens aankwam. En nu zitten we zelfs op de heuvelrug, het domein van de tijger! In het bos is het niet toegestaan het woord 'tijger' uit te spreken en dus vraag ik niks, maar stel voor om terug te gaan naar het huis en vanaf het balkon de wacht te houden. Omdat alle dieren (inclusief, naar ik aanneem, de orang hutan, als die bestaat) bang zijn voor vuur, wil ik geen kampvuur maken.

Die nacht horen we allerlei geluiden. Pak Ali vertelt wie de makers van de geluiden zijn. Rond een uur of tien horen we een luid en ruw huu-geluid waarvan Pak Ali ook niet weet door welk dier het wordt gemaakt. Ik weet bijna zeker dat het een orang hutan is. Rond een uur of twaalf ziet Emdayan twee vuurballen langs de rechterkant en op de top van de tuin. Volgens Emdayan een teken van de Dewa, maar misschien ook wel van mensen die zwarte magie aan het beoefenen zijn. De hele nacht blijf ik wakker; de adrenaline jaagt door m'n lijf, gevoed door angst en verwachting. In de verte horen we een tijger brullen. Niet lang daarna blaft de hond van de buren, ongeveer driehonderd meter verderop. Nog weer wat later loopt er iets door de bosjes, ongeveer zes meter van de paalwoning verwijderd. We krijgen het wezen niet te zien.
   De volgende ochtend vinden we de afdrukken van een tijger en andere, vreemde sporen. Pak Ali weet niet wat voor sporen het zijn, maar hij weet zeker dat ze niet door de orang hutan zijn gemaakt, ondanks het feit dat ze klein en menselijk zijn. Omdat we de orang hutan niet hebben gezien, pakken we onze spullen om naar een andere tuin te gaan. Er moet een reden zijn geweest, dat de Dewa geen ontmoeting hebben laten plaatsvinden. Eenmaal op de motor moeten we nog een half uur rijden, voordat we bij een tuin zijn, waar vijf dagen oude voetafdrukken nog steeds zichtbaar zijn. Door de droogte zijn de afdrukken niet erg duidelijk, maar de regen heeft ze ook niet weg kunnen spoelen.
   Pak Ali zegt dat de orang hutan de maker is van de afdrukken. Grote, rottende boomstammen zijn omgerold en opengebroken. We volgen de sporen en tot mijn verbazing veranderen ze in sporen van een rusa (groot hert). De kleine, mensachtige voetafdrukken zijn verdwenen en de rusa-afdrukken lijken uit het niets op te duiken. De enige logische verklaring die ik voor dit fenomeen kan vinden, is dat de twee sporen elkaar hadden gekruist en dat een mens de afdrukken van de rusa voor de kruising had uitgeveegd en de kleine, mensachtige afdrukken na de kruising. Nergens zie ik sporen van menselijke inmenging om deze verklaring te onderbouwen. Pak Ali komt met de verklaring, dat de orang hutan later dan de rusa hier had gelopen en met zijn/haar voetafdrukken die van de rusa heeft uitgewist. Deze uitleg verklaart de afwezigheid van de rusa-afdrukken in het eerste deel, maar niet de afwezigheid van de mensachtige voetafdrukken in het tweede deel van het spoor. Ik begin te denken, dat een mens de sporen heeft nagemaakt en ze vloeiend heeft laten overlopen in de rusa-afdrukken. Pas na het zien van de rusa-afdrukken begin ik te zoeken naar menselijke sporen, maar het spoor voor de rusa-afdrukken hadden we met vier mensen gevolgd en dus waren er overal menselijke sporen.
   Rond 18.00 uur strooien we de helft van de rijst die we nog hebben, uit en branden we kemenyan. Gedurende de hele nacht is de lucht gevuld met de geur van kemenyan. Niet ver van deze tuin hebben mensen rottende boomstammen in brand gestoken en ik neem aan, dat een van de stammen een stam van een kemenyan-boom is. De andere aanwezigen zijn er zeker van, dat het de geur van de over ons wakende goden is. Ik doe mijn best om mijn scepticisme te behouden, maar ik denk ook: 'Wat, als het inderdaad de Dewa zijn die deze geur verspreiden?'
   Rond 20.00 uur horen de drie mannen een kreet die een mengeling is tussen een huilend en een schreeuwend geluid. Ze wachten een uur en gaan dan kijken. Ze zijn er zeker van, dat het de geest is van een vrouw die gedurende de bevalling is gestorven. Als ze terugkomen, hebben ze niks gezien. Weer brult er een tijger en de volgende ochtend vinden we tijger-, varkens- en rusa-sporen. Pak Ali vertelt dat hij er zeker van was, dat we deze nacht de orang hutan zouden zien, omdat hij een aantal malen kippenvel had.

De volgende dag verhuizen we weer naar een andere tuin. Er is niemand thuis, dus zijn we gedwongen om op het balkon van de paalwoning te blijven. Volgens Pak Ali heeft de eigenaar van de woning twee maanden daarvoor een orang hutan door het as van de verbrande boomstammen zien rollen. Rond 22.00 uur horen we een vreemd geluid dat het midden houdt tussen een grom en een zware zucht. De tweede keer dat we het geluid horen, laten de mannen, die op een soort bankje zitten, zich op de vloer van het balkon vallen en met een zaklamp sporen we zorgvuldig de bosranden af. Het geluid komt van een afstand van ongeveer 15 meter, maar we zien niks. Zeven of acht keer hoorden we het geluid. Niemand wist wat het was, maar waarschijnlijk een tijger. Ik ben redelijk rustig. Ik neem aan dat als het een tijger is, het dier niet op zoek is naar een maaltijd, want dan had hij vast geen lawaai gemaakt. Toch durf ik niet van het balkon af om te gaan plassen. De volgende ochtend vinden we inderdaad de voetafdrukken van een tijger.
   We keren terug naar het huis van Pak Ali. Pak Ali verwelkomt ons met de woorden: 'Jullie hebben het gezien!' Ik schud m'n hoofd en zeg: 'Nee, er was alleen een tijger.' Pak Ali had die nacht gedroomd en in zijn droom had hij twee mensen bij ons langs zien komen. Hij wist zeker dat het twee orang hutans waren, maar begint te twijfelen, als we zeggen dat we bezoek hadden van een tijger. Daarop zegt hij: 'Dan moeten het twee tijgers zijn geweest.' We keren terug naar Lempur. De volgende vrijdag komt Pak Ali langs en zegt, dat hij naar de betreffende tuin is gegaan en sporen zag van twee orang hutans ...

Of er inderdaad een nog ongeïdentificeerd aapmensachtig wezen in de wouden van Sumatra te vinden is, weet ik niet. In ieder geval lijken er geen bewijzen te zijn voor een sociaal en/of cultureel functionele reden voor het bestaan van het verhaal. De verhalen over Sigelembai en de tirau (de andere twee aapmensachtige wezens waar de Lempuresen in geloven) vertellen over van voorouders afstammende wezens met een binding met het bovennatuurlijke. De verhalen over de orang hutan zijn beperkt tot ooggetuigenverslagen welke op mij zeer eerlijk en puur overkwamen.
   Het feit dat de meeste mensen geloofden, dat we met de hulp van de dukun en de Dewa erin zouden slagen de orang hutan te zien, is meer een bewijs voor het culturele bestaan van de Dewa en de relatie die de Lempuresen met de Dewa hebben, dan dat het een bewijs is voor het culturele bestaan van de orang hutan.


 
naar index volgende