|
De geur van kemenyan
Annelieke Rintjema
De geur van kemenyan, een soort hars dat geurt als wierrook wanneer
het wordt verbrand, zweeft in de met olielampen verlichte kamer. Vijf mensen
zijn aanwezig: de dukun (shamaan), zijn vrouw, zijn kleindochter, Emdayan
en ik. De dukun is gekleed in een sarong, een zwarte blouse, en heeft een
zwarte, stoffen band om zijn hoofd geknoopt. We zitten in een cirkel en in
het midden ervan bevinden zich: een kom met gloeiende kolen, een stukje zwarte
kemenyan, een bord met donkerrode rijst, een mand gevuld met witte droge
rijst, een klein mes en een kris (traditioneel steekwapen). Emdayan stopt
de meegebrachte sigaretten en wat geld in de mand.
We zijn hier om via de dukun de hulp van de Dewa (berggoden)
in te roepen om de orang hutan te zien en te fotograferen. De bevolking van
het dorpje Lempur gelooft in het bestaan van meerdere aapmensachtige wezens,
waaronder de orang hutan. Orang hutan betekent bosmens en volgens
de vertellingen gaat het hier om een rood tot donkerbruin behaard, tweebenig
wezen met een lengte van tussen de 0,85 en 1,25 meter. Het hoofdhaar valt
tot over de schouders en het gezicht is vrijwel onbehaard en kan worden geplooid
in allerlei gezichtsexpressies.
Verhalen over een soortgelijk wezen had ik voor het eerst
gehoord, toen ik in de provincie Bengkulu een onderzoek deed naar de relatie
tussen mens en olifant in het gebied van de rivier Seblat. De vertellingen
trokken mijn aandacht, toen de mensen vertelden dat een aapmensachtig wezen
de vangst van een olifant had gefrustreerd. Ik werd nieuwsgierig naar de
vertellingen rond het wezen en de functie die het geloof in het bestaan van
een dergelijk wezen heeft.
Dat ik niet de enige persoon ben, die gefascineerd werd door de verhalen,
blijkt uit het feit dat er verschillende publicaties zijn gewijd aan het
onderwerp orang pendek, sedapa of segoegoe. Enkele
Nederlandse ambtenaren die gedurende de koloniale periode in Indonesië
waren gestationeerd, beweerden zelf een tweebenig, aapmensachtig wezen te
hebben gezien. Ook na de onafhankelijkheid van Indonesië staken de verhalen
over een behaard mensachtig wezen in de oerwouden van Sumatra en Kalimantan
regelmatig de kop op in werken van biologen, reizigers en andere geïnteresseerden.
In 1994 startte Deborah Martyr, een Engelse journaliste, een biologisch onderzoek
naar het ongeïdentificeerde wezen. Vanaf 1995 sloot Jeremy Holden, fotograaf
en vogelobservator, zich bij haar aan. Het door Flora and Fauna International
(FFI) gesponsorde project is tot op heden actief in het doen van onderzoek,
maar heeft nog geen harde bewijzen waaruit blijkt, dat een dergelijk wezen
daadwerkelijk door de oerwouden van Sumatra struint. Wel hebben ze met volautomatische
lasercamera's een aantal diersoorten vastgelegd, waarvan men dacht dat deze
al waren uitgestorven. Bovendien beweren beide onderzoekers de orang pendek
een aantal keren te hebben gezien.
En nu zitten we hier bij een dukun die, volgens de verhalen, een Dewa
als goede vriend heeft. Hij zou ons mogelijk kunnen helpen in een speurtocht
naar de orang hutan. Gezien het feit dat alle dieren in het oerwoud worden
gezien als het 'vee' van de Dewa, geloven de Lempuresen, dat alleen de Dewa
bepalen of je een bepaald wezen zult zien, kunt fotograferen of eventueel
vangen of schieten.
De dukun pakt het kleine mesje, verkruimelt nog wat kemenyan
boven het bakje kolen en begint met zijn jampi-jampi (een ceremoniële
vers). Ik buig voorover, in de hoop iets van de zacht en snel uitgesproken
woorden op te vangen, maar de enige woorden die ik begrijp, zijn de woorden:
'La illa ha in Allah' (er is geen andere God dan Allah). Plotseling zegt
de man: 'Sudah, sudah ada yang datang' (er is al iemand gekomen). Ik kijk
naar Emdayan, onzeker over wat er nu van ons wordt verwacht. Emdayan kijkt
naar de dukun, maar houdt zijn mond dicht, en voor een tijdje zitten we in
stilte... Dan begint de dukun weer te spreken. Hij zegt dat Mambang Tunggal
bezit heeft genomen van zijn lichaam. Mambang Tunggal is de zoon van Nenek
Muning, de belangrijkste voorouder van de Lempuresen en koning van de
Dewa van Gunung Kunyit.
Het gezicht van de dukun heeft een wildere uitdrukking
gekregen en het lijkt of het schudden en trillen van de aan Parkinson lijdende
man minder is geworden. Er wordt nog wat kemenyan boven de kolen vergruisd
en de dukun strekt zijn hand uit en spreekt de woorden: 'Ik ben Mambang Tunggal
van Gunung Kunyit.' Als ik mijn hand uitstrek, stel ik mezelf bijna fluisterend
voor: 'Ik ben Lieke van Holland.' Ik begin bijna te giechelen, omdat ik me
een beetje suf voel, en ... ik heb me al voorgesteld aan de betreffende dukun
en als berggod zal Mambang Tunggal toch zeker weten wie ik ben!
Na een tijdje mogen we enige vragen stellen, maar er kan
maar één wens worden vervuld. Ik vraag of we alles met de taperecorder
op mogen nemen of dat ik iets op mag schrijven. (Ik had dit eerder gevraagd
aan de dukun, maar hij adviseerde me dit te vragen op het moment dat hij bezeten
zou zijn.) Mambang Tunggal antwoordt dat dit niet mag, omdat het mogelijk
is dat we de informatie voor andere doeleinden dan het gevraagde kunnen gebruiken.
Onzeker over het feit of een antwoord op een vraag ook een invulling van
een wens is, vraag ik meteen of hij ons wil helpen de orang hutan te ontmoeten
en te fotograferen.
Mambang Tunggal vertelt dat we moeten wachten in Masgo
(een tuinengebied waar veel Lempuresen hun tuin hebben). Het beste is als
we drie dagen gaan, en we moeten zoeken naar een tuin die grenst aan een
stuk bos. Verder moet het een pas geopende tuin zijn, waarin rottende stammen
te vinden zijn, bijvoorbeeld een koffietuin. Zodra we een goede tuin hebben
gevonden, moeten we eenderde van de rijst die hij ons mee zal geven, uitstrooien
over een plek van twee vierkante meter. Deze plek moeten we verdelen in evenveel
velden als dat er mensen zijn, en in elk veldje moet dan één
persoon plaatsnemen, waarna een stukje kemenyan moet worden verbrand, zodat
de Dewa weten waar we zijn neergestreken. Vervolgens zullen zes Dewa de orang
hutan onze kant opdrijven, terwijl vijf Dewa, onder wie Mambang Tunggal,
bij ons blijven. Mocht het zijn dat de orang hutan niet op komt dagen die
eerste nacht, dan moeten we verhuizen naar een andere tuin aan de rand van
het bos.
We stellen nog een aantal vragen en dan ineens zegt Mambang
Tunggal, dat er nog iemand anders is die met ons wil praten. Weer strekt
de dukun zijn hand uit en zegt: 'Ik ben Sagindo Sakti' (een titel
onder welke Nenek Muning ook wel bekend staat). Ook Sagindo Sakti zal de volgende
drie dagen bij ons zijn, en voordat we hem vragen kunnen stellen, zegt hij
dat hij moet gaan. We bedanken hem en de dukun zit weer voor ons. Hij ziet
er erg vermoeid uit, maar valt niet flauw, zoals andere mensen hadden verteld.
Na de sessie maakt Pak Pinta rode, droge rijst, vermengd
met kemenyan, klaar en drukt hij ons nogmaals op het hart, dat we de rijst
over twee vierkante meter moeten verspreiden. Daarnaast geeft hij aan, dat
de orang hutan tussen 2 en 3 uur 's nachts zal verschijnen.
De volgende ochtend vroeg vertrekken we naar Masgo. We kunnen een lift
krijgen van een van de dorpelingen en dus hobbelen we anderhalf uur voort
in zijn jeep. We worden afgezet bij het huis en warung (winkeltje)
van Pak Ali. Hier stoppen de ojek's (motortaxi's) regelmatig om spullen
af te geven en een kop koffie te drinken. Pak Ali zegt de orang hutan twee
keer te hebben gezien en geeft aan, dat hij ons wel naar een plek kan brengen,
waar de orang hutan drie dagen daarvoor is gezien door Pak Putih, een van
de aanwezige ojek-rijders. We kunnen kiezen tussen lopen of met de motortaxi.
Aangezien het een wandeling van zes uur is en het al 3 uur 's middags
is, is de keuze snel gemaakt: we gaan met de motor. In totaal gaan we met
vier motoren. Ik zit achterop bij Yen, een fervent motorcrosser - waarbij
hij vier jaar daarvoor zijn been ernstig heeft gebroken en sindsdien mank
loopt. Zonder voetsteunen en met een rugzak vol proviand probeer ik in balans
te blijven. Het liefst zou ik Yen om zijn middel grijpen, maar ik ben bang
dat erover gepraat gaat worden, en dus grijp ik naar de stangen onder de
zitting. Al snel leer ik, dat de betreffende stangen uitlaatpijpen zijn.
Veel tijd om aandacht aan mijn pijnlijke handen te besteden heb ik niet,
want we gaan nu heuvelopwaarts en Yen zet het gas helemaal open. Ik kukel
bijna achterover onder het gewicht van de zware rugzak en in een reflex grijp
ik Yen om zijn middel, niet van plan om deze ooit weer los te laten.
Het uitzicht wordt steeds mooier, tuinen worden afgewisseld
door stukken bos. Yen wijst me op een groot bord waarop staat, dat we nu
het gebied van het Kerinci-Seblat Nationaal Park betreden. Verbaasd kijk
ik om me heen. Links en rechts zie ik oude tuinen, begroeid met alang-alang
(een grassoort). Yen legt uit dat de mensen die hier eens hun tuin hadden,
zijn opgepakt en voor vier jaar in de gevangenis zitten.
Na anderhalf uur te hebben 'gemotord' stoppen we en bedekken
de jongens de motoren met wat takken. We gaan lopend verder en na drie kwartier
door kaneel- en koffietuinen te hebben gelopen arriveren we bij Pak Putih's
paalwoning. Het is 17.45 en het schemert. Emdayan, Pak Putih en ik gaan meteen
de heuvel op om het gebied te verkennen. Terug bij de woning houden we een
kleine rijstceremonie. Alleen Pak Ali heeft een hoed op; de andere mannen
zetten uit respect voor de berggoden en Allah een blaadje achter hun oor.
Rond een uur of acht klimmen we weer de heuvel op en gaan
we zitten op de rug van de heuvel, omdat we vanaf daar een goed uitzicht
hebben. Het is inmiddels donker en gedurende de loop omhoog wordt er heel
wat afgekletst. De mannen blijven kletsen, ook als we eenmaal zijn gaan zitten,
en na een minuut of tien beginnen ze tot mijn verbazing ook nog te zingen.
Als ik de mannen vraag om stil te zijn, stellen ze voor om een kampvuur te
maken. Ineens herinner ik me de mannen in Bengkulu, die 's avonds zingend
door het bos liepen om de tijger te laten weten dat er een mens aankwam.
En nu zitten we zelfs op de heuvelrug, het domein van de tijger! In het bos
is het niet toegestaan het woord 'tijger' uit te spreken en dus vraag ik
niks, maar stel voor om terug te gaan naar het huis en vanaf het balkon de
wacht te houden. Omdat alle dieren (inclusief, naar ik aanneem, de orang
hutan, als die bestaat) bang zijn voor vuur, wil ik geen kampvuur maken.
Die nacht horen we allerlei geluiden. Pak Ali vertelt wie de makers van
de geluiden zijn. Rond een uur of tien horen we een luid en ruw huu-geluid
waarvan Pak Ali ook niet weet door welk dier het wordt gemaakt. Ik weet bijna
zeker dat het een orang hutan is. Rond een uur of twaalf ziet Emdayan twee
vuurballen langs de rechterkant en op de top van de tuin. Volgens Emdayan
een teken van de Dewa, maar misschien ook wel van mensen die zwarte magie
aan het beoefenen zijn. De hele nacht blijf ik wakker; de adrenaline jaagt
door m'n lijf, gevoed door angst en verwachting. In de verte horen we een
tijger brullen. Niet lang daarna blaft de hond van de buren, ongeveer driehonderd
meter verderop. Nog weer wat later loopt er iets door de bosjes, ongeveer
zes meter van de paalwoning verwijderd. We krijgen het wezen niet te zien.
De volgende ochtend vinden we de afdrukken van een tijger
en andere, vreemde sporen. Pak Ali weet niet wat voor sporen het zijn, maar
hij weet zeker dat ze niet door de orang hutan zijn gemaakt, ondanks het
feit dat ze klein en menselijk zijn. Omdat we de orang hutan niet hebben gezien,
pakken we onze spullen om naar een andere tuin te gaan. Er moet een reden
zijn geweest, dat de Dewa geen ontmoeting hebben laten plaatsvinden. Eenmaal
op de motor moeten we nog een half uur rijden, voordat we bij een tuin zijn,
waar vijf dagen oude voetafdrukken nog steeds zichtbaar zijn. Door de droogte
zijn de afdrukken niet erg duidelijk, maar de regen heeft ze ook niet weg
kunnen spoelen.
Pak Ali zegt dat de orang hutan de maker is van de afdrukken.
Grote, rottende boomstammen zijn omgerold en opengebroken. We volgen de sporen
en tot mijn verbazing veranderen ze in sporen van een rusa (groot
hert). De kleine, mensachtige voetafdrukken zijn verdwenen en de rusa-afdrukken
lijken uit het niets op te duiken. De enige logische verklaring die ik voor
dit fenomeen kan vinden, is dat de twee sporen elkaar hadden gekruist en
dat een mens de afdrukken van de rusa voor de kruising had uitgeveegd en
de kleine, mensachtige afdrukken na de kruising. Nergens zie ik sporen van
menselijke inmenging om deze verklaring te onderbouwen. Pak Ali komt met
de verklaring, dat de orang hutan later dan de rusa hier had gelopen en met
zijn/haar voetafdrukken die van de rusa heeft uitgewist. Deze uitleg verklaart
de afwezigheid van de rusa-afdrukken in het eerste deel, maar niet de afwezigheid
van de mensachtige voetafdrukken in het tweede deel van het spoor. Ik begin
te denken, dat een mens de sporen heeft nagemaakt en ze vloeiend heeft laten
overlopen in de rusa-afdrukken. Pas na het zien van de rusa-afdrukken begin
ik te zoeken naar menselijke sporen, maar het spoor voor de rusa-afdrukken
hadden we met vier mensen gevolgd en dus waren er overal menselijke sporen.
Rond 18.00 uur strooien we de helft van de rijst die we
nog hebben, uit en branden we kemenyan. Gedurende de hele nacht is de lucht
gevuld met de geur van kemenyan. Niet ver van deze tuin hebben mensen rottende
boomstammen in brand gestoken en ik neem aan, dat een van de stammen een
stam van een kemenyan-boom is. De andere aanwezigen zijn er zeker van, dat
het de geur van de over ons wakende goden is. Ik doe mijn best om mijn scepticisme
te behouden, maar ik denk ook: 'Wat, als het inderdaad de Dewa zijn die deze
geur verspreiden?'
Rond 20.00 uur horen de drie mannen een kreet die een
mengeling is tussen een huilend en een schreeuwend geluid. Ze wachten een
uur en gaan dan kijken. Ze zijn er zeker van, dat het de geest is van een
vrouw die gedurende de bevalling is gestorven. Als ze terugkomen, hebben
ze niks gezien. Weer brult er een tijger en de volgende ochtend vinden we
tijger-, varkens- en rusa-sporen. Pak Ali vertelt dat hij er zeker van was,
dat we deze nacht de orang hutan zouden zien, omdat hij een aantal malen
kippenvel had.
De volgende dag verhuizen we weer naar een andere tuin. Er is niemand
thuis, dus zijn we gedwongen om op het balkon van de paalwoning te blijven.
Volgens Pak Ali heeft de eigenaar van de woning twee maanden daarvoor een
orang hutan door het as van de verbrande boomstammen zien rollen. Rond 22.00
uur horen we een vreemd geluid dat het midden houdt tussen een grom en een
zware zucht. De tweede keer dat we het geluid horen, laten de mannen, die
op een soort bankje zitten, zich op de vloer van het balkon vallen en met
een zaklamp sporen we zorgvuldig de bosranden af. Het geluid komt van een
afstand van ongeveer 15 meter, maar we zien niks. Zeven of acht keer hoorden
we het geluid. Niemand wist wat het was, maar waarschijnlijk een tijger.
Ik ben redelijk rustig. Ik neem aan dat als het een tijger is, het dier niet
op zoek is naar een maaltijd, want dan had hij vast geen lawaai gemaakt.
Toch durf ik niet van het balkon af om te gaan plassen. De volgende ochtend
vinden we inderdaad de voetafdrukken van een tijger.
We keren terug naar het huis van Pak Ali. Pak Ali verwelkomt
ons met de woorden: 'Jullie hebben het gezien!' Ik schud m'n hoofd en zeg:
'Nee, er was alleen een tijger.' Pak Ali had die nacht gedroomd en in zijn
droom had hij twee mensen bij ons langs zien komen. Hij wist zeker dat het
twee orang hutans waren, maar begint te twijfelen, als we zeggen dat we bezoek
hadden van een tijger. Daarop zegt hij: 'Dan moeten het twee tijgers zijn
geweest.' We keren terug naar Lempur. De volgende vrijdag komt Pak Ali langs
en zegt, dat hij naar de betreffende tuin is gegaan en sporen zag van twee
orang hutans ...
Of er inderdaad een nog ongeïdentificeerd aapmensachtig wezen in
de wouden van Sumatra te vinden is, weet ik niet. In ieder geval lijken er
geen bewijzen te zijn voor een sociaal en/of cultureel functionele reden
voor het bestaan van het verhaal. De verhalen over Sigelembai en
de tirau (de andere twee aapmensachtige wezens waar de Lempuresen
in geloven) vertellen over van voorouders afstammende wezens met een binding
met het bovennatuurlijke. De verhalen over de orang hutan zijn beperkt tot
ooggetuigenverslagen welke op mij zeer eerlijk en puur overkwamen.
Het feit dat de meeste mensen geloofden, dat we met de
hulp van de dukun en de Dewa erin zouden slagen de orang hutan te zien, is
meer een bewijs voor het culturele bestaan van de Dewa en de relatie die
de Lempuresen met de Dewa hebben, dan dat het een bewijs is voor het culturele
bestaan van de orang hutan.
|
|