Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


2001
vorige naar index volgende

Lokale ontwikkeling: participatie of opgelegde democratie?

Joke Reijven

"Wie is dat blonde meisje dat bij jullie de was doet?" had een buurvrouw gevraagd, die me in het voorbijgaan achter de betonnen wasbak, de pila, had zien zwoegen. "Dat is mijn Amerikaanse schoondochter. Mijn zoon die nu nog in de VS werkt, heeft haar naar zijn geboortedorp gestuurd in afwachting van zijn komst," was het antwoord van de moeder van het gastgezin waar ik al enige tijd verbleef. Inmiddels was ik voor de meeste bewoners van San Martín Sacatepéquez, een dorp in het westen van Guatemala, een bekend gezicht. Kennelijk was mijn aanwezigheid deze vrouw echter ontgaan of kon ze haar nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.
   Gedurende vijf maanden heb ik via wandelingen door het dorp, formele interviews, gesprekjes op straat, door het meedoen aan activiteiten van lokale organisaties, het maken van tortillas (maïspannenkoekjes) en tamales (maïsdeeg met vlees in bananenbladeren) en het doen van de handwas met andere vrouwen, getracht gegevens voor mijn onderzoek te verzamelen. Ik wilde integreren in een kleine, voornamelijk indiaanse gemeenschap zoals het een echte antropoloog betaamt: door participerende observatie. In dit artikel geef ik de inhoud en resultaten van mijn onderzoek weer en beschrijf ik de misverstanden, problemen, maar ook de leuke ervaringen die gepaard gingen met het veldwerk.

Guatemala is sterk getroffen door het geweld tijdens de burgeroorlog, die 36 jaar duurde alvorens in 1996 de Vredesakkoorden werden getekend door guerrilla, leger en vertegenwoordigers van verscheidene sectoren van de maatschappij. De gevolgen van het geweld zijn op economisch, politiek en sociaal vlak nog steeds merkbaar. Gedurende en na het vredesproces kwamen grote hoeveelheden financiële en technische hulp Guatemala binnen (Azpuru, 1999). Het aantal organisaties dat zich richt op de ontwikkeling van het land en de bevolking, neemt nog steeds toe. Ook van het buitenland ontvangt Guatemala steun. De hulp bereikt ook kleine gemeenschappen, waar participatie van burgers in lokale ontwikkeling van groot belang is. Het versterken van burgerorganisaties die verwikkeld zijn in ontwikkelingswerk en sociale dienstverlening, onafhankelijk van of in samenwerking met staten en internationale organisaties, zoals niet-gouvernementele organisaties (NGO's), vrijwillige associaties en bewonersgroepen, wordt in de ontwikkelingswereld gezien als methode om de positie van de arme inwoners van een land te verbeteren. Deze civiele maatschappij bevordert de participatie van burgers, maar de rol van de overheid blijft cruciaal in het ontwikkelingsproces van Guatemala en de onafhankelijkheid van de civiele maatschappij is dan ook relatief.
   Door toenemende kritiek op nationale en internationale NGO's werd het in de donorgemeenschap steeds gebruikelijker fondsen direct te verlenen aan lokale ontwikkelingsorganisaties en bewonersgroepen, tot stand gekomen met directe betrokkenheid van de lokale bevolking (Biekart, 1999). In Guatemala spelen buurtcomités, vrouwengroepen, coöperaties en andere vormen van collectieve organisatie een belangrijke rol in de lokale ontwikkeling. Maar ook individuen die van oudsher als gemeenschapsleiders worden beschouwd, zijn van invloed op het ontwikkelingsproces.
   In dit kader vond mijn afstudeeronderzoek naar lokale ontwikkeling, participatie van dorpsbevolking en andere personen en instanties en hun onderlinge relaties plaats. De doelstelling van mijn onderzoek was het op lokaal niveau achterhalen, welke actoren en instanties de belangen van de bevolking van een Guatemalteekse plattelandsgemeenschap proberen te vertegenwoordigen en hoe de verhoudingen zijn tussen hen en de bevolking. In het onderzoek stonden drie thema's centraal: de actoren in de lokale ontwikkeling in een dorpsgemeenschap, de relaties tussen de vertegenwoordigers van de dorpelingen en het standpunt van de lokale bevolking ten aanzien van de verscheidene instanties en personen die een rol spelen in de ontwikkeling. Door mijn veldwerk heb ik ervaren, hoe internationale en nationale visies op ontwikkeling tot uitdrukking komen in praktische maatregelen op lokaal niveau en welke weerslag ze hebben op het dagelijkse leven in een plattelandsgemeente.

Met een uitgewerkte onderzoeksopzet arriveerde ik in Guatemala. Nu kwam het eerste probleem: hoe vond ik een geschikte onderzoeksgemeente? In Nederland had ik via e-mail contact gezocht met de directeur van een organisatie in Quetzaltenango, waar ik na het veldwerk stage zou lopen. De instantie richt zich op het versterken van lokale overheden door het geven van technische en financiële steun en met behulp van de contacten die de directeur met gemeenteraden van diverse dorpjes had, hoopte ik dat hij me kon introduceren in een geschikte onderzoeksgemeente. Dit had hij me ook schriftelijk toegezegd, maar bij aankomst op zijn kantoor kon hij zich, toen hij, nadat ik drie keer tevergeefs was langsgekomen, eindelijk aanwezig was, niet meer herinneren wat ik eigenlijk van hem verlangde.
   Aan het feit dat afspraken later of helemaal niet plaatsvinden, wende ik snel. Meer moeite kostte het me te wennen aan het machismo, het alcoholisme onder de mannelijke indígenas (indiaanse mensen) en de discriminatie van indígenas door ladinos, die geen traditionele kleding dragen of indiaanse taal spreken. Hierdoor is er na mijn verblijf van vijf maanden in de gemeente San Martín Sacatepéquez, waar ik met de beloofde hulp van de directeur terechtkwam, weinig overgebleven van de enigszins romantische ideeën die ik had over een kleine, indiaanse gemeenschap. De gemeente was volgens de directeur ideaal voor mijn onderzoek: veel indígenas en veel organisaties die hen trachten te vertegenwoordigen. Na zijn introductie in de gemeenteraad kon het eerste raadslid me aan onderdak en voedsel helpen bij een weduwe en haar zoon. Na enige tijd heb ik zelf huisvesting gevonden bij een gezin met meer kinderen, weliswaar met minder voorzieningen en eten, maar eveneens minder eenzaamheid.

Door verhalen van studenten die me voorgingen in veldwerk, en de boeken die ik had gelezen met afschrikwekkende ervaringen van antropologen over hun onderzoek, was ik voorbereid op armoedige voorzieningen, vreemde eetgewoonten, een gebrek aan privacy en een aanvankelijk schuchtere bevolking. Het verbaasde me dan ook niet, dat mensen me lachend nawezen, voor me wegrenden of me zonder enige gêne aanstaarden. De bevolking zag niet zo vaak een blank, blond meisje, op een verdwaalde Amerikaanse toerist na. Maar dat het zo lang zou duren, had ik niet verwacht. In mijn kamer was ik een publieke attractie voor bewoners die op hun beurt wachtten om een familielid in de VS te bellen met een van de weinige telefoons in het dorp. En die telefoon bevond zich in de kamer naast me, gescheiden door een muur met een gat waar na een maand de beloofde ruit in kwam en enkele weken later pas een gordijn. De dorpelingen wisten wanneer het bedtijd was - als ik me zo discreet mogelijk in mijn pyjama wurmde -, wanneer ik opstond - wakker van de eerste beller om halfzes 's morgens - en dat ik veel schreef. Maar ze hadden geen benul van de reden voor mijn verblijf en als ik hen dat probeerde te vertellen, liepen ze weg of zwegen ze.
   Kinderen waren de enigen die me benaderden met nieuwsgierigheid. Door vriendelijkheid en wederzijdse interesse jegens de jonge bevolking te tonen dacht ik contacten te maken met de moeders en geleidelijk hun vertrouwen te winnen. Na enkele weken bleek deze aanpak het omgekeerde effect te hebben: ik boezemde de moeders angst in. De bekenden die ik inmiddels had, vertelden me, dat vrouwen dachten dat ik was gekomen om hun kinderen te ontvoeren en hen in de VS te verkopen voor de organenhandel. Mijn gesprekjes met de kinderen deed hun vermoedens toenemen. Toen duidelijk werd dat ik lange tijd bleef, en degenen die me wel vertrouwden, hun medebewoners vroegen, waarom ze zo bang waren dat ik hun kinderen zou stelen, als ik zelf 'toch veel mooiere kon maken', leek de angst af te nemen. Ik besefte wel dat ik over het thema wat me het meest interesseerde, namelijk de visie van 'gewone' dorpelingen op al de ontwikkelingshulp en wie zij als vertegenwoordigers beschouwen, waarschijnlijk de minste informatie zou verkrijgen. Niet alleen door de teruggetrokkenheid van de bewoners, maar ook door de taal: veel bewoners spraken wel Spaans, maar liever de indiaanse taal Mam.

Ik besloot deel te nemen aan activiteiten van organisaties en samen met medewerkers van NGO's en overheidsorganisaties gemeenschappen te bezoeken voor voorlichtingen en cursussen omtrent gezondheid, hygiëne, landbouw of onderwijs. Hierdoor kreeg ik niet alleen een idee van de werkzaamheden van instanties, de achterliggende idealen en de relaties tussen medewerkers en de deelnemers en tussen verschillende organisaties. Ook boden deze bezoekjes me de kans op een goede introductie van mezelf en mijn onderzoek en knoopte ik veel gesprekjes aan met de dorpsbewoners die ik ontmoette, waarbij anderen een enkele keer als tolk functioneerden.
   De eerste maanden waren de tochten naar een van de 42 gemeenschappen onmogelijk, door kerst- en nieuwjaarsvakantie, planning van activiteiten en evaluaties. Pas vanaf half februari begonnen de werkzaamheden echt. Tot dan toe bracht ik mijn tijd door met het in kaart brengen van de talrijke organisaties die in de gemeente gevestigd waren, hun structuur en doelstellingen. Medewerkers waren vanaf het begin geïnteresseerd en verleenden hun medewerking, maar dikwijls bestonden er op papier geen concrete plannen en wisten medewerkers zelf niet exact, hoe hun organisatie in elkaar stak. Medewerkers van verschillende instanties kenden elkaar niet, waardoor gelijksoortige activiteiten in dezelfde gemeenschappen met verschillende groepjes bewoners gelijktijdig plaatsvonden. Het succes van een instantie werd door de anderen afgelezen uit de financiële - en transportmogelijkheden, waardoor vooral NGO's met een buitenlandse donororganisatie afgunst opwekten bij medewerkers van overheidsinstanties. Het gebrek aan coördinatie was volgens medewerkers het gevolg van vastgestelde plannen, bepaald door ministeries of - in het geval van NGO's - door donororganisaties. In de praktijk bleek samenwerking echter sterk afhankelijk van de wil van afzonderlijke medewerkers, niet zozeer van de autonomie van de organisatie. Zo vond er op initiatief van de arts op medisch gebied coördinatie plaats tussen activiteiten van het medisch centrum en een NGO. Eén instantie is opgericht met samenwerking als doel en de leden bestaan uit verschillende NGO's uit de gemeente. Van coördinatie is echter geen sprake en de rol van deze unie is onduidelijk; geen van de aangesloten organisaties wenst veel inmenging van andere leden. Zelfs het gezamenlijke project lukt niet; het is uitgegroeid tot een nieuwe NGO met nieuwe activiteiten en nieuwe bewonersgroepjes.
   Lokale, religieuze leiders houden zich met andere zaken bezig en hanteren opvattingen die vaak niet in overeenstemming zijn met die van ontwikkelingsorganisaties en soms participatie van burgers tegenhouden. Dubbele werkzaamheden, jaloezie, de concurrentiestrijd om geld en deelnemers en de op een hoger niveau vastgestelde programma's veroorzaken niet alleen een scheiding van organisaties, maar ook van bewoners, die uit verwarring niet weten wat de activiteiten zijn en waar ze zich het beste kunnen aansluiten. De meeste dorpelingen hebben een individualistische instelling; ze lossen hun eigen zaakjes wel op. Sommigen willen helemaal niets te maken hebben met de inmenging van buitenaf in kwesties die het dorp aangaan. Als ze zich ergens bij aansluiten, zijn het bewonersgroepen zoals vrouwengroepen en comités, waar ze de leden kennen, dezelfde taal spreken en waarbij de doelen op korte termijn realiseerbaar zijn en aangepast aan directe behoeften zoals landbouw en krediet. Programma's omtrent emancipatie, burgerorganisatie en onderwijs, waarbij resultaten niet snel zichtbaar zijn, spreken dorpelingen niet aan.
   Ladinos voelen zich uitgesloten van activiteiten van veel instanties. Volgens hen worden indígenas, zeker nu er een indígena-burgemeester is, bevoordeeld. Medewerkers van organisaties ontkennen dit; ze richten zich op de bevolking van de hele gemeente. Ladinos die dit beweren, zijn zelf niet bereid mee te werken in projecten waaraan indígenas deelnemen. Wel uitgesloten zijn vrouwen, die meestal niet participeren in organisaties en, indien dit wel zo is, nooit een bestuurlijke functie innemen, alleen als de groep uitsluitend uit vrouwen bestaat en het om typisch vrouwelijke aangelegenheden gaat.
   De voornaamste, lokale leiders zijn voorzitters van buurtcomités die projecten voor irrigatie en watervoorziening, de bouw van scholen of andere infrastructurele voorzieningen willen bewerkstelligen. Hiervoor vragen ze dikwijls financiële hulp van gemeenteraad en NGO's. Ze vormen de schakel tussen ontwikkelingsorganisaties en de burgers. Dit geldt ook voor vroedvrouwen, die in de eigen gemeenschap medische diensten verlenen, waar voorzieningen van overheid en NGO's niet toereikend zijn. Dorpelingen vertrouwen op hun medebewoners en lokale leiders, de echte vertegenwoordigers van de gemeenschap, en zijn soms volledig onbekend met aanwezige instanties. Ze staan wantrouwend ten opzichte van mensen die niet uit de regio komen of zich zelden in het dorp vertonen. Dit is kenmerkend voor personeel van instanties van de overheid, dat door een ministerie is geplaatst in de gemeente en zich hierdoor vaak niet betrokken voelt bij het leven van arme, Mam-sprekende indígenas. Medewerkers van NGO's zijn door hun bekendheid met de lokale cultuur en taal en hun grotere financiële en technische capaciteiten bekender en geliefder bij dorpelingen dan hun collega's van overheidsinstellingen.

Vooral dankzij deelname aan activiteiten van organisaties en bezoeken aan bewonersgroepen heb ik voldoende informatie kunnen verzamelen voor mijn onderzoeksverslag. Maar het kostte me veel tijd, geduld en moeite. Vooral in de beginperiode voelde ik me eenzaam en onbegrepen. Naarmate de tijd vorderde, werd de houding van de bevolking losser, roddelde ik met vrouwen over mannen, toonden mannen grote belangstelling voor de moderne opvattingen in Nederland en lachte ik zelf mee, als mensen lachten; dit keer lachten ze me niet achter mijn rug om uit, maar waren mijn onhandige pogingen om iets onder de knie te krijgen (de taal of koken) lachwekkend. Ik voelde me zelfs een beetje deel van de familie, toen ik op de familiefoto mocht (lees: moest) voor hun zoon in de VS, ik meeging naar een wake voor een gestorven familielid of op bezoek bij de dochter in het ziekenhuis. De moeilijkheden in het begin versterkten een gevoel van voldoening, toen de gesloten houding van enkele dorpelingen bij mijn afscheid plaatsmaakte voor tranen. Van hen heb ik in vijf maanden veel meer geleerd dan ik voor mijn onderzoek nodig had.

Literatuur

- Azpuru, Dinorah, 1999. 'Peace and Democratization in Guatemala: Two Parallel Processes.' In: Cynthia J. Arnson (ed.), Comparative Peace Processes in Latin America. Washington D.C.: The Woodrow Wilson Center Press, pp. 97-125.
- Biekart, Kees, 1999. The Politics of Civil Society Building: European Private Aid Agencies and Democratic Transitions in Central America. Utrecht: International Books.
- Reijven, Joke, 2000. Cosas del Pueblo: Lokale ontwikkeling, lokaal bestuur en NGO-initiatieven in San Martín Sacatepéquez, Guatemala. Utrecht: Onderzoeksverslag Culturele Antropologie.


 
vorige naar index volgende