|
Onderzoek in Jabarona
Nanja van der Horst
We schrijven 4 oktober 1998. De reis naar Soedan begint... Eerst blik
ik nog even terug naar oktober, in het jaar 1997. Door een toevallige samenloop
van omstandigheden ontmoette ik toen in Amsterdam Lineke Sassen, studente
cross-culturele en klinische psychologie. Zij had net als ik de wens om haar
afstudeeronderzoek te wijden aan kinderen die recentelijk een oorlog hebben
meegemaakt in een Afrikaans land. We besloten om samen op zoek te gaan naar
een organisatie die ons de mogelijkheid wilde geven om in contact te komen
met deze kinderen. Vele wilden dit niet, omdat ze het risico te groot vonden.
War-Child bood ons, na een uitgebreide zoektocht langs
de internationale hulpverlenings-scene in Nederland, de kans om naar Soedan
te gaan. We spraken af om naast ons onderzoek Dee, die in Soedan voor War-Child
werkte, te assisteren met een aantal activiteiten. Dee probeerde door middel
van kunst, o.a. schilderen en toneel, kinderen weer vertrouwen in het leven
en zichzelf te geven. Haar grootste project waren de zeven straatkinderen
met wie ze samenleefde en die op deze manier de kans kregen om onderwijs
te volgen en op een vaste plaats te leven.
Daar zaten we dan ineens bij Dee buiten, met zeven kinderen en andere
volwassenen die met ons kennis kwamen maken. Het was drukkend warm en al
snel plakten onze kleren aan onze lijven. Waar waren we beland? Wat voor
een land is Soedan?
Soedan is een boeiend land met een complexe geschiedenis waar burgeroorlog
als een rode draad doorheen loopt. Al sinds 1956, sinds de onafhankelijkheid
van de Britten, is het land in oorlog die zich voornamelijk afspeelt in het
zuiden en gaat tussen verschillende zuidelijke oppositiepartijen, SPLM/SPLA
en verschillende splintergroeperingen, en het leger van de Soedanese regering.
De Islam en olie zijn onder andere zwaarden waarmee men vecht.
Deze meest uitzichtloze oorlog van het continent Afrika
heeft grote gevolgen voor de Soedanezen. Naar schatting van oktober 2000
zijn vier miljoen Soedanezen, voornamelijk zuiderlingen, op de vlucht. Veel
mensen vluchten naar de hoofdstad Khartoum in de hoop daar een betere toekomst
te kunnen opbouwen. De Soedanese regering, die de opvatting heeft dat deze
mensen in het noorden hun horizon komen verbreden, stopt hen echter weg in
kampen in de woestijn buiten Khartoum of men komt terecht in een van de buitenwijken.
Onder deze vluchtelingen zijn veel kinderen die met of
zonder hun ouders naar Khartoum zijn gekomen. Veel ouders van deze kinderen
en ook de kinderen zelf hopen in het noorden een betere kans te hebben op
onderwijs. In deze kinderen was ik geïnteresseerd; ik wilde graag weten
hoe zij hun dagelijks leven vormgeven. Samen met een aantal van deze kinderen
heb ik dit thema in een van de vluchtelingenkampen buiten Khartoum onderzocht.
Na een tijdje bij Dee te hebben gewoond kregen we de kans aangeboden om
op de vrouwenuniversiteit Ahfad te gaan wonen. Deze kans hebben we met beide
handen aangegrepen en daar hebben we de rest van het half jaar in een simpel
onderkomen geleefd. Ahfad is een wereld op zich en daarom wil ik hier in
het kort wat vertellen over de universiteit zelf en onze ervaringen met het
leven tussen de studentes. In een land waar de vrouw ondergeschikt is aan
de man en zij er op de eerste plaats is voor het gemak van de man, is het
hebben van een universiteit voor vrouwen heel bijzonder. De vrouwen, en dan
met name de vrouwen uit het zuiden, beschouwen het dan ook als een voorrecht
om hier te kunnen studeren. Zij zijn over het algemeen zeer ijverig en ontzettend
leergierig. Ahfad wordt door de Soedanese regering niet gewaardeerd en ze
proberen hen dan ook op verschillende manieren te dwarsbomen, maar de universiteit
sluiten kunnen ze niet vanwege de vele banden en daardoor internationale bekendheid
van Ahfad.
Ahfad is in 1966 opgericht door Yusuf Badri die hiermee
het werk van zijn vader Babiker Badri voortzette. Babiker was een voorvechter
voor onderwijs voor vrouwen. Hij was van mening dat vrouwen naast vrouw ook
een levensgezel voor mannen behoren te zijn. Na lang getouwtrek met de Engelsen
lukte het hem om in 1907 in een modderhut een school voor meisjes te beginnen.
Hieruit is dan het huidige Ahfad ontstaan, die vrouwen opleidt in verschillende
disciplines waaronder psychologie en management, met als doel de vrouwelijke
rol in de nationale en rurale ontwikkeling te versterken.
De studenten die wij kenden en met wie we uren discussieerden
over het onderwijs, vonden de kwaliteit van het onderwijs op Ahfad slecht
en waren jaloers op het onderwijs dat wij kregen. Vaak kwamen ze bij ons
langs om bij te komen van het ongerief van het harde, oneerlijke sociale
leven in Soedan. Bovendien konden ze bij ons stiekem een sigaretje roken
en konden ze gewoon even zonder toeziend oog van leraren, ouders, politie
of veiligheidsdienst hun gang gaan. Het valt op, dat de studentes op het
terrein van Ahfad Amerikaans en sexy ogen; dit in tegenstelling tot wanneer
men ze buiten op straat ontmoet. Ze kleden zich om, zodra ze de muren van
Afhad binnenkomen, tot eigentijdse en zelfbewuste jonge vrouwen en zodra
ze Ahfad verlaten, zien ze eruit als de gemiddelde Soedanese vrouw met sluier.
Vanuit Ahfad zijn we ons onderzoek vorm gaan geven. Dit was niet makkelijk,
omdat al snel bleek dat wij als buitenlanders geen vrije toegang tot de vier
officiële, door de overheid gecontroleerde kampen hadden. Daarvoor moesten
we eerst toestemming verkrijgen van het Humanitarian Aid Department of
Khartoum State. Om een lang verhaal kort te maken, we hebben er drie
maanden over gedaan, voordat we het benodigde papiertje met handtekening
in ons bezit hadden. Hier wil ik bij vermelden, dat als wij mannen waren
geweest, we dit papiertje waarschijnlijk niet hadden gekregen. Door onze
vrouwelijke charmes in de strijd te gooien en onschuldig en ietwat dom over
te komen is het ons gelukt om toestemming te krijgen het vluchtelingenkamp
met de ironische naam Al Es Salaam (vredeskamp) binnen te komen.
Al Es Salaam kamp is de officiële naam van het kamp;
de naam die de bewoners aan het kamp hebben gegeven, is Jabarona. Jabarona
is Dinka taal en betekent 'gedwongen tot'; de mensen voelen zich gedwongen
om te leven in een grote zandbak. In feite is dat wat Jabarona is.
Het kamp is in 1990 als gevolg van het herverdelingsprogramma
van de overheid ontstaan. Dit programma hield in, dat verschillende buitenwijken
van Khartoum werden plat gebulldozerd en de mensen vervolgens in trucks naar
verschillende lege plaatsen buiten Khartoum werden gebracht. Hier zijn vier
vluchtelingenkampen uit ontstaan, waarvan Jabarona er een is. Jabarona is
45 vierkante kilometer groot en er wonen 6200 mensen. De bewoners zijn voornamelijk
afkomstig uit het zuiden en behoren tot verschillende etnische groepen zoals
de Dinka, Shilluk, Nuer en de Azande. Doordat de overheid deze mensen aan
hun lot overlaat, zijn er veel internationale NGO's (Non Governmental Organisations)
in het kamp werkzaam. Zij voorzien de mensen in medicijnen en water en staan
de ernstig ondervoede kinderen en zwangere vrouwen bij. Verder financieren
ze verschillende scholen in het kamp.
Mijn onderzoek heeft zich afgespeeld op twee van de dertien
scholen in het kamp. Elke dag probeerde ik naar het kamp te gaan om daar
met behulp van een tolk de kinderen te interviewen. Dit deed ik in twee keer.
Eerst vroeg ik de kinderen om een tekening te maken over het leven in het
zuiden; vervolgens begon het eerste deel van het interview, dat handelde
over de ervaringen in het zuiden, de oorlog en de vlucht. De tweede dag praatten
we met de kinderen over het leven in Jabarona kamp en over hun toekomstdromen
en visie. Hieruit zijn verhalen en beelden van de kinderen voortgekomen over
het verleden, het heden en de toekomst.
In mijn onderzoek beschrijf ik, hoe de kinderen in het kamp op een draaischijf
van mogelijkheden zijn komen te staan. Door de vlucht zijn ze in een veranderingsproces
terechtgekomen. Op school leren ze, dat er meer toekomstmogelijkheden zijn
dan het worden van herder zoals hun ouders allemaal zijn. Ze worden zich
bewust van het feit, dat ze leraar, rechter of dokter kunnen worden, en dit
laten ze in hun toekomstdromen zien. Maar de leraren daarentegen willen dat
de kinderen leven volgens de oude tradities zoals zij die zien. In een geconstrueerd
discours over het leven in het zuiden laten ze zien, dat het zuiden een ideale
plaats is om te leven; het is er groen, de mango's groeien aan de bomen en
men is vrij om te gaan en staan waar men wil. Het zuiden is verworden tot
een ideaal waar de leraren aan blijven vasthouden, en dat hen zo verhindert
om in het hier en nu te leven.
De kinderen worden ook door dit verhaal beïnvloed
en dit is terug te zien in de tekeningen die de kinderen hebben gemaakt.
Hierop is het mooie zuiden te zien. Slechts één jongen heeft
de oorlog getekend. Maar het geïdealiseerde verhaal van het zuiden staat
bij de kinderen symbool voor een verlangen naar een beter leven. Zij verlangen
niet daadwerkelijk naar het zuiden als fysieke plaats, in tegenstelling tot
de leraren die denken dat ze zonder het zuiden niemand zijn. De kinderen
proberen dus stuk voor stuk om in het kamp een nieuw leven op te bouwen en
om voor zichzelf een toekomst te creëren. Dit proces zal met vallen
en opstaan gebeuren.
Deze kinderen leven in een vijandige samenleving waarin
ze worden gediscrimineerd en waar ze niet dezelfde kansen zullen krijgen
als de noorderlingen. Waar deze kinderen uiteindelijk terecht zullen komen,
is nog onduidelijk. Enkelen zullen inderdaad leraar of rechter worden en anderen
niet. Misschien zullen er een aantal terugkeren naar het zuiden of vluchten
naar bijvoorbeeld Egypte of Nederland om daar een nieuwe toekomst op te bouwen.
De tijd zal het uitwijzen. Vooralsnog leven deze kinderen in een woelige
omgeving waar van alle kanten een beroep op ze wordt gedaan. De kinderen
zitten in deze omgeving echter niet angstig in een hoekje weg te kwijnen,
maar proberen het dagelijks leven op een zinvolle manier vorm te geven.
|
|