|
Het Beloofde Land
Vluchteling-ervaringen van de Uduk in Ethiopië
Jody de Blois-Eijsenga
Inleiding
"One of the gains for anthropology in studying refugees is that
it offers the chance to record the processes of social change, not merely
as a process of transition within a cultural enclave, but in the dramatic
context of uprootedness where a people's quest for survival becomes a model
of social change. People who have been forcibly uprooted have to adapt to
their new social, economic and physical environments. This process challenges
the utility of beliefs, values, technology, statuses, exchange systems, and
all other aspects of society in which anthropology has a vested interest."1
Van oktober 1999 tot en met februari 2000 heb ik onderzoek gedaan in Bonga
Refugee Camp, in het westen van Ethiopië. Dit kamp is in 1993 opgezet
voor een groep van ongeveer 13.000 Soedanese vluchtelingen, genaamd de Uduk.
In 1996 startte ZOA Vluchtelingenzorg, een Nederlandse NGO, activiteiten
in dit kamp en het was deze organisatie die mijn onderzoek faciliteerde.
Ik ben met een vrij breed geformuleerde onderzoeksvraag op pad gegaan, namelijk:
Hoe gaan de Uduk vluchtelingen om met de gebeurtenissen uit het verleden
en met het dagelijks leven in een vluchtelingenkamp? In de loop van
het onderzoek is deze vraag uitgebreid met een aantal deelvragen, zoals:
Welke rol speelt 'cultuur' in het omgaan met crisis, wat is het belang van
sociale, religieuze of politieke netwerken in het omgaan met leven in een
vluchtelingenkamp en hoe zijn sociale en culturele praktijken veranderd onder
invloed van de vlucht? Het feit dat in dit vluchtelingenkamp bijna alleen
vluchtelingen behorend tot de Uduk stam woonden, en het feit dat relatief
veel bekend is over deze - overigens kleine - stam door jarenlang onderzoek
van de antropologe Wendy James, maakten juist de vraag naar de relatie tussen
cultuur, coping, en veranderingen door een vluchtsituatie extra
boeiend. In deze 'case' wil ik proberen een korte samenvatting te geven van
mijn bevindingen.
Conceptueel raamwerk
Wanneer we het hebben over vluchtelingen, komen al gauw de beelden van
de televisie naar voren. De media presenteren het beeld van hulpeloze, verdwaasde
vluchtelingen, niet in staat om te gaan met de ramp die hen is overkomen,
en afhankelijk van buitenlandse hulp. Op het moment dat iemand zijn land
ontvlucht vanwege geweld of een andere ramp, lijkt hij niet alleen zijn bezittingen
te verliezen, maar ook zijn identiteit: vanaf nu gaat hij door het leven
als 'de vluchteling', inclusief de daarbij behorende eigenschappen. Dit label
doet geen recht aan het feit dat enorme verschillen kunnen bestaan tussen
groepen vluchtelingen. Verschillen in gender, leeftijd, socio-economische,
etnische en regionale achtergrond, maar ook verschillende oorzaken om te
vluchten, maken het gevaarlijk te spreken over dé vluchteling, en
dé vluchteling-ervaring. Dé vluchteling bestaat immers niet.
Gelukkig wordt dit beeld van een homogene groep hulpeloze
vluchtelingen al langere tijd niet meer automatisch geaccepteerd door beleidsmakers,
wetenschappers en vluchtelingenorganisaties. De laatste decennia is meer
aandacht gekomen voor een contextuele benadering, waarin het specifieke verhaal,
de culturele achtergrond en de percepties van de vluchtelingen een plaats
krijgen. Veel onderzoekers en noodhulpwerkers zullen het eens zijn met de
stelling, dat het belangrijk is om te werken op een cultureel gepaste manier.
Toch is dit misschien makkelijker gezegd dan gedaan. Want
wat is cultuur eigenlijk, en welke rol speelt cultuur in het leven van de
betrokken mensen? Met name in een tijd van crisis is deze vraag niet makkelijk
te beantwoorden. Het 'normale' leven staat op zijn kop, culturele waarden
staan onder druk, sociale netwerken zijn uit elkaar gevallen en oude 'coping
mechanismen' van weinig of geen nut. Cultuur blijkt geen stuk bagage te zijn
dat van de ene plek naar de andere plek wordt meegenomen. In een overdreven
poging om rekening te houden met de lokale cultuur kan voorbij gegaan worden
aan het feit, dat cultuur dynamischer is dan soms wordt gedacht.
In mijn theoretische gedeelte van het onderzoeksverslag
heb ik daarom aandachtspunten en valkuilen bij de begrippen 'cultuur' en
'coping mechanismen' onder de loep genomen. In de antropologische literatuur
is een omslag te zien van het opvatten van cultuur als een statische orde,
gebonden aan een bepaalde plaats en tijd, naar de opvatting dat cultuur dynamisch
is, open voor verandering, een sociaal proces. Cultuur is ontwikkeld en nog
steeds in ontwikkeling in samenhang met de omgeving, en dus ook niet gebonden
aan een bepaalde plaats. Vluchtelingen raken dus niet hun cultuur kwijt op
het moment dat ze vluchten, evenmin als dat ze hun cultuur onveranderd meenemen.
Tijdens de vlucht zal een proces plaatsvinden van aanpassen, vernieuwing,
continuering en improvisatie van bestaande kennis en gewoonten. Ook het leven
in een vluchtelingenkamp wordt gekenmerkt door veranderingen. Vluchtelingen
moeten zich aanpassen aan veranderingen op geografisch, materieel, economisch,
landbouwkundig, sociaal en cultureel gebied. Aan de ene kant brengt dit specifieke
problemen met zich mee, aan de andere kant kan het leven in een ander land
ook bepaalde mogelijkheden bieden voor de vluchteling.
De manier waarop vluchtelingen omgaan met zowel de problemen,
als ook de mogelijkheden in de nieuwe situatie heeft te maken met hun coping
mechanismen. Het begrip 'coping mechanismen' of coping capaciteit
verwijst naar de mogelijkheden die individuen hebben om om te gaan met moeilijke
situaties in het leven. Actoren hebben bepaalde kennis, vaardigheden en netwerken
die hen helpen bij het zeker stellen van hun bestaan. Ook hiervoor geldt
dat vluchtelingen deze capaciteiten niet kwijt raken tijdens de vlucht, maar
dat oude mechanismen worden aangewend en aangepast, en nieuwe mechanismen
ontwikkeld. Cultuur en coping mechanismen hangen nauw samen. Cultuur voorziet
mensen van een raamwerk voor gedrag en denken, en culturele gewoonten kunnen
vluchtelingen juist helpen om om te gaan met de crisis in hun leven.
De Uduk
Geschiedenis
Zoals al gezegd, is relatief veel bekend over de Uduk mensen. De antropologe
Wendy James heeft in de jaren '60 veldwerk verricht onder deze stam en haar
bevindingen opgeschreven in verschillende boeken. De Uduk, die zichzelf overigens
'Kwanim Pa noemen, woonden in het zuidoosten van Soedan, tegen de
grens met Ethiopië aan. Hun dorpen hoorden eigenlijk bij de Upper Nile
Province, behorende bij Zuid-Soedan, maar sinds een herindeling in 1953 hoort
hun thuisgebied officieel bij de Blue Nile Province, en dus bij Noord-Soedan.
De geschiedenis van de Uduk wordt gekenmerkt door vervolging en verdrukking.
Aan het einde van de 19de eeuw werden door Arabische migranten aanvallen
gedaan op hun dorpen, waarbij veel Uduk vrouwen gevangen genomen werden om
als slavin of concubine doorverkocht te worden. Deze gebeurtenissen hebben
een enorme impact gehad op het zelfbeeld en de sociale organisatie van de
Uduk.
De sociale organisatie van de Uduk kenmerkte zich door
zelfredzaamheid, gelijkheid tussen mensen en zorg voor elkaar. Het streven
naar persoonlijke winst werd veroordeeld en gezien als bedreigend voor de
steun aan elkaar. De afstamming via de vrouwelijke lijn werd gezien als de
belangrijkste stabiliteit in het leven, als een principe van continuïteit
en verbondenheid. De Uduk waren niet een afgesloten, homogene samenleving,
maar waren in regelmatig contact met andere stammen en stonden open voor
invloeden van buitenaf. In Uduk rituelen en mythen zijn dan ook duidelijk
elementen van andere stammen te herkennen. Verhalen van menselijk overleven
stonden centraal in deze mythen.
Landbouw was de belangrijkste vorm van levensonderhoud
voor de Uduk. Iedereen was betrokken bij het werken op het land, en families
en buren hielpen elkaar met het werk. Dit gezamenlijk werken werd meestal
afgesloten met een bierfeest. De oogst werd gebruikt voor de eigen consumptie
en niet voor handel. Economische activiteiten waren nauwelijks ontwikkeld.
In 1938 werd een missiepost van de Sudan Interior Mission
(SIM) geopend in Chali, het centrale dorp van de Uduk. Met de komst van de
zendelingen kwamen ook enkele ontwikkelingen, zoals basis gezondheidszorg,
een school en een weeshuis. Pas na jaren werden de resultaten van het zendingswerk
zichtbaar en toen in 1964 de missiepost moest sluiten vanwege overheidsdruk,
bestond de christelijke gemeenschap uit een paar honderd mensen. Met de sluiting
van de missiepost stopten ook de activiteiten op het gebied van gezondheidszorg
en onderwijs. De invloed van de arabieren nam toe en een moskee, een islamitisch
instituut en een Arabische school werden geopend. Toch bleven de Uduk dorpen
een afgelegen, achtergesteld gebied van de Blue Nile Province en profiteerden
ze niet mee van de economische ontwikkelingen in Noord-Soedan.
De vlucht
De Soedanese burgeroorlog is het langst durende, interne conflict in sub-Saharisch
Afrika. Deze oorlog tussen het islamitisch Arabische Noorden en het zwart
Afrikaans christelijke en animistische Zuiden heeft al honderdduizenden mensen
doen vluchten uit Soedan. Sinds het begin van de oorlog zijn al meer dan
twee miljoen mensen, meest van hen burgers, gestorven door het geweld en
hongersnoden. De rebellen uit het Zuiden zijn vertegenwoordigd in twee partijen,
de SPLA (Sudanese People's Liberation Army) en de SSIM (South Sudan Independence
Movement). Zij strijden tegen het regeringsleger van president Bashir en
tegen Arabische milities.
Tijdens de eerste burgeroorlog (van 1956 tot 1972) bleven
de Uduk dorpen nog ongemoeid. Maar toen in 1983 het conflict weer oplaaide,
begonnen ook in de Uduk gebieden de spanningen toe te nemen. Hun dorpen liggen
precies op de grens tussen Noord- en Zuid-Soedan en waren dus voor beide
strijdende partijen van strategisch belang. Vanwege hun etnische achtergrond
en de bekering tot het christendom werden de Uduk door de Noord-Soedanesen
verdacht van sympathisering met de SPLA. Toch was hier in eerste instantie
geen reden voor; met name de kerkleiders bleven loyaal aan de overheid en
sommige Uduk jongens werden soldaten in het overheidsleger. Tijdens de eerste
jaren van de tweede burgeroorlog won de SPLA echter aan invloed in de Uduk
dorpen en sommige Uduk jongens werden gerekruteerd om te gaan vechten voor
de SPLA. In 1987 verergerde de situatie: dorpelingen, verdacht van sympathisering
met de SPLA, werden opgepakt en vermoord. Arabische milities begonnen met
het doorkammen van dorpen, op zoek naar SPLA rebellen. Ze vernielden de hutten
en de kerken en vermoorden een aantal dorpelingen.
Dit was voor de Uduk mensen de directe aanleiding om te
gaan vluchten. De meerderheid van de Uduk vluchtelingen is samen gevlucht
naar Ethiopië, in grote groepen, en hun vluchtverhaal is in meer of
mindere mate hetzelfde. Het is een verhaal van zes jaar vervolging. Ze hebben
in die zes jaar de grens met Soedan meerdere keren gepasseerd, omdat ze evenmin
veilig waren in Ethiopië. Tijdens de vlucht stierven veel Uduk, met
name jonge kinderen en oude mensen. Elke dag bestond uit een overlevingsstrijd
om eten, water, veiligheid en beschutting. Men hield zich in leven door het
eten van wilde wortels en door te jagen en te vissen. Door bij elkaar te
blijven konden ze elkaar ondersteunen. Het is opvallend om te zien, hoe snel
de Uduk vluchtelingen zich elke keer weer opnieuw reorganiseerden na aankomst
in een kamp, zichzelf registreerden en begonnen met de bouw van kerken. In
1993 werd door de Ethiopische regering en in samenwerking met de UNHCR een
kamp beschikbaar gesteld voor de Uduk vluchtelingen, dat hen voor langere
tijd zou moeten opvangen. De bedoeling van dit Bonga vluchtelingenkamp was
om de Uduk vluchtelingen land te geven, zodat ze gedeeltelijk zelfvoorzienend
konden zijn en dit een nieuw thuis voor hen zou worden. Met de aankomst in
Bonga Refugee Camp kwam een voorlopig einde aan een periode van op de vlucht
zijn, maar een nieuw thuis is het nooit voor hen geworden.
Leven in het Bonga vluchtelingenkamp
Het Bonga vluchtelingenkamp ligt in het westen van Ethiopië en wordt
omgeven door twee rivieren: de grote Baro rivier en een kleine rivier, de
Bonga. De omgeving is tamelijk heuvelachtig. Nabij het kamp liggen kleine
dorpjes van de lokale bevolking, de Anuak, en het dorpje Bonga is hiervan
het grootst. Het kamp is ongeveer vijf vierkante kilometer groot en met bijna
15.000 vluchtelingen dus tamelijk dicht bevolkt. Het kamp is verdeeld in
drie blokken; ieder blok is weer verdeeld in dorpjes. De hutten staan in
rijen naast elkaar en de overgang naar de verschillende dorpjes is niet altijd
even duidelijk. Tussen de blokken is wat ruimte overgelaten voor landbouw,
scholen, voetbalvelden en kerken. De meeste vluchtelingen behoren tot de
Uduk stam, maar ongeveer 5% van de vluchtelingen hoort tot een andere etnische
groepering.
De UNHCR en de Administration of Refugee and Returnee
Affairs (ARRA, een Ethiopische overheidsorganisatie) zijn verantwoordelijk
voor de organisatie in het kamp. Gezondheidszorg, onderwijs en de veiligheid
van de vluchtelingen vallen onder de verantwoordelijkheid van ARRA en zijn
redelijk te noemen. De beloofde zelfvoorzienendheid is helaas nog steeds
niet behaald: de vluchtelingen zijn nog steeds afhankelijk van externe hulp.
Eén keer per maand vindt de voedseldistributie plaats. Naast deze
twee organisaties werken een aantal NGO's in het kamp op het gebied van onderwijs,
inkomensgenererende activiteiten en milieu-onderwijs.
Voor de Uduk vluchtelingen is landbouw nog steeds erg
belangrijk. Bij aankomst in het kamp was hen beloofd, dat ze land zouden
krijgen om te verbouwen, maar deze stukken land blijken veel kleiner te zijn
dan beloofd en niet iedereen heeft zijn eigen stuk land gekregen. Hierdoor
zijn veel Uduk illegaal gaan verbouwen, buiten de grenzen van het kamp. Ze
moeten hier vaak uren voor lopen en het land is niet altijd even vruchtbaar.
Toch willen ze zelf hun eigen eten verbouwen, als aanvulling op het gedistribueerde
voedsel. Sommige Uduk vluchtelingen zijn begonnen met kleinschalige economische
activiteiten, zoals het maken van stoelen, krukjes en gebruiksvoorwerpen
als messen, manden en bijlen. Er zijn een aantal theewinkeltjes, waar je voor
weinig geld een kopje thee en een stuk brood kan kopen. Onderwijs is een
andere belangrijke daginvulling. Veel kinderen volgen het reguliere onderwijs,
terwijl ouderen les krijgen van Uduk jongeren, in de zogenaamde 'Under shade
schools'. In vergelijking tot het leven in Soedan lijkt voor de vrouwen weinig
veranderd te zijn. Zij hebben nog steeds de traditionele taken als water
halen, brandhout halen, koken, kinderen krijgen en verzorgen. Voor mannen
is echter meer veranderd. Vroeger waren zij druk met de landbouw; nu kan
dat slechts voor een klein deel voorzien in de behoeften. Vaak hangen zij
maar wat rond, drinken bier en spelen spelletjes met elkaar. Dit veroorzaakt
veel spanningen in families. 's Avonds is het tijd om elkaar te bezoeken
en samen te eten. De lucht vult zich met het geluid van tjilpende krekels,
kletsende mensen, huilende babies, blaffende honden, muziek van de deng
deng (soort gitaar) en het zingen en dansen van een feest ergens in
een dorpje.
Voor de Uduk vluchtelingen is veel veranderd sinds hun
vlucht uit Soedan. Toch is ook een continuïteit te ontdekken in hun
leven. Door de vlucht zijn ze des te meer een hechte gemeenschap geworden.
De zorg voor elkaar is nog steeds erg belangrijk en veel sociale structuren
zijn intact gebleven. Door deze hechte sociale structuren, zoals de familie
en de kerk, zijn ze beter in staat elkaar te ondersteunen in moeilijke tijden.
De oude structuren van machtsorde en dorpsleiding zijn vrijwel hetzelfde
als in Soedan en hierdoor kunnen veel problemen in het kamp intern opgelost
worden. Een aantal nieuwe structuren zijn ook tot stand gekomen, zoals het
vluchtelingencomité en de vrouwenleiders.
Grote veranderingen zijn te ontdekken op het gebied van
de oude gewoonten en rituelen. Jongeren kennen deze niet meer en oude medicijnmannen
hebben hun status verloren. Ook op het gebied van landbouw en economie zijn
er duidelijke veranderingen. Door het gebrek aan grond worden andere manieren
van inkomensverwerving belangrijk en geld heeft zijn entree gedaan in de
Uduk samenleving. De meest in het oog lopende problemen zijn op het gebied
van zelfvoorzienendheid en het sociale vlak. De blijvende afhankelijkheid
van de voedseldistributie wordt door veel Uduk als een groot probleem ervaren,
mede door het feit dat deze distributie niet altijd op tijd komt en niet
voorziet in alle behoeften. De Uduk willen het liefst zelf hun eten verbouwen,
maar daar is geen land voor beschikbaar. Ze wijken uit naar illegaal landgebruik,
met alle daarbij horende risico's. Op het sociale vlak worden ook veel spanningen
genoemd, zoals spanningen tussen de oudere en jongere generatie, in gezinnen
en tussen mannen en vrouwen. Echtscheidingen en extreme vormen van polygamie
zijn op dit moment aan de orde van de dag. Jongeren veroorzaken problemen
met diefstal, vechtpartijen en vallen meisjes lastig. Veel van deze spanningen
zijn terug te voeren tot het leven in het kamp.
Toch ervaren veel Uduk mensen hun verblijf in het kamp
als positief. Ze zijn blij met de periode van rust en veiligheid en met de
mogelijkheden die geboden worden in deze nieuwe situatie. Het toegankelijk
zijn van onderwijs, trainingen en werk via de verschillende organisaties
wordt met beide handen aangegrepen en zorgt zelfs voor een verandering in
het zelfbeeld van de Uduk. 'Now we know the things of the world', is een
veel gehoorde, typerende uitspraak. Aan de andere kant zal Bonga nooit worden
gezien als een nieuw thuis, mede door de hierboven genoemde problemen. De
Uduk blijven terugverlangen naar hun thuisland. Onzekerheid over de toekomst
karakteriseert hun leven. Ouderen wachten passief af wat de toekomst zal
brengen. Jongeren zeggen daarentegen de tijd in Bonga te willen gebruiken
om vaardigheden en kennis op te doen, die ze later willen gebruiken om een
beter, meer ontwikkeld en democratisch Soedan op te bouwen.
Conclusies
Tijdens veel gesprekken met Uduk vluchtelingen kwam naar voren, hoe hun
leven veranderd is door de vlucht naar Ethiopië. Die veranderingen brengen
enerzijds bepaalde spanningen met zich mee, anderzijds worden sommige veranderingen
ook als positief ervaren. Van oude rituelen, zoals beschreven in het werk
van James, is weinig meer te herkennen. Anderzijds blijkt ook, dat bepaalde
gewoonten, zoals de zorg voor elkaar, het kunnen terugvallen op de eigen familie
en de actieve houding ten opzichte van landbouw, juist in stand worden gehouden
of sterker worden. Deze gewoonten vervullen een belangrijke functie voor
de Uduk in het omgaan met problemen in het kamp. Bovendien blijkt door de
vlucht een hernieuwd bewustzijn van hun identiteit als Uduk en van de eigen
cultuur tot stand gekomen te zijn. Concluderend kan je zeggen dat cultuur
een sociaal proces is, in interactie met de omgeving en de omstandigheden.
Voor NGO's die werken met vluchtelingen, is het dan ook van belang om zich
steeds bewust te zijn van de dynamische aspecten van cultuur, en daar rekening
mee te houden.
Noot
1. Harrell-Bond, B.E. & E. Voutira (1992), 'Anthropology and
the Study of Refugees', Anthropology Today, 8 (4): 3-9.
|
|