Culturele Antropologie Utrecht

CAses
hoogtepunten uit het afstudeeronderzoek


2001
vorige naar index volgende

Het zullen wel weer die Marokkanen zijn
Evaluatie van projecten met Marokkaanse ouders

Mirjam Hanstede

Amsterdam, 23 april 1998 - In de wijk Slotervaart / Overtoomse Veld breken rellen uit tussen de politie en Marokkanen. Aanleiding is de arrestatie van drie Marokkaanse jongens in verband met het negeren van een politieverordening. Buurtbewoners zijn het niet met de arrestatie eens en bezetten een rotonde. Het verkeer wordt urenlang gestremd. Er moeten negen ordebussen, een groep ruiters, zes hondengeleiders en tientallen agenten aan te pas komen om de orde te herstellen. (COT, 1998)

Confrontaties tussen agenten en Marokkanen komen overal in het land voor. In Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Den Haag, maar ook in kleinere steden zoals Gouda en Veenendaal gaat het elk jaar wel een keer mis. Het botert niet tussen de politie en Marokkaanse jongeren. Men wantrouwt elkaar, irriteert zich aan elkaar en beoordeelt elkaar op grond van vooroordelen en stereotyperingen (Coppes e.a., 1997).
   Deze slechte relatie is begrijpelijk. Marokkanen stonden tot voor kort nummer één in de misdaadstatistieken. Recentelijk zijn zij van de troon gestoten door Antillianen (Korf, 2001). Marokkanen beginnen steeds jonger aan hun criminele carrière, ze recidiveren vaker en houden zich bij voorkeur bezig met zakkenrollerij, het dealen van drugs, tasjesroof en geweldsdelicten (ibid.) Deze delicten vallen in de categorie 'straatcriminaliteit'. Straatcriminaliteit is de meest zichtbare vorm van criminaliteit en dit beïnvloedt de ernst die burgers eraan toekennen en het beeld dat men van de daders heeft. Dit in tegenstelling tot delicten als verduistering, belastingoplichting en fraude. Deze zogenaamde witte-boorden-criminaliteit wordt vooral thuis of op het werk gepleegd door Nederlanders. Het is minder zichtbaar voor het oog en komt hierdoor minder bedreigend over bij mensen (Lissenberg e.a., 1999).
   Straatcriminaliteit wordt sneller ontdekt door de politie. Het is dus niet verwonderlijk dat Marokkanen sneller 'gepakt' worden dan leden van andere etnische groepen (Korf, 2001). De kans dat een agent met een dealende, stelende of klappen uitdelende Marokkaan te maken krijgt, is groter dan dat hij een belasting oplichtende Nederlander op heterdaad betrapt (CRIEM, 1997). Daarnaast is er sprake van selectiviteit in het politieoptreden (Bovenkerk, 1992). Marokkanen weten dit en verzetten zich vaak hevig tijdens een arrestatie. Agenten klagen steen en been over de houding van Marokkaanse arrestanten, die vaak 'hondsbrutaal' zou zijn (Zeeuw, 2000; Coppes e.a., 1997).
   De gespannen relatie tussen Marokkanen en politie leidde in Amsterdam-West tot de rellen op het Allebéplein, waarmee ik dit artikel opende. Na de rellen barstte er een stroom van publiciteit los in de media over Slotervaart/ Overtoomse Veld. Marokkanen zouden de buurt terroriseren, ze zouden rellen ensceneren om hun eigen criminele praktijken te verbloemen en de relschoppers zouden behoren tot de volgende generatie maffiosi (COT, 1998; Zeeuw, 2000; NafferPark-West, 2000). Een aantal Marokkanen ergerde zich aan deze negatieve publiciteit. Zij besloten wat aan de situatie te doen en gingen door de wijk patrouilleren om iedereen die overlast veroorzaakt, aan te spreken.

"In deze wijk wonen bijna alleen maar Marokkanen. Hoe denk je dat het voor ons was om steeds negatief in het nieuws te zijn? Wij wonen hier en wilden niet langer dat de wijk zo'n slechte reputatie had. We wilden wat doen." (Voorzitter Buurtvaders)

De mannen gingen aan de slag onder de naam 'Buurtvaders'. Voor het eerst in Nederland stonden er Marokkaanse mannen op, die de verantwoordelijkheid op zich namen voor de veiligheid in de buurt. Tot dan toe waren het vooral Nederlandse instellingen die zich bezighielden met criminaliteit onder Marokkaanse jongeren. De vraag is of het beter werkt, als je Marokkanen zélf inzet bij het bestrijden van criminaliteit.
   Deze vraag stelde ik mijzelf tijdens de uitvoering van mijn afstudeeronderzoek. Ik evalueerde twee preventieprojecten met Marokkaanse ouders. Naast de Buurtvaders keek ik naar Netwerk Marokkaans Kader, een vergelijkbaar project in Utrecht. Ik keek vooral naar de effectiviteit van de projecten: in hoeverre hebben Buurtvaders en Netwerk Marokkaans Kader hun doelstellingen bereikt en waaruit is hun succes of falen te verklaren?
   Het onderzoek vond plaats van januari tot juli 2000. Het project Netwerk Marokkaans Kader duurde van 1993 tot 31 december 1999. In 2000 zou het project zelfstandig moeten functioneren. Dit is echter nooit gebeurd. Hierdoor kon ik geen gebruik maken van participerende observatie. In plaats daarvan hield ik interviews met betrokken instanties, kaderleden en projectcoördinatoren. Daarnaast analyseerde ik bestaand materiaal, zoals notulen, artikelen en beleidsgegevens.
   In Amsterdam lopen de Buurtvaders nog altijd hun rondes. In juni liep ik een rondje met hen mee, observeerde hun werkwijze en hield interviews. Daarnaast sprak ik met politieagenten, ambtenaren, welzijnswerkers en buurtbewoners. Ook analyseerde ik beleidsplannen en politiële gegevens.

Theorie

Netwerk Marokkaans Kader en Buurtvaders betrekken Marokkaanse ouders bij de bestrijding van criminaliteit onder Marokkaanse jongeren. Dit idee werd in 1991 gelanceerd door Bovenkerk in zijn artikel Criminaliteit van Marokkaanse jongens (1991). Het idee was nieuw en trok de aandacht. Tot dan toe waren het vooral Nederlandse instellingen die zich bezighielden met criminele Marokkaanse jongeren. Dit is volgens Bovenkerk niet alleen onlogisch, maar ook ongewenst; Nederlandse instellingen maken namelijk deel uit van de problematiek, omdat zij niet adequaat met de jongeren en hun ouders omgaan (ibid.) In plaats van ouders op een afstand te houden moet men ze juist bij de problemen betrekken. Dit kan men doen door netwerken of 'kaders' van ouders op te zetten. Zo'n Marokkaans kader bemiddelt tussen ouders en kinderen en legt contact met Nederlandse instellingen. De verantwoordelijkheid voor de hoge criminaliteit onder Marokkaanse jongeren wordt zo teruggelegd bij de Marokkaanse gemeenschap.
   Dit idee kreeg bekendheid onder de naam 'kaderbenadering'. In 1992 ging het Ministerie van Justitie aan de slag met dit idee. Er werd een 'kaderproject' opgezet in Utrecht, in de wijken Zuilen en Lombok. De naam van project was Netwerk Marokkaans Kader. Omdat het project zo'n nieuwe theoretische achtergrond had en uniek was in Nederland, is het goed om te kijken of het ook heeft gewerkt. Zeker als men zich realiseert, dat er ongeveer drie miljoen gulden aan gespendeerd is!

De organisatie

De organisatie van Netwerk Marokkaans Kader was sterk hiërarchisch. Aan de top stond het Ministerie van Justitie. Het ministerie stelde een begeleidingscommissie samen met vertegenwoordigers uit verschillende Nederlandse instellingen, zoals Welzijn, de gemeente, de politie en HALT. De commissie was verantwoordelijk voor de aansturing van het project. Zij stelde een projectcoördinator aan, die belast was met de organisatie en de begeleiding van het kader. Het kader, bestaande uit ongeveer twintig Marokkaanse mannen, moest uiteindelijk zijn diensten verlenen aan Marokkaanse ouders en hun kinderen. Dit deden zij door contact te zoeken met Marokkaanse ouders in de wijk, informatieavonden op te zetten en activiteiten te organiseren. Via de ouders hoopte men zo de Marokkaanse jeugd te bereiken.
   De opzet van het project Buurtvaders in Amsterdam is directer. De Buurtvaders stappen gelijk op de jongeren zelf af. Ze spreken de jongeren aan, als ze overlast veroorzaken, maar ook als ze gewoon op straat zijn. De bedoeling is dat door de sociale controle jongeren geen overlast meer veroorzaken. Het project is 'bottom-up' georganiseerd: de vaders bedenken en organiseren het project. Ze hebben een klein stichtingsbestuur, bestaande uit een coördinator, een chef, een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. De vaders krijgen subsidie van het stadsdeel en werken samen met diverse instanties in de wijk, zoals welzijnsinstellingen en politie. De groep bestaat uit ongeveer vijfentwintig Marokkaanse mannen tussen de dertig en zestig jaar. Het zijn mannen met een goede reputatie in de buurt, die goed met kinderen kunnen omgaan en het geduld hebben om de soms lastige Marokkaanse jeugd tot rede te brengen.

"Een buurtvader moet zich betrokken voelen bij de problemen in de buurt. Hij moet bereid zijn regelmatig te lopen en hij moet het leuk vinden om met kinderen om te gaan. Hij moet de kinderen op een rustige manier benaderen en niet gelijk kwaad worden, als hij wordt uitgescholden." (Buurtvader)

Een Buurtvader heeft het druk. Elke dag loopt hij tussen 20.00 uur en 1.00 uur 's nachts door de wijk om te kijken of alles rustig is. Als hij lastige jongeren ziet, spreekt hij ze aan op hun gedrag. Dit gaat meestal goed, doordat de vaders jongeren op een rustige, respectvolle manier benaderen. Bovendien zijn de vaders vaak bekenden van de ouders van de jongeren. Als een jongere brutaal reageert, zal hem dit thuis bezuren.

De uitvoering

In de praktijk verliepen de projecten totaal verschillend. In Utrecht is de uitvoering van Netwerk Marokkaans Kader niet geslaagd. In de wijk Zuilen bleken al verschillende criminaliteitspreventieprojecten actief te zijn, waardoor bewoners redelijk 'verzadigd' waren. Ook instellingen begrepen niet, wat het project Netwerk Marokkaans Kader toevoegde aan het bestaande hulpverleningsaanbod. De Marokkaanse gemeenschap had bovendien zelf al een initiatief ontplooid: een groep mannen kwam regelmatig bijeen om over de toekomst van hun kinderen te praten (met name op het gebied van onderwijs). De coördinator heeft deze groep mannen gevraagd zich te formaliseren tot 'het kader'. Dit deden de mannen, op voorwaarde dat hun ruimteprobleem zou worden opgelost: de mannen wilden al jaren een eigen moskee. De coördinator stemde hierin toe, waardoor verkeerde verwachtingen werden geschapen bij de kaderleden. De bedoeling van het project was immers criminaliteitspreventie en niet het realiseren van een moskee. Daarnaast bleken het kader en de coördinator het begrip 'criminaliteitspreventie' anders te interpreteren dan de begeleidingscommissie. Tot grote ergernis van de commissie organiseerde men in Zuilen voornamelijk activiteiten die met Welzijn te maken hadden. De verwarring ontstond door het onduidelijke projectvoorstel waarin niet precies werd aangegeven, welke activiteiten het kader moest ontplooien. Iedereen interpreteerde dat dan ook op zijn eigen manier en sturing ontbrak volkomen. Uiteindelijk escaleerde de situatie zover, dat het Ministerie van Justitie de subsidie stopzette en de coördinator ontsloeg.
   In de wijk Lombok lukte het de coördinator niet om een kader bijeen te krijgen. Deze man nam na een jaar op eigen initiatief ontslag. De tweede coördinator was een OETC-leerkracht die de mensen in Lombok goed kende en zelf van Berberse afkomst was, net als de doelgroep. Hierdoor was er geen taalprobleem in de communicatie met de kaderleden. Deze tweede coördinator kreeg binnen korte tijd een gemotiveerd kader bij elkaar, dat de doelstelling van het project onderstreepte. Ook de activiteiten van dit kader hadden direct met criminaliteitspreventie te maken en wierpen hun vruchten af. Hieruit blijkt, dat het project Netwerk Marokkaans Kader sterk afhankelijk is van de persoon en vaardigheden van de coördinator.
   Dit probleem had het Buurtvadersproject in Amsterdam niet. De vaders zijn zelf verantwoordelijk voor de organisatie en uitvoering van het project. De bureaucratische kant regelt het stadsdeel. Zoals gepland, lopen de mannen inderdaad dagelijks door de wijk. Niet iedereen is in het begin enthousiast, maar door informele activiteiten, uitleg en informatieavonden wordt het vertrouwen gewonnen van de meeste ouders, jongeren en buurtbewoners. De jongens luisteren, als de vaders hen aanspreken, omdat ze respect hebben voor de Buurtvaders en de Buurtvaders bekenden zijn van hun eigen ouders. De vaders benaderen buurtbewoners, ongeacht afkomst of leeftijd, steeds op dezelfde manier: rustig en met respect. Dit wordt door alle partijen gewaardeerd. De vaders werken inmiddels ook samen met andere Nederlandse instellingen en initiëren zelf nieuwe projecten.

Effectiviteit

En dan nu de belangrijkste vraag: Zijn de projecten effectief? Een project is effectief, als het doel van het project bereikt wordt binnen een bepaalde tijdslimiet, als gevolg van de uitvoering van het project. Netwerk Marokkaans Kader in Zuilen heeft zijn doel niet bereikt. Het lukte de coördinator wel om een kader op te zetten, maar het aansturen en begeleiden gingen minder soepel. Het kader bestond uit twintig actieve kaderleden en nog eens veertig mannen die af en toe een handje hielpen. Een groot deel van deze mannen kende elkaar al uit een eerder informeel netwerk en had zijn eigen doelstelling: een moskee in de wijk Zuilen. De coördinator stelde deze doelstelling niet bij. Integendeel: hij ging mee in de wens van de kaderleden. Dit is te begrijpen in het licht van de achtergrond van de projectcoördinator. Hij was een Arabische man met een hoger opleidingsniveau dan de kaderleden. De kaderleden waren voornamelijk laag opgeleide mannen uit het Rif-gebergte. Dit is belangrijk om te weten, want van oudsher botert het niet tussen Arabieren en Riffijnen uit Marokko (Valk & Blaaubeen, 1996). Hoewel dit tegenwoordig minder geldt, zeker in Nederland, kent de eerste generatie Marokkanen deze gevoelens nog wel. Bovendien werkte de coördinator voor het Centrum Buitenlanders Midden Nederland (het tegenwoordige MIU) en deze organisatie was ook al niet populair onder Marokkanen in Zuilen.

Vooroordelen versterkten het wantrouwen van de Berbers ten opzichte van de coördinator en het Centrum Buitenlanders Midden Nederland. Als Arabieren zouden zij alleen op hun eigen belang uit zijn. (Begeleidingscommissie)

De kaderleden waren bij aanvang van het project wantrouwig. De coördinator probeerde hun vertrouwen te winnen door toezeggingen te doen over de grootste wens van de kaderleden: een eigen moskee. Hier was de begeleidingscommissie niet blij mee. Zij wilde dat het kader zich zou richten op bestrijding van criminaliteit. In de praktijk bleek dit helemaal geen 'issue' voor het kader. Het organiseerde vooral welzijnsgerichte activiteiten, zoals taallessen voor vrouwen, voetbaltoernooien en uitstapjes naar de Efteling.
   De coördinator hield vol, dat deze activiteiten met criminaliteitspreventie te maken hadden, en dit leverde voortdurend wrevel op binnen vergaderingen. Sturing ontbrak, doordat men niet precies wist, waar de verantwoordelijkheden lagen. Het projectvoorstel verschafte hier geen duidelijkheid in.

"De coördinator zat tussen twee vuren. Hij was aangenomen om als coördinator de doelstelling van het project te verwezenlijken, maar hij had ook te maken met het kader, die haar eigen doelstelling had en de gelegenheid die het project haar bood, aangreep om die doelstelling te realiseren." (Ministerie van Justitie)

Onenigheid over de doelstelling en de wensen van het kader gingen als een rode draad door de vergaderingen lopen. Dit, tezamen met de slechte sturing en belangenverstrengeling binnen de begeleidingscommissie, deden het project uiteindelijk de das om. Op 31 december 1999 stopte Netwerk Marokkaans Kader in Zuilen zonder zijn doelstelling te hebben bereikt.
   Het kader in Lombok liep synchroon met het kader in Zuilen, maar was succesvoller. Dit kwam voornamelijk door de persoon van de coördinator. Hij was een daadkrachtige man die een duidelijke visie had over de doelstelling van het project en op één lijn zat met de begeleidingscommissie. Hij maakte de doelstelling van het project duidelijk aan de kaderleden, die hij zorgvuldig selecteerde op grond van motivatie en reputatie in de buurt. Omdat de coördinator de kaderleden zelf selecteerde, hoefde hij zich niet te 'bewijzen' voor de groep en was zijn aanvangspositie sterker. Hij maakte het kader duidelijk, dat activiteiten met criminaliteitspreventie te maken moesten hebben.

Het is een kwestie van duidelijk zijn. Ik heb ze verteld dat we bijeenkomen om over de toekomst van de kinderen te praten. Als je wilt bidden dan ga je maar naar de moskee. (Projectcoördinator Lombok)

Het kader organiseerde informatieavonden en cursussen voor Marokkaanse ouders over de werkwijze van Nederlandse instellingen. Hierdoor verbeterde de relatie met organisaties in de wijk. Het kader ging zelfs samenwerken met de politie in Lombok. Kaderleden verschaften de politie cruciale informatie over bepaalde vormen van criminaliteit in de wijk, zoals gedwongen prostitutie en pedofilie. Dit zijn misdaden die Marokkanen worden aangedaan, en dit is gelijk het zwakke punt van het kader in Lombok. Zij hielden zich wel bezig met criminaliteit onder Marokkanen, maar bekeken de problematiek vanuit het oogpunt van het slachtoffer. Netwerk Marokkaans Kader was feitelijk een dadergericht project en het kader draaide dit om, zonder dat de begeleidingscommissie hiertegen protesteerde.
   Dankzij het kader werd wel een pooier opgepakt, die Marokkaanse meisjes tot prostitutie dwong. Daarnaast verbeterde de relatie tussen Nederlandse instellingen en de Marokkaanse gemeenschap en werd het taboeonderwerp 'criminaliteit' bespreekbaar gemaakt. Het kader had echter geen blijvende invloed op de veiligheid in de wijk, omdat het zich te veel richtte op Marokkaanse slachtoffers en nauwelijks op Marokkaanse daders. Het project is uiteindelijk gestopt, doordat het Ministerie van Justitie de subsidie staakte in verband met het disfunctioneren van het kader in Zuilen! Het project in Lombok was gedeeltelijk succesvol, maar bleek voor zijn functioneren zeer afhankelijk van de projectcoördinator: na zijn vertrek is het kader totaal ingestort.
   Tot slot de Buurtvaders in Amsterdam, het meest succesvolle project en zowel qua uitvoering als organisatie totaal verschillend van het Netwerk Marokkaans Kader. 'Buurtvaders' is ten eerste door Marokkanen zelf bedacht, naar aanleiding van een concreet probleem: rellen en chaos in de wijk. Ten tweede is de organisatie van het project 'bottom-up'. De Buurtvaders bedenken het project, schrijven een projectplan en vragen subsidie aan. Hun organisatie lijkt op die van een stichting en dit houdt in, dat zij zelf bepalen wat hun doelstelling is en hoe ze daar invulling aan willen geven. Hun methode van werken is direct en eenvoudig: elke dag rondjes lopen door de wijk en lastige jongeren aanspreken. Ten slotte is er voor het project Buurtvaders voldoende draagvlak. Zowel Nederlandse instellingen als de Marokkaanse gemeenschap staan achter het project. Hierdoor is het voor het project Buurtvaders makkelijker om zijn doelstelling te bereiken. De dagelijkse surveillance van de Buurtvaders lijkt effectief. De criminaliteit daalt 'over all' (Politie Amsterdam-Amstelland, 1998/1999). De meeste buurtbewoners voelen zich veiliger, hoewel enkele oudere mensen en winkeliers zich nog steeds niet veilig voelen in de wijk.

Conclusie

Er is heel wat gebeurd, sinds een Marokkaanse jongen een prullenbak in de fik stak in Amsterdam. Het project Buurtvaders ging van start en werd omarmd door overheid en media. Wat heerlijk, dat Marokkaanse vaders nou eens zelf wat aan de problemen van hun lastige 'zonen' doen! Het idee dat ouders betrokken worden bij criminaliteitsbestrijding, noemde ik in dit artikel 'de kaderbenadering'. De onderzoeksvraag was of deze benadering effectief is.
   Effectiviteit is moeilijk meetbaar. 'Harde cijfers' over gedaalde criminaliteit kan ik de lezer niet presenteren. Politiecijfers tonen aan, dat criminaliteit in Slotervaart / Overtoomse Veld is gedaald, maar dit geldt voor een beperkt aantal delicten. Sommige delicten namen juist in aantal toe. Tijdens mijn veldwerk zeiden Buurtvaders, stadsdeel, politie en Welzijn, dat de criminaliteit was gedaald dankzij het project. Dit in contrast met de mening van een aantal buurtbewoners en winkeliers. Volgens hen was de criminaliteit in 1998 juist gestegen.
   Cijfers geven hier weinig uitsluitsel over. Wel bleek, dat bij de meerderheid van de respondenten de gevoelens van veiligheid waren toegenomen. Bij een aantal mensen niet, met name bij ouderen en mensen die de Buurtvaders niet kennen. Omdat dit slechts een minderheid betrof en omdat de criminaliteit 'over all' licht is gedaald, concludeer ik toch dat de Buurtvaders een positief effect hebben op de veiligheid in de wijk.
   Het project in Utrecht, Netwerk Marokkaans Kader, bleek geen enkel effect te hebben op criminaliteit in de wijken Zuilen en Lombok. Het kader in Lombok ging de goede kant op, maar had geen blijvende invloed op de veiligheid in de wijk. De relatie tussen de politie en de Marokkaanse gemeenschap verbeterde wel, er vond zelfs informatie-uitwisseling plaats, maar sinds het project niet meer loopt, is deze positieve ontwikkeling gestagneerd. In Zuilen is nooit sprake geweest van een positieve invloed op veiligheid. Het kader daar functioneerde meer als een (tijdelijke) Marokkaanse welzijnsinstelling. Dat het project niet liep, had vooral te maken met de organisatie.
   Netwerk Marokkaans Kader was 'top-down' geïnitieerd door het Ministerie van Justitie. Het sloot niet aan bij de behoeften van de wijkbewoners. De samenwerking met Nederlandse instellingen was slecht (Zuilen) tot oppervlakkig (Lombok) en de meeste buurtbewoners wisten niet, dat het project bestond. Beide kaders interpreteerden 'criminaliteitsbestrijding' op hun eigen manier en dit kwam, doordat de doelstelling niet eenduidig was geformuleerd. Hierdoor ontstonden misverstanden en irritaties tussen de projectcoördinator, de kaderleden en de begeleidingscommissieleden. Er gingen allerlei belangen meespelen en door gebrek aan sturing kreeg men de partijen niet op één lijn. De situatie escaleerde en de subsidie werd stopgezet. De doelstelling werd niet bereikt.
   Een kaderproject moet voldoende draagvlak hebben om te kunnen functioneren. Dit houdt in, dat Nederlandse instellingen en de Marokkaanse gemeenschap het project ondersteunen. Dit betekent niet, dat iedereen dolenthousiast moet zijn over het project, maar het project moet wel aansluiten bij een behoefte die onder buurtbewoners leeft. Daarnaast moet het project een eenvoudige organisatie en een concrete doelstelling hebben. Alleen dan kan een preventieproject met Marokkaanse ouders effect hebben op de veiligheid in de buurt.

Literatuur

- Bovenkerk, F. (1991). 'Criminaliteit van Marokkaanse jongens'. De gids 154: 958-978.
- Coppes, R. e.a. (1997). Politie en criminaliteit van Marokkaanse jongens. Deventer: Gouda Quint.
- Crisis Onderzoeks Team (1998). Incident en ongeregeldheden: Amsterdam West 23 april 1998. Alphen a/d Rijn: Samsom.
- Korf, D.J. e.a. (2001). 'Diversiteit in criminaliteit: Allochtone arrestanten in de Amsterdamse politiestatistiek'. Tijdschrift voor Criminologie. (verschijnt binnenkort).
- Lissenberg, S. e.a. (1999). Tegen de regels III: Een inleiding in criminologie. Nijmegen: Ars Aequi Libri.
- NafferPark-West (2000). Commi van Riessen wil Naffers wakker schudden. http://mokum.freeyellow.com (25 juni).
- Politie Amsterdam-Amstelland (1998/1999). Periodeoverzicht aangifte misdrijven district 6.
- Valk, L. van der & H. Blaaubeen (1996). De kunst van het overleven. Marokkaanse jongens: methodiek en communicatie. Utrecht: Jan van Arkel.
- Zeeuw, R. de (2000). 'Alles is rustig aan het Westfront: Een jaar na de 'Marokkaanse' crisis in Amsterdam-West'. New.nl 19 september.


 
vorige naar index volgende